
Jurisprudentie
AN9571
Datum uitspraak2003-07-25
Datum gepubliceerd2003-12-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers23-00734-02
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2003-12-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers23-00734-02
Statusgepubliceerd
Indicatie
Gemotiveerde vrijspraak in de Wijkerzaak.
Veroordeling voor overige feiten tot 4 jaar en 6 maanden gevangenisstraf.
Uitspraak
arrestnummer
rolnummer 23-00734-02
datum uitspraak 25 juli 2003
tegenspraak
VERKORT ARREST VAN HET GERECHTSHOF TE AMSTERDAM
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Alkmaar van
30 januari 2002 in de gevoegde strafzaken onder parketnummers 14/010245-00, 14/010027-01, 14/015087-01 en 15/030389-99 (TUL) en van het openbaar ministerie
tegen
[verdachte G]
Omvang van het hoger beroep
Het hoger beroep van het openbaar ministerie en het hoger beroep van de verdachte zijn, blijkens mededeling van de advocaat-generaal respectievelijk de verdediging ter terechtzitting, niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien de de onder parketnummer 14/010245-00 tenlastegelegde feiten 4 en 7, houdende vrijspraak, en ten aanzien van het onder parketnummer 14/010245-00 tenlastegelegde feit 9, houdende schuldigverklaring zonder oplegging van straf of maatregel.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg van 1 en 2 oktober 2001, 12, 17, 18 en 19 december 2001 en 7, 8, 9, 10, 11 en 16 januari 2002 en in hoger beroep van 25 oktober 2002, 11, 13 en 20 december 2002, 17, 22 en 24 januari 2003, 7 februari 2003, 26 en 28 maart 2003, 9, 11, 18, 28 en 29 april 2003 en
13, 18, 20 en 27 juni 2003 en 11, 14 en 21 juli 2003.
Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door de verdachte en de raadsman naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, zoals op vordering van de officier van justitie op de terechtzitting in eerste aanleg van 10 juli 2001 gewijzigd. Van die dagvaardingen en de vordering aanpassing omschrijving tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. De daarin vermelde tenlasteleggingen (voorzover in hoger beroep nog aan de orde) worden hier overgenomen.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, verbetert het hof deze. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ingestelde strafvervolging
De verdachte heeft met betrekking tot het onder 8 van parketnummer 010245-00 ten laste gelegde (kort gezegd: verlaten plaats verkeersongeval) aangevoerd dat hem door een opsporingsambtenaar telefonisch is gezegd dat, als hij een brief zou schrijven waarin hij zou bekennen dat hij na een ongeval op de Soomerwegh te Castricum op 18 september 1999 was doorgereden en de schade die uit dat ongeval was voortgekomen zou betalen, hij dan niet voor dat feit zou worden vervolgd en dat hij, verdachte, de schade heeft betaald.
.
Het hof verwerpt dit verweer, reeds omdat niet aannemelijk geworden is datverdachte een brief heeft geschreven, inhoudende dat hij na het ongeval op de Soomerwegh te Castricum op 18 september 1999 is doorgereden, terwijl ook overigens niet aannemelijk is geworden dat door de politie aan de verdachte een toezegging is gedaan van een inhoud en strekking als door hem is gesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep - voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen - kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet in elk onderdeel verenigt.
Bewijslevering
A.
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder parketnummer 14/010028-01 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair (de tenlastelegging in de zogenaamde Wijkerzaak) en onder parketnummer 14/010225-00 onder 4 primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte hiervan moet worden vrijgesproken.
Met betrekking tot de Wijkerzaak overweegt het hof hieromtrent als volgt nader.
1. De tenlastelegging
1.1. Aan de verdachte is - naast de Tortuurzaken - onder parketnummer 010028-01 ten laste gelegd betrokkenheid bij de zogenaamde Wijker-zaak.
In deze tenlastelegging wordt de verdachte verweten dat hij al dan niet tezamen met een ander of anderen - kort gezegd - in de woning boven Gasterij 't Woud te [plaats]
[slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd om daarmee een geslaagde diefstal met braak in de woning 'af te dekken' (art. 288 Wetboek van Strafrecht)
subsidiair, te weten indien dat niet tot een veroordeling mocht leiden, [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd om een poging tot inbraak, een niet geslaagde diefstal met braak dus, 'af te dekken' (artikel 288 Wetboek van Strafrecht),
meer subsidiair een geslaagde diefstal met braak heeft begaan, waarbij geweld is gebruikt waardoor [slachtoffer 1] is komen te overlijden (artikel 312 Wetboek van Strafrecht),
nog meer subsidiair een niet geslaagde diefstal met braak heeft begaan, waarbij geweld is gebruikt waardoor [slachtoffer 1] is komen te overlijden (artikel 312 Wetboek van Strafrecht).
1.2. De rechtbank in eerste aanleg heeft ter zake van deze tenlastelegging het subsidiair ten laste gelegde feit - dit is dus: medeplegen van de levensberoving van [slachtoffer 1] om een poging tot inbraak 'af te dekken' - bewezen verklaard, de verdachte daarvoor schuldig geoordeeld en hem hiervoor, samen met voor in de Tortuurzaak bewezen verklaarde feiten, een straf van lange duur opgelegd.
1.3. De verdachte en het openbaar ministerie hebben tegen het vonnis van de rechtbank in zijn geheel - te weten: betreffende alle bewezen verklaarde feiten waarvoor de rechtbank de straf heeft opgelegd - hoger beroep ingesteld. De verdachte heeft ten aanzien van zijn veroordeling in de Wijkerzaak het hof gezegd dat hij daarvoor door de rechtbank ten onrechte is veroordeeld omdat hij op geen enkele wijze bij die zaak betrokken is geweest. Het openbaar ministerie heeft het hof doen weten dat het wat betreft de Wijkerzaak zich niet in het vonnis kan vinden, omdat het van oordeel is dat het aan de verdachte primair ten laste gelegde - dus doodslag om een geslaagde inbraak 'af te dekken' - bewezen verklaard moet worden.
1.4. Het hof heeft de Wijkerzaak ter terechtzitting in hoger beroep uitgebreid onderzocht. Het heeft daartoe - op verzoek van de verdediging, op vordering van het openbaar ministerie of ambtshalve - het rechtbankdossier doen aanvullen met een groot aantal stukken, nieuwe of nadere onderzoeken doen uitvoeren en een groot aantal getuigen gehoord.
2. Vastgestelde feiten en onstandigheden
2.1. Op grond van de inhoud van het dossier en het voorts ter terechtzitting in hoger beroep verhandelde is - naar het oordeel van het hof - het volgende aannemelijk geworden.
2.2. In de nacht van 30 april op 1 mei 2000 is rond 01.00 uur in de woning van [slachtoffer 1], gelegen boven zijn Gasterij 't Woud, ingebroken. [slachtoffer 1] heeft daarbij de inbrekers, althans twee inbrekers overlopen. Door de inbrekers is toen op [slachtoffer 1] geschoten, zulks in elk geval om voor zichzelf, bij betrapping op heterdaad, de vlucht mogelijk te maken. [slachtoffer 1] is door de opgelopen schotverwondingen onmiddellijk overleden.
2.3. Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer 1] zijn twee zogenaamde doorschot letsels vastgesteld, waaruit het overlijden van [slachtoffer 1] zonder meer kan worden verklaard (F-3/9). Bij het onderzoek plaats delict in de woning van Wijker, verricht kort na de gebeurtenissen aldaar, zijn in de woonkamer drie hulzen en drie kogels aangetroffen en in de slaapkamer nog een kogel (E-1/23).
2.4. Duikers hebben in het water van het Noordhollands kanaal twee wapens aangetroffen, beide ter hoogte van - het hof begrijpt - hectometerpaal 33.7, dit is nabij Akersloot. Het eerste wapen is opgedoken op 19 december 2000 en betrof een revolver Smith&Wesson, kaliber .357 Magnum (E-88). Het tweede wapen is opgedoken op 3 januari 2001 en betrof een omgebouwd gas/alarmpistool Enser Waffen kaliber 9 mm (E-95). Blijkens de NFI rapportages zijn van het in de woning van [slachtoffer 1] aangetroffen schietmateriaal de drie hulzen woonkamer, twee van de drie kogels woonkamer en de kogel slaapkamer met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk verschoten met het opgedoken pistool Enser Waffen. Blijkens de NFI rapportages is het resterende schietmateriaal, te weten de derde kogel woonkamer, mogelijk verschoten uit de loop van de op 19 december 2000 opgedoken revolver Smith&Wesson.
2.5. Gelet op deze NFI rapportage en de omstandigheid dat beide schietwapens zijn aangetroffen in het water van het Noordhollands kanaal ter hoogte van hectometerpaal 33.7, alsook de omstandigheid dat gesteld noch anderszins aannemelijk geworden is dat [slachtoffer 1] in de bewuste nacht over een vuurwapen beschikte, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat met deze beide wapens tijdens de inbraak in de woning van [slachtoffer 1] door de inbrekers is geschoten. Hieraan doet niet af dat niet (meer) is kunnen worden onderzocht of de kogel, waarvan het NFI heeft geconcludeerd dat die mogelijk verschoten is uit de loop van genoemde uit het Noordhollands kanaal opgedoken revolver Smith&Wesson, is of kan zijn verschoten uit de loop van de op 16 januari 2001 onder [getuige 1] in beslag genomen revolver Ruger, van welke revolver [getuige 1] dacht dat die mogelijk in de zaak-Wijker was gebruikt. Het hof heeft hierbij in aanmerking genomen dat de NFI conclusie dat laatst genoemde kogel mogelijk is verschoten met de in het Hoordhollands kanaal aangetroffen revolver niet louter is gebaseerd op velden en trekken, maar tevens op enkele krasspoortjes.
2.6. De inbrekers zijn - naar het hof mede op grond van het onderzoek ter plaatse van de speurhond aannemelijk geworden acht - nadat zij door [slachtoffer 1] waren betrapt en er op hem was geschoten, gevlucht in de Opel Omega, die op korte afstand van Gasterij 't Woud was geparkeerd. Deze Opel Omega was kort daarvoor, te weten in de avond van 30 april 2000, gestolen vanaf het Raadhuisplein in Heiloo. Deze Opel Omega is in de vroege ochtend van 1 mei 2000, te weten te 07.15 uur, door de brandweer brandend aangetroffen (C-41) op een parkeerplaats aan de Anna van Burenlaan te Egmond aan de Hoef, zulks nadat deze brand om 07.09 uur was gemeld.
2.7. Op 15 maart 2001 hebben duikers uit het water van het Noordhollands kanaal ter hoogte van de veerpont Akersloot ongeveer 30 meter ten zuiden van hectometerpaal 32.5 een bestelauto Ford Courier met kenteken [kenteken] opgedoken (G19/20). Betreffende deze auto was op 26 april 2000 aangifte van diefstal gedaan. Volgens deze aangifte is de auto tussen 25 april 2000 te 23.30 uur en 26 april 2000 te 10.30 uur weggenomen vanaf een parkeerplaats te Zwanenburg in de gemeente Haarlemmermeer. De auto zat, toen zij werd opgedoken, zowel binnen als buiten onder de modder en was sterk begroeid met mosselen en aan de binnenzijde geheel begroeid met waterdiertjes (E0132/133). Op grond van deze omstandigheden stelt het hof vast dat de auto, toen zij werd opgedoken, al gedurende lange tijd in het water van het Noordhollands kanaal lag.
2.7. Uit de verklaringen van [getuige ], in het bijzonder de door hem aan de politie op 3 mei 2001 afgelegde verklaring (C-28/30), leidt het hof af dat [getuige ] deze auto Ford Courier op 1 mei 2001 omstreeks 07.05 uur met daarin tenminste twee mannen heeft zien rijden over de Anna van Burenlaan te Egmond aan de Hoef. Uit de verklaring van [getuige] (D-12) leidt het hof af dat bij voornoemde diefstal van de Opel Omega in de avond van 30 april 2000 vanaf het Raadhuisplein in Heiloo (een inzittende van) een witte bestelauto betrokken is geweest.
2.8. Alle voormelde ter zake relevante feiten of omstandigheden beoordelend, acht het hof het aannemelijk dat de aanwezigheid van deze Ford Courier op de Anna van Burenlaan te Egmond aan de Hoef op 1 mei 2000 omstreeks 07.05 uur verband heeft met de betrekkelijk korte tijd daarvoor plaats gehad hebbende gebeurtenissen in de woning van Gasterij 't Woud.
2.9. Bij het onderzoek plaats delict op 1 mei 2000 zijn aan en in de buurt van de Gasterij afdrukken van schoenzolen aangetroffen, waarvan het hof het - gelet op de plaatsen waar deze schoenzoolafdrukken zijn aangetroffen en het resultaat van de op 1 mei 2000 ter plaatse door de speurhond gedane onderzoek - aannemelijk acht dat die afdrukken afkomstig zijn van - kort gezegd - de daders in de Wijkerzaak. Op grond van het naar de aard van deze schoenzoolafdrukken verrichte onderzoek kan worden vastgesteld dat deze schoenzoolafdrukken, voor zover de afdrukken bepaalbaar waren, afkomstig zijn van een zool of zolen van een sportschoen merk Nike Air Turbulence en ten aanzien van enkele van die afdrukken ook dat het daarbij gaat om een sportschoen van maat 45,5, mogelijk van maat 46, zijnde de Europese maat zoals die bij de Nike Air Turbulence schoenen naast de Amerikaanse maat wordt vermeld. Deze hier door het hof gedane vaststelling is van zeer algemene aard. Uit de resultaten van het technisch onderzoek naar de schoenzoolafdrukken - het hof legt hierop de nadruk - kan niet blijken van welke preciese schoen of schoenen Nike Air Turbulence de schoenzoolsporen afkomstig is of zijn, zelfs niet van welk model of uit welke collectie Nike Air Turbulence, die vóór 1 mei 2000 op de markt is gebracht, die schoen of schoenen afkomstig is of zijn.
3. Verklaringen van getuigen
3.1. Voormelde vastgestelde feiten of omstandigheden, alsook nog enige andere uit het onderzoek naar voren gekomen feiten of omstandigheden houden op zichzelf beschouwd geen enkele aanwijzing in dat de verdachte en diens door de rechtbank veroordeelde medeverdachte bij de Wijkerzaak betrokken zijn. Die feiten of omstandigheden krijgen in die zin eerst betekenis door de verklaringen, die enige personen in de loop van het onderzoek hebben afgelegd over het doen en laten van de verdachte en/of zijn door de rechtbank veroordeelde medeverdachte (rond de gebeurtenissen in Gasterij 't Woud). Het gaat hier om de verklaring van [getuige 2] en voorts om de verklaringen van [getuige 3] [getuige 4] en [getuige 1].
3.2. [getuige 2] heeft verklaard - het hof geeft de kern van zijn de verdachte belastende
verklaring weer - dat hij ([getuige 2]) heeft gehoord dat een persoon, met wie hij samen gedetineerd was in het Huis van Bewaring, hem heeft gezegd dat hij (die persoon) [slachtoffer 1] had doodgeschoten en dat die persoon [verdachte vdM] was, met andere woorden naar mededeling van [getuige 2] heeft [verdachte vdM] zelf gezegd dat hij [slachtoffer 1] had doodgeschoten.
De rechtbank heeft in haar veroordelend vonnis deze verklaring van [getuige 2], hoewel [getuige 2] als getuige ter terechtzitting van de rechtbank zijn verklaring heeft bevestigd, niet tot bewijs van de Wijkerzaak gebezigd.
Het hof heeft [getuige 2] ter terechtzitting ook als getuige gehoord en, ter verificatie van diens verklaring, [getuige 5].
Het hof heeft de onderwerpelijke verklaring van [getuige 2] met de vereiste zorgvuldigheid beoordeeld. Daarbij is het hof tot de conclusie gekomen dat niet buiten redelijke twijfel kan worden gesteld dat hetgeen [getuige 2] heeft verklaard, ook waar is. Het hof heeft hierbij gelet op de inhoud van het rechtbank dossier, waar die betrekking heeft op de door [getuige 2] afgelegde verklaring, de wijze waarop [getuige 2] ter terechtzitting in hoger beroep tot bevestiging van de verklaring is gekomen en hetgeen [getuige 5] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep ter zake heeft verklaard, alsook op de omstandigheid dat [getuige 2], nadat hij zijn verklaring ter terechtzitting in hoger beroep had afgelegd, een brief heeft doen overleggen inhoudende - kort gezegd - dat hij met de verdachten, die hij ter terechtzitting in hoger beroep heeft gezien, niet heeft gepraat, ook niet in het Huis van Bewaring, dat hij - behalve vanuit de krant of van de televisie - niets van hen weet en dat hij dus zo maar wat heeft gezegd.
Het voorgaande brengt mee dat het hof de in het onderzoek door [getuige 2] afgelegde verklaring dat [verdachte vdM] aan hem heeft gezegd dat hij ([verdachte vdM]) [slachtoffer 1] heeft doodgeschoten, als niet bruikbaar in de zaak tegen de verdachte buiten beschouwing laat.
3.3. [getuige 3] [getuige 4] en [getuige 1] hebben - het hof geeft ook hier de kern van hun de verdachte mogelijk belastende verklaringen weer - het volgende verklaard.
- 3.3.1. [getuige 4], die aan de [adres] in de nabijheid van de Anna van Burenlaan woonde, heeft verklaard dat hij in de nacht van 30 april op 1 mei 2000 om ongeveer 01.00 uur is thuisgekomen en toen is gaan slapen en dat hij vervolgens wakker is geworden doordat [verdachte G] en [verdachte vdM] in zijn woning zijn gekomen, dat deze zeiden: "Problemen, problemen" en in de woning kleding, waaronder door [verdachte G] schoenen, hebben uitgedaan, deze kleding samen met wapens in een vuilniszak hebben gedaan en met achterlating van deze spullen uit de woning zijn weggegaan; dat [verdachte vdM] enige tijd daarna, in de vroege ochtend van 1 mei 2000, weer in de woning is teruggekomen en dat hij ([getuige 4]) [verdachte vdM] toen heeft weggebracht naar diens huis in [plaats]; dat hij ([getuige 4]), toen hij die ochtend weer was thuisgekomen, zulks op eigen initiatief, de vuilniszak met daarin de door [verdachte G] en [verdachte vdM] achtergelaten kleding en wapens heeft gepakt en meegenomen en vervolgens die spullen heeft weggegooid, de wapens in het Noordhollands kanaal, te weten op de plaats die hij aan de politie heeft aangewezen, zijnde de plaats ter hoogte waarvan de politie - op die aanwijzing van [getuige 4] - de eerdergenoemde revolver Smith&Wesson en pistool Enser Waffen in het Noordhollands kanaal heeft aangetroffen, zijnde dus de wapens waarvan het hof heeft vastgesteld dat die door de daders van de Wijkerzaak zijn gebruikt;
- 3.3.2. [getuige 4] heeft voorts verklaard dat hij, enkele dagen na die nacht van 30 april op 1 mei 2000, een ontmoeting heeft gehad met [verdachte vdM] waarbij hij ([getuige 4]) aan [verdachte vdM] heeft gezegd dat hij ([getuige 4]) de wapens in het Noordhollands kanaal richting Akersloot had gegooid en waarbij [verdachte vdM] hem ([getuige 4]) toen heeft gezegd dat hij ([verdachte vdM]) daar ook een auto had gedumpt, in welke laatste mededeling - gelet op hetgeen [getuige 4] toen tegen [verdachte vdM] zou hebben gezegd - [verdachte vdM] zou hebben kunnen duiden op de Ford Courier, van welke auto het hof heeft vastgesteld dat het aanwezig zijn ervan op de Anna van Burenlaan te Egmond aan de Hoef op 1 mei 2000 omstreeks 07.05 uur verband heeft met de gebeurtenissen in de woning van Gasterij 't Woud;
- 3.3.3. [getuige 3] heeft verklaard dat hij in de nacht van 14 op 15 april 2000 samen met [verdachte G] een kluiskraak heeft gepleegd in de woning behorende bij wasserette Hollands Roem aan de Kennemerstraatweg te Heiloo en dat de buit van die kluiskraak enige briefjes van duizend gulden betrof, dat hij op 16 april 2000, de dag na de kluiskraak, samen met [verdachte G] in Egmond dezelfde (het zelfde model) sportschoenen (merk Nike) heeft gekocht en hij ([getuige 3]) de door hem gekochte sportschoenen heeft betaald met een briefje van duizend gulden, afkomstig van de buit van Hollands Roem, alsmede dat [verdachte vdM] dezelfde schoenen korte tijd later ook nog heeft gekocht. [getuige 3] heeft in zijn verhoren voorts verklaard dat [verdachte G] in de avond van 30 april 2000 bij hem thuis is gekomen en toen een wapen bij zich had en volgens hem ([getuige 3]) toen ook de gekochte Nike schoenen aan had en dat [verdachte G] rond 23.30 uur door [verdachte vdM] in een auto is opgehaald en voorts dat hij ([getuige 3]) met [getuige 4] over de Wijkerzaak had gesproken en [getuige 4] had gezegd dat [verdachte vdM] en [verdachte G] er mee te maken hadden omdat zij, toen hij lag te slapen, bij hem waren binnengekomen en hun kleding, ook schoenen, hadden uitgetrokken en dat hij ([getuige 4]) al hun spullen moest weggooien en alles veilig had weggegooid.
- 3.3.4. [getuige 1] heeft verklaard dat hij op 1 mei 2000 rond de middaguren in de woning van [getuige 3] was en toen heeft gezien dat [verdachte G] in de woning kwam, van [getuige 3] een groot zwart pistool aanpakte en vervolgens de woning weer verliet. Deze verklaring van [getuige 1] is vervolgens door [getuige 3] bevestigd in die zin dat hij op 31 januari 2001 in een verhoor bij de politie (L-108/109) heeft verklaard dat wat [getuige 1] heeft gezegd best zo kan zijn geweest, vervolgens in een verhoor bij de politie op 13 februari 2001 (L113/119), toen verbalisanten hem zeiden dat [verdachte G] op die zondagmiddag van 30 april 2000 bij hem thuis is geweest om een pistool op te halen, heeft gezegd dat hij daarover al heeft verklaard en vervolgens in het verhoor bij de rechter-commissaris op 23 mei 2001 heeft verklaard dat [verdachte G] op zondagmiddag 30 april 2000 het wapen, dat hij ([getuige 3]) aan zijn vader had gegeven om te laten opknappen, bij hem heeft opgehaald.
4. Maatstaven ter beoordeling van de betrouwbaarheid van verklaringen
4.1. Betreffende deze verklaringen heeft het hof evenzeer onder ogen te zien, met name ook op het punt waar gesproken is over [verdachte G] en/of [verdachte vdM], of en zo ja, in hoeverre deze verklaringen als betrouwbaar (als een betrouwbare weergave van de werkelijkheid) kunnen worden aangemerkt, zulks te meer nu [verdachte G] en [verdachte vdM] iedere betrokkenheid bij de Wijkerzaak ontkennen en bestrijden dat hetgeen in die verklaringen over hen is gezegd, juist is en de verdediging de betrouwbaarheid van die verklaringen ook gemotiveerd in twijfel heeft getrokken.
4.2. Ter beoordeling van de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring staan diverse wegen open.
4.3. In de eerste plaats kan worden gekeken naar of hetgeen is verklaard, overeenkomt met of steun heeft in - zo te noemen - objectieve feitelijke gegevens die in het onderzoek naar voren zijn gekomen, voordat de verklaring is afgelegd, en waarvan degene, die de verklaring heeft afgelegd, geacht kan worden geen kennis te dragen. Dit zou in de Wijkerzaak met betrekking tot [verdachte G] en [verdachte vdM] bijvoorbeeld aanwezig zijn als in de in brand gestoken Opel Omega een vingerspoor was aangetroffen, waarvan door de dactyloscopische deskundige is geconcludeerd dat die overeenkomt met een vingerafdruk van [verdachte G] of [verdachte vdM] of wanneer door een getuige, met wie [getuige 3] en [getuige 4] ter zake geen contact kunnen hebben gehad, betrouwbaar is verklaard dat hij of zij [verdachte vdM] en/of [verdachte G] in de nacht van 30 april op 1 mei 2000 in de Opel Omega heeft zien rijden in de omgeving van Egmond/Egmond aan de Hoef. Dergelijke gegevens als hier bedoeld, waaraan de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 1] in het bijzonder ook met betrekking tot [verdachte G] en/of [verdachte vdM] op hun betrouwbaarheid kunnen worden getoetst, zijn in deze zaak niet naar voren gekomen, althans niet in die mate dat het hof op grond daarvan de verklaringen betrouwbaar kan oordelen.
4.4. Voorts kan worden gekeken naar of hetgeen is verklaard, overeenkomt met of steun heeft in gegevens die in het onderzoek naar voren zijn gekomen, nadat de verklaring is afgelegd, en op het bestaan waarvan degene, die heeft verklaard, geen invloed kan hebben gehad. Dit zou in de Wijkerzaak met betrekking tot [verdachte G] en [verdachte vdM] bijvoorbeeld het geval zijn als op de uit het Noordhollands kanaal opgedoken wapens DNA materiaal was aangetroffen, waarvan door de DNA deskundige was geconcludeerd dat het DNA profiel daarvan overeenkomt met het DNA profiel van [verdachte G] of [verdachte vdM] of als door een getuige, met wie [getuige 3] en [getuige 4] ter zake geen contact kunnen hebben gehad, betreffende de uit het Noordhollands kanaal opgedoken Ford Courier na het opduiken van de auto betrouwbaar is verklaard dat hij of zij [verdachte vdM] of [verdachte G] in de nacht van 30 april op 1 mei 2000 in die auto heeft zien rijden in de omgeving van Egmond/Egmond aan de Hoef of het Noordhollands kanaal bij Akersloot. Ook gegevens als hier bedoeld, waaraan de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 1] in het bijzonder ook betreffende [verdachte G] en [verdachte vdM] op hun betrouwbaarheid kunnen worden getoetst, zijn in deze zaak niet naar voren gekomen, althans niet in die mate dat het hof op grond daarvan de verklaringen betrouwbaar kan oordelen.
4.5. Ten derde kan worden gekeken of hetgeen degene, die de onderwerpelijke verklaring heeft afgelegd, (binnen het verband van de zaak) overigens heeft verklaard en of dat overigens verklaarde steun heeft in, in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Wat dit punt betreft, constateert het hof dat de verklaringen van [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 1] bijvoorbeeld over - kort gezegd - hoe zij de tijd rond de tijden, waarop zij hebben verklaard op 30 april en/of 1 mei 2000 [verdachte G] en/of [verdachte vdM] te hebben gezien, buiten wat zij onderling daarover hebben verklaard, zich niet lijken te verdragen met de in het dossier aanwezige gegevens van de telefoon(s), waarvan de politie heeft vermeld dat die bij hen in gebruik zijn (printgegevens van telefooncontacten), en/of met verklaringen van anderen daarover. Een ander voorbeeld ter zake: de schoenen van het merk Nike Air Turbulence waarvan [getuige 3] heeft verklaard dat zij door [verdachte G] zijn gekocht en met betrekking waartoe [getuige 4] heeft verklaard dat hij ze heeft weggegooid, zijn nimmer gevonden. In voormelde zin kan niet worden gezegd dat in hetgeen door [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 1] overigens is verklaard, voldoende steun is te vinden voor het oordeel dat hun onderwerpelijke verklaringen in het bijzonder over [verdachte G] en [verdachte vdM] betrouwbaar zijn.
4.6. Ten vierde kan worden gekeken of de verklaring is afgelegd op een wijze waarvan kan worden gezegd dat die verklaring uit zichzelf is afgelegd, dit is: of met de verklaring niet is 'ingespeeld' of kan zijn 'ingespeeld' op gegevens die daarvoor zijn aangedragen door de verhorende autoriteit. Wat de onderwerpelijke verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] op dit punt betreft, kan het hof - op grond van de geverbaliseerde tekst van de verhoren en, ten aanzien van de verhoren [getuige 4], ook op grond van de eigen waarneming van de video-opnamen van diens politieverhoren - niet uitsluiten dat deze getuigen met hun verklaring, zeker met betrekking tot enkele daarin bepaald als essentiëel aan te merken omstandigheden zoals door het herhaaldelijk noemen van de namen van [verdachte G] en [verdachte vdM], is 'ingespeeld' op hetgeen de verhorende verbalisanten in hun vraagstellingen te berde brachten. Het hof heeft hierbij bijvoorbeeld het oog op de onderdelen uit de verklaring van [getuige 3] dat hij en [verdachte G] samen sportschoenen van het merk Nike hebben gekocht en dat hij van [getuige 4] heeft gehoord dat [verdachte G] en [verdachte vdM] 's nachts in de woning van [getuige 4] waren gekomen en op de onderdelen uit de verklaring van [getuige 4] dat [verdachte G] en [verdachte vdM] in de nacht van 30 april op 1 mei 2000 's nachts bij hem thuis waren gekomen. In dit verband wijst het hof er ook op dat [getuige 4] betreffende de door hem afgelegde verklaring dat [verdachte vdM] in de vroege ochtend van 1 mei 2000, te weten om 06.00 uur, weer in zijn woning kwam, bij de verhorende verbalisanten - kort gezegd - informeerde of die tijd correspondeerde met de tijd waaraan verbalisanten dachten (de tijd van de melding van de brand in de Opel Omega) en op hetgeen [getuige 4] heeft verklaard toen hij door verbalisanten werd geconfronteerd met het 'konijnenholverhaal' waarover [getuige 3] intussen had verklaard. In dit verband merkt het hof ook op dat het zich niet geheel aan de indruk kan onttrekken dat de verhoren van [getuige 3] en [getuige 4] naar hun eventuele kennis over de Wijkerzaak in het politieonderzoek zijn aangevangen en voortgezet op basis van de omstandigheid dat bij de opsporingsautoriteit intussen, op grond van of mede op grond van in september/oktober 2000 binnengekomen CIE informatie, de overtuiging was ontstaan dat [verdachte G] en [verdachte vdM] als de daders in de Wijkerzaak konden worden beschouwd.
4.7. Ten vijfde kan ter beoordeling van de betrouwbaarheid van afgelegde verklaringen als de onderwerpelijke ook worden gekeken of de verklaring op andere onderdelen steeds consistent is en of onderdelen van de verklaring zich verdragen met andere in het onderzoek naar voren gekomen gegevens. Vanuit dit oogpunt bezien is er evenmin onverkort grond te vinden om de door [getuige 3] en [getuige 4] afgelegde verklaringen als betrouwbaar aan te merken. Zo wijst het hof bijvoorbeeld op de wisselende verklaringen over de tijden die [getuige 3] en [getuige 4] hebben genoemd met betrekking tot het met elkaar spreken over de Wijkerzaak, welke verklaringen ook onderling niet met elkaar in overstemming lijken te zijn, en op de door [getuige 4] afgelegde verklaring dat hij op 1 mei 2000, nadat hij [verdachte vdM] thuis gebracht, de door [verdachte G] en [verdachte vdM] in zijn woning achtergelaten spullen is gaan weggooien en dat hij bij het Noordhollands kanaal, toen hij de wapens daarin ging gooien, eerst de lichten van zijn auto uitzette. Wat dit onderdeel van de verklaring van [getuige 4] betreft lijkt het bijvoorbeeld, gezien de door hem ten aanzien van deze gebeurtenis opgegeven tijd, niet voor de hand te liggen - de verdediging heeft daarop ook gewezen - dat [getuige 4] toen nog de lichten van zijn auto aan had. Opmerkelijk is ook dat [getuige 3] er eerst is over komen te spreken dat [verdachte G] rond de middaguren van 30 april 2000 ook in zijn woning is gekomen en toen van hem ([getuige 3]) een wapen kreeg, nadat [getuige 1] hierover zijn verklaring had afgelegd, alsook de wijze waarop [getuige 3] die verklaring uiteindelijk heeft bevestigd, een en ander zoals hiervoor reeds is vermeld.
5. De eigen waarneming van het hof
5.1. Resteert de vraag of het hof op grond van de eigen waarneming van de personen, die de getuigen [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 1] zijn, en hoe zij zich tijdens verhoor en het afleggen van hun verklaring hebben gedragen, aanknopingspunten heeft om hun verklaringen als zijnde overeenkomstig hetgeen werkelijk is geschied, te beoordelen.
5.2. Het hof heeft [getuige 1] ter terechtzitting van 13 december 2002 als getuige gehoord, heeft [getuige 3] ter terechtzittingen van 17 en 24 januari 2003 als getuige gehoord en heeft hen beiden vervolgens ter terechtzitting van 29 april 2003 opnieuw als getuige gehoord. Op grond van hetgeen ter terechtzitting omtrent de persoon van [getuige 3] en het zich gedragen tijdens de verhoren en het afleggen van zijn verklaring door het hof is waargenomen, een en ander zoals dat naar voren komt uit de ter zake opgemaakte processen-verbaal van terechtzitting, is er onvoldoende grond om te oordelen dat zijn hiervoor - door het hof in zijn kern weergegeven - verklaring in de onderdelen die belastend zijn voor de verdachte en zijn door de rechtbank veroordeelde medeverdachte een betrouwbare weergave is van hetgeen in de werkelijkheid heeft plaatsgehad.
5.3. Het hof heeft herhaalde keren te vergeefs de oproeping van [getuige 4] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep gelast. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is mede daardoor kennis genomen van de inhoud van de video-opnamen van de politieverhoren van [getuige 4].
Het hof heeft, zulks nadat het onderzoek ter terechtzitting daartoe was heropend, [getuige 4] alsnog als getuige ter terechtzitting gehoord. [getuige 4] heeft daarbij verklaard dat hij blijft bij de door hem bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring en heeft verder geweigerd vragen te beantwoorden. Hij heeft deze opstelling, ook nadat hij in gijzeling is genomen, niet gewijzigd. Ter verklaring van deze opstelling heeft hij gezegd - kort samengevat - dat hij zijn verklaring bij de politie en de rechter-commissaris toentertijd heeft afgelegd op grond van mededogen met de naaste nabestaanden van [slachtoffer 1], dat hij en zijn ex-echtgenote, toen hij als getuige ter terechtzitting bij de rechtbank moest komen, zijn bedreigd onder de mededeling dat hij ([getuige 4]) niet moest gaan verklaren en dat hij, toen hij ter terechtzitting in hoger beroep moest komen, is bedreigd onder de mededeling dat hij beter naar het buitenland kon gaan, wat hij toen - naar zijn verklaring - ook heeft gedaan. [getuige 4] heeft ten aanzien van de gestelde bedreigingen niets concreets willen of kunnen meedelen. Hij heeft wat dit betreft slechts gezegd dat hij de veiligheid van zichzelf en zijn zoontje thans laat prevaleren boven zijn burgerschapszin en voornoemd mededogen.
5.4. Op grond van deze opstelling van [getuige 4] op de terechtzitting en op grond van de uitkomst van het bekijken van de video-opnamen van de politieverhoren van [getuige 4] heeft het hof onvoldoende grond gevonden om te kunnen oordelen dat [getuige 4]'s hiervoor - door het hof in zijn kern weergegeven - verklaring in de onderdelen die belastend zijn voor de verdachte en zijn door de rechtbank veroordeelde medeverdachte een betrouwbare weergave is van hetgeen in de werkelijkheid is geschied.
6. De beoordeling belemmerende factoren
6.1. Met betrekking tot de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4] wijst het hof voorts op een aantal ter terechtzitting aannemelijk geworden feiten of omstandigheden die hiervoor nog niet ter sprake kwamen en die de beoordeling of hetgeen [getuige 3] en [getuige 4] over de verdachte en zijn door de rechtbank veroordeelde medeverdachte hebben verklaard overeenkomstig de waarheid is, belemmeren.
6.2. Het gebeuren rond Gasterij 't Woud en de dood van [slachtoffer 1] in de nacht van 30 april op 1 mei 2000 heeft, mede door herhaalde aandacht die in regionale kranten, op regionale televisie en in landelijke uitzendingen van "Opsporing Verzocht" aan de zaak-Wijker is gegeven, de samenleving in en rond Bergen en Egmond gedurende geruime tijd na dat gebeuren bezig gehouden. In die tijd is er in bredere kring gespeculeerd over wie de daders daarvan konden zijn. In die speculatie zijn - naar ook uit de inhoud van het dossier kan worden opgemaakt - de namen van [verdachte vdM] en [verdachte G] als (mogelijke) daders ook gevallen. [verdachte vdM] is op 19 juli 2000 op verdenking in de Tortuurzaak aangehouden en in voorarrest genomen en gehouden. [verdachte G] is op 21 augustus 2000 op verdenking in de Tortuurzaak aangehouden en in voorarrest genomen en gehouden. Beiden zijn eerst op 23 januari 2001 in het Huis van Bewaring aangehouden op verdenking in de Wijkerzaak. Hun aanhoudingen op 19 juli 2000 en op 21 augustus 2000 in de Tortuurzaak zijn - naar het hof aannemelijk acht - in de samenleving in en rond Bergen en Egmond een voedingsbodem geweest voor speculatie omtrent hun eventuele daderschap in de Wijkerzaak.
6.3. [getuige 3] is op 4 december 2000 door de politie in het Tortuuronderzoek aangehouden. Mr. De Haas, zaaksofficier van justitie in de Tortuurzaak en in de Wijkerzaak, heeft als getuige ter terechtzitting verklaard dat in het Tortuuronderzoek in de maanden november en december 2000 veel aanhoudingen zijn gedaan en dat dat geen toeval is, omdat in het Tortuuronderzoek is besloten tot de fase van aanhoudingen over te gaan in samenhang met het onderzoek in de Wijkerzaak. Het hof vindt in de stukken van het geding voldoende grond om vast te stellen dat ook de aanhouding van [getuige 3] in het Tortuuronderzoek is gedaan in samenhang met het onderzoek in de Wijkerzaak.
[getuige 3] is, nadat hij in verzekering was gesteld, door de politie eerst ondervraagd over zijn persoonlijke omstandigheden, in welk verhoor zijn vriendenkring aan de orde is gesteld. Er is hem toen gevraagd naar onder anderen [verdachte vdM] en [verdachte G]. In de op 5 december 2000 gevolgde verhoren is hij geconfronteerd met de inhoud van afgeluisterde telefoongesprekken, naar aanleiding waarvan hij toen bekende te hebben bemiddeld bij twee wapenverkopen. Hij is vervolgens op 5 en op 6 december 2000 ondervraagd over de verdenkingen van betrokkenheid bij een overval op Blokker te Heiloo, een inbraak op 13 maart 1999 in een woning aan het Groot Barlaken te Heiloo en, mede naar aanleiding van afgeluisterde telefoongesprekken waarin hij contact zou hebben gehad met [verdachte G], over een diefstal van een aggegraat uit een bedrijfsbusje.
Op 6 december 2000 heeft [getuige 3] - toen hem tijdens een verhoor was gevraagd wat hij afwist van de moord op [slachtoffer 1] en hem was voorgehouden dat er informatie was dat de moord op [slachtoffer 1] door [verdachte vdM], [verdachte G] en [partner van verdachte G.] is gepleegd - tijdens dat verhoor informeel (dit is: zonder dat dit is vastgelegd in het proces-verbaal van verhoor) verklaard dat hij de gouden tip kon geven omtrent de moord op [slachtoffer 1] en dat [verdachte vdM], [verdachte G] en [partner van verdachte G.] bij de moord betrokken waren (L-1/3) en vervolgens, toen hij na de middagpauze opnieuw werd gehoord, tijdens dat verhoor, zulks opnieuw informeel: "[verdachte G] heeft de sportschoenen van het merk 'Nike' kort na de moord op [slachtoffer 1] weggegooid. Ik weet wie de wapens en de andere spullen heeft weggegooid. [verdachte vdM] heeft de avond dat hij [verdachte G] bij mij thuis kwam ophalen, ook nog handschoenen van mij meegenomen" (L4/8).
[getuige 3] heeft de eerder vermelde verklaring over de schoenenaankoop afgelegd, nadat hem in het middagverhoor op 6 december 2000 door verbalisanten was gevraagd of hij wel eens in het bezit is geweest van sportschoenen van het merk 'Nike' en nadat hij had verklaard dat hij van [getuige 1] had gehoord dat [getuige 6] door de politie was gehoord en bij dat verhoor had gezegd dat [verdachte vdM], [verdachte G] en [partner van verdachte G.] bij de moord op de restauranthouder van Gasterij 't Woud betrokken waren geweest en dat hij, [getuige 3], vervolgens tegen [getuige 6] heeft gezegd dat deze niet zo maar iemand een moord in z'n schoenen moest schuiven.
[getuige 3] heeft voormelde verklaring over wat [getuige 4] had gezegd op 10 december 2000 afgelegd, nadat hem in eerdere verhoren was gevraagd naar [getuige 4] en of hij, [getuige 3], weet had van problemen van [getuige 4].
6.4. [getuige 4] is aangehouden naar aanleiding van de verklaring van [getuige 3], inhoudende dat [getuige 4] hem had gezegd dat [verdachte G] en [verdachte vdM] in de nacht van 30 april op 1 mei 2000 bij hem thuis waren gekomen en dat hij ([getuige 4]) hun kleding en wapens had weggegooid.
[getuige 4] heeft zijn onderwerpelijke verklaring afgelegd, nadat hij met betrekking tot de Wijkerzaak had verklaard dat er roddels in Egmond de ronde deden en hij de namen van [verdachte vdM], [verdachte G] en [partner van verdachte G.] had horen noemen en Dave Bleekemolen hem had gezegd dat hij had gehoord dat [verdachte vdM], [verdachte G] en [partner van verdachte G.] officieel vastzaten voor de moord op [slachtoffer 1] en hem ook al had aangegeven dat [verdachte G] en [verdachte vdM] dat gedaan zouden kunnen hebben en nadat hem onder andere was gezegd dat hij er van verdacht werd sporen van het Wijker misdrijf, onder andere wapens, te hebben weggemaakt en er op papier is verklaard dat hij ([getuige 4]) aan iemand anders wat dingen over die nacht (van 30 april op 1 mei 2000) heeft verteld.
6.5. Volgens het CIE proces-verbaal van verbalisant Addink van 23 oktober 2000 (J-2) is in de periode september/oktober 2000 via een bron uit de kring rond [verdachte vdM] de informatie binnengekomen dat [getuige 3] vertelt dat [verdachte vdM] betrokken is bij de dood van [slachtoffer 1], dat dit verhaal kort na de aanhouding van [verdachte vdM] (het hof begrijpt: de aanhouding van [verdachte vdM] in de Tortuurzaak op 19 juli 2000) de ronde deed en dat deze informatie niet op haar betrouwbaarheid kon worden getoetst. De politie (CIE) heeft niet meegedeeld wie of wat deze bron inhoudt en heeft - door het hof uitdrukkelijk daarnaar gevraagd - niet bekend willen maken op welke dag of dagen precies deze informatie is binnengekomen. Wel is bekend geworden dat deze informatie op 19 oktober 2000 ter operationele afhandeling ter beschikking is gesteld aan de recherche in de Wijkerzaak, maar deze verstrekking wil nog niet zeggen dat die informatie niet reeds vóór 19 oktober 2000 langs informele weg aan die recherche is bekend gemaakt.
6.6. Betreffende de in de Wijkerzaak aan en in de omgeving van Gasterij 't Woud aangetroffen schoenzoolafdrukken was uit het contact, dat op 3 mei 2000 door de politie was opgenomen met Huizer, schoenspecialist van de importeur van Nike in Nederland, naar voren gekomen dat die afdrukken zouden betreffen van een sportschoen Nike Air Turbulence uit de Spring collectie die werd verkocht in de maanden februari-mei 2000. In dit verband merkt het hof ter verduidelijking op dat op grond van het door hof ingestelde nadere onderzoek naar de schoenzoolafdrukken - zoals volgt uit hetgeen hiervoor over het schoenzoolonderzoek is gezegd - niet kan worden afgeleid dat die schoenzoolafdrukken zolen van Nike Air Turbulence uit de Springcollectie 2000 hebben betroffen.
In het Tortuuronderzoek is op 12 mei 2000 huisvuil van de woning van [verdachte G] in beslag genomen. In dit huisvuil is door de politie een kassabon aangetroffen van de winkel Intersport te Egmond. Blijkens deze kassabon is op 16 april 2000 met een briefje van duizend gulden een paar sportschoenen gekocht. Naar mededeling van de getuige De Haas, zaaksofficier in zowel de Tortuurzaken als de Wijkerzaak, ter terechtzitting in hoger beroep is er op deze kassabon maandenlang niet gerechercheerd, omdat dit in die fase van onderzoek in de Tortuurzaken niet wenselijk was, daar de kans groot was dat, als er bij Intersport in Egmond onderzoek zou worden gedaan, bekend zou worden dat er een rechercheonderzoek liep.
6.7. Het politieonderzoek naar de kassabon is gestart begin oktober 2000, toen de opsporingsonderzoeken in de Tortuurzaken en in de Wijkerzaak in zekere zin werden samengevoegd.
Op 3 oktober 2000 zijn naspeuringen gedaan bij de winkel Intersport te Egmond. Daaruit kwam naar voren dat de schoenen van de kassabon een paar sportschoenen betrof van het merk Nike Air Turbulence van maat 12 (Europese maat 46).
Op grond van het onderzoek bij Intersport op 3 oktober 2000, het bij Intersport op 4 oktober 2000 en enkele weken daarna nog gedane vervolgonderzoek en de verklaringen van de ter zake ter terechtzitting gehoorde getuigen is aannemelijk geworden dat op 16 april 2000 ongeveer een minuut na de aankoop van de schoenen van maat 12 (Europese maat 46) in die winkel nog een paar sportschoenen van hetzelfde model is verkocht, maar dan van maat 10 (Europese maat 44) en tegen contante betaling, niet zijnde een briefje van duizend gulden, dat beide paren schoenen zijn verkocht aan personen, die deel uitmaakten van een aantal mannen dat als groepje in de winkel was en waaronder [getuige 3] was, en dat het [getuige 3] is geweest die een paar schoenen heeft betaald met het briefje van duizend gulden.
6.8. [getuige 4] heeft in een verhoor op 19 december 2000 (M-46/50), ondervraagd over wanneer hij met [getuige 3] heeft gesproken over wat (volgens [getuige 4] bij hem thuis) in de nacht van 30 april op 1 mei 2000 is gebeurd, verklaard dat hij en [getuige 3] er voor de tweede keer over spraken, toen [getuige 3] de kabelkrant had aanstaan waarop werd vermeld dat de beloning voor de tipgeving in de de Wijkerzaak werd verhoogd tot fl. 100.000,-- en dat [getuige 3] daarop 'insprong' met de opmerking dat, als zij ([getuige 3] en [getuige 4]) naar de politie zouden gaan, zij dan beiden fl. 50.000,-- zouden krijgen. Deze opmerking van [getuige 3] (waarop [getuige 3], volgens de verklaring van [getuige 4], overigens direct liet volgen dat zij dat nog niet zouden doen, al zou het een miljoen zijn) zou dan - zo komt het hof voor - gedaan moeten zijn kort na de tweede uitzending van 'Opsporing Verzocht' op 15 augustus 2000.
6.9. Gelet op het voorgaande kan niet worden uitgesloten dat voormelde CIE informatie eerst bij de CIE is binnengekomen, nadat de politie haar onderzoek bij Intersport naar de schoenen van de kassabon was gestart, en dat het vertellen door [getuige 3] dat [verdachte vdM] betrokken zou zijn bij de dood van [slachtoffer 1] geschiedde doordat hem bekend was geworden dat de politie bij Intersport een onderzoek was begonnen naar verkoop van sportschoenen op 16 april 2000 en hij begreep dat het onderzoek heel wel zou kunnen betreffen de door hem op 16 april 2000 aangekochte sportschoenen van het merk Nike Air Turbulence. In dit licht gezien kan evenmin worden uitgesloten dat de binnengekomen informatie, dus dat het verhaal (het vertellen door [getuige 3]) kort na de aanhouding van [verdachte vdM] (de aanhouding van [verdachte vdM] in de Tortuurzaak op 19 juli 2000) de ronde deed, moet worden verstaan in die zin dat [getuige 3] bij dat vertellen ook heeft gezegd dat hij dat ook al kort na de aanhouding van [verdachte vdM] heeft verteld en, meer nog, kan - mede gelet op laatstvermelde verklaring van [getuige 4] - zelfs niet worden uitgesloteten dat [getuige 3] nu hij zelf deel uitmaakte van wat in de CIE informatie wordt genoemd: de kring rond [verdachte vdM], de bron van die informatie is geweest.
6.10. Ook voormelde feiten of omstandigheden vormen geen grond om te oordelen dat de verklaringen van [getuige 3] en [getuige 4], die belastend zijn voor de verdachte en zijn door de rechtbank veroordeelde medeverdachte, een betrouwbare weergave vormen van hetgeen in de werkelijkheid is geschied. Daar komt met betrekking tot [getuige 4] bij dat het oordeel over de betrouwbaarheid van zijn in het verleden afgelegde, schriftelijk en op videoband geregistreerde verklaringen in zeer aanzienlijke mate wordt bemoeilijkt doordat het in hoger beroep voor het hof, het openbaar ministerie en de verdediging onmogelijk is geweest hem over en naar aanleiding van deze verklaringen nader te ondervragen.
6.11. Gelet op al het voorgaande, zulks gezien tegen de achtergrond van al het verhandelde ter terechtzitting, kan het hof niet uitsluiten dat hetgeen [getuige 4] en [getuige 3] hebben verklaard, niet overeenkomstig de waarheid is danwel niet geheel overeenkomstig de waarheid is dan wel dat de door hen verklaarde gang van zaken een ander persoon of andere personen heeft betroffen dan de verdachte en/of zijn door de rechtbank veroordeelde medeverdachte.
6.12. In dit verband betreurt het hof het in het bijzonder dat met betrekking tot de in de woning van Gasterij 't Woud aangetroffen geursporen, met name die van de daar in de gang aangetroffen zaklamp, geen nader opsporingsonderzoek (meer) is kunnen worden gedaan. Het had immers tot de mogelijkheden behoord dat een vakkundig en nog tijdig uitgevoerd technisch onderzoek forensische aanwijzingen met betrekking tot de mogelijke verantwoordelijken voor de dood van [slachtoffer 1] zou hebben opgeleverd, waaraan verklaringen van in het onderzoek gehoorde personen hadden kunnen worden getoetst.
7. Slotsom
Nu het hof niet buiten redelijke twijfel kan stellen dat de verdachte de Wijkerzaak zoals aan hem is ten laste gelegd, heeft begaan, dient hij van de gehele tenlastelegging onder parketnummer 010028-01 te worden vrijgesproken.
Gelet op deze beslissing behoeft het verweer van de verdediging dat de door [getuige 4] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring niet tot het bewijs mag worden gebezigd op de grond dat de verdediging - kort gezegd - in redelijkheid niet bij dat verhoor aanwezig heeft kunnen zijn om hem vragen te stellen, geen bespreking.
B.
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte hetgeen hem onder parketnummer 14/010245-00 onder 1, 2, 3 primair, 5, 6 en 8 en onder parketnummer 14/015087-01 onder 2 heeft begaan, met dien verstande dat hij
ten aanzien van parketnummer 14/010245-00
onder 1
op 11 maart 1999 in Heemskerk tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer f 367.346,35, toebehorende aan de Rabobank Heemskerk, waarbij verdachte en/of één of meer van zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft door middel van braak en welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen een medewerker van die Rabobank, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat
verdachte of één van zijn mededaders een op een vuurwapen gelijkend voorwerp zichtbaar bij zich heeft gehad, en verdachte of die mededader die medewerker heeft toegevoegd: "Ga op de grond liggen" en "Maak alle kluizen open" en "Maak open";
onder 2
op 11 mei 2000 in de gemeente Heiloo tussen ongeveer 01.00 en 06.00 uur in een woning aan de Bakkersweg, alwaar verdachte zich buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevond, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen autosleutels en sleutels van een garage en een tas (inhoudende identiteitskaart en rijbewijs en bankpasjes en enig geldbedrag), toebehorende aan [slachtoffer 2], in elk geval aan een ander of aan anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
onder 3 primair
op 11 mei 2000 in de gemeente Heiloo met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een garage van een pand aan de Bakkersweg heeft weggenomen een auto, merk Audi, type Cabrio, toebehorende aan [slachtoffer 2], waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;
onder 5
op 21 augustus 2000 in Castricum in een woning aan het Raadhuisplein munitie van categorie III, te weten een patroon, kaliber 9 mm, voorhanden heeft gehad;
onder 6
op 21 augustus 2000 in de gemeente Castricum een busje traangas, merk Trilliarde, type Eurogas, zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen met een verstikkende en/of weerloosmakende en/of traanverwekkende stof van de categorie II, onder 6, voorhanden heeft gehad;
onder 8
op 18 september 1999 in de gemeente Castricum als bestuurder van een motorrijtuig, betrokken bij een verkeersongeval op de kruising van de Soomerwegh met de Geesterduinweg, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij redelijkerwijs moest vermoeden aan een ander (te weten [slachtoffer 3]) schade was toegebracht;
ten aanzien van parketnummer 14/015087-01
onder 2
op 15 en/of 16 juli 2000 te Noordwijk tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een pand aan de Nieuwe Zeeweg (zwembad) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer f 5565,- en 5 cadeaubonnen, toebehorende aan N.V. Sportfondsenbad Noordwijk, waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak.
Hetgeen onder parketnummer 14/010245-00 onder 1, 2, 3 primair, 5, 6 en 8 en onder parketnummer 14/015087-01 onder 2 meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.
Nadere bewijsoverwegingen
Met betrekking tot het onder 1 van parketnummer 010245-00 bewezen verklaarde - kort gezegd: medeplegen roofoverval Rabobank te Heemskerk - overweegt het hof nog als volgt nader.
Het hof heeft onder de bewijsmiddelen vermelde verklaringen van [getuige 6] en [getuige 7] met de vereiste behoedzaamheid beoordeeld en betrouwbaar geoordeeld en mitsdien tot bewijs van het tenlastegelegde gebezigd.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is het hof van oordeel dat hetgeen [getuige 6] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep ter zake heeft verklaard, geen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de tot bewijs gebezigde, door [getuige 6] aan de politie en/of de rechter-commissaris afgelegde verklaringen.
De omstandigheid dat [getuige 7] toen hij als getuige ter terechtzitting in hoger beroep is gehoord, heeft verklaard - kort gezegd - dat hij zich weinig tot niets meer kan herinneren, in het bijzonder ook niet over wat hij ter zake tegenover de politie en de rechter-commissaris heeft verklaard, doet aan het oordeel van het hof niet af, nu diens eerder afgelegde verklaringen steun hebben in onder andere de tot bewijs gebezigde verklaringen van [getuige 6].
Met betrekking tot het onder 2 en 3 van parketnummer 010245-00 bewezen verklaarde - kort gezegd: de zaak-Bakkersweg te Heiloo - overweegt het hof als volgt nader.
Uit de terzake relevante inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt het hof af dat verdachte zich op 11 mei 2000 schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak en de diefstal van een Audi met kenteken [kenteken 1]. Het hof heeft hierbij met name gelet de feiten of omstandigheden dat:
- aangever Hacker de onder de verdachte in beslag genomen Audi met kenteken [kenteken 2] herkent als de Audi die op 10 mei 2000 achter hem reed en waarvan de inzittenden opvallende belangstelling voor de Audi met kenteken [kenteken 1] van Hacker toonden;
- de diefstal van de Audi met kenteken [kenteken 1] van aangever Hacker plaats heeft gevonden op 11 mei 2000 tussen 01.00 uur en 06.00 uur, terwijl het observatieteam heeft waargenomen dat de verdachte nog dezelfde dag op 11 mei 2000 omstreeks 22.33 uur de wielen van zijn Audi met kenteken [kenteken 2] heeft verwisseld;
- de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 januari 2001 heeft verklaard dat hij op 11 mei 2000 de banden van zijn Audi met kenteken [kenteken 2] heeft verwisseld;
- aangever Hacker heeft verklaard dat de banden en velgen op de onder de verdachte in beslag genomen Audi met kenteken [kenteken 2] dezelfde zijn als de banden en velgen van zijn ontvreemde Audi met kenteken [kenteken 1];
- de verdachte niet aannemelijk heeft gemaakt en heeft willen maken dat hij de banden van het merk Kumho 225/45 ZR 16 en de velgen van het merk ABT op een andere wijze heeft verkregen dan door middel van de hem tenlastegelegde diefstal van de Audi [kenteken 1];
een en ander bezien in samenhang met hetgeen ter zake door Bleekemolen is verklaard, welke verklaring het hof betrouwbaar heeft geoordeeld en mitsdien tot bewijs heeft gebezigd, ter zake door Bleekemolen afgelegde verklaringen, alsmede gelet op het vermelde geschrift (inhoudende gegevens afgeluisterde telefoongesprekken).
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezengeachte uitsluit, zodat dit strafbaar is.
Het bewezenverklaarde levert op:
ten aanzien van parketnummer 14/010245-00
onder 1
diefstal voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
onder 2
diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten en tegen de wil van de rechthebbende bevindt, en waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;
onder 3 primair
diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;
onder 5
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
onder 6
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
onder 8
overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994;
ten aanzien van parketnummer 14/015087-01
onder 2
diefstal door twee of meer verenigde personen en waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die strafbaarheid van de verdachte uitsluit, zodat de verdachte strafbaar is.
Oplegging van straf en maatregel
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
(Rabobank)
Verdachte heeft samen met anderen op 11 maart 1999 een gewapende roofoverval begaan op de Rabobank te Heemskerk. De toegang tot de bank is verkregen door braak en een medewerker van de bank is bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. De buit van deze bankoverval was aanzienlijk..
De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke overvallen veelal een langdurige en ernstige psychische nasleep van het gebeurde ondervinden en dat zulke misdrijven in de samenleving grote onrust teweeg brengen.
(inbraak woning Bakkersweg en diefstal Audi)
Verdachte heeft voorts een woninginbraak gepleegd tijdens - kort gezegd - de nachtelijke uren, hetgeen strafverzwarend is. Aansluitend op die woninginbraak heeft verdachte met behulp van de uit de woning ontvreemde sleutels uit de garage van die woning een Audi weggenomen.
Door woninginbraak wordt niet alleen materiële schade toegebracht aan de benadeelde, maar wordt ook en vooral een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de bewoners, wat bij hen - naar de ervaring leert - gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt.
Het hof acht deze woninginbraak en diefstal van de Audi bijzonder ergerlijk, nu zij - naar het hof aannemelijk acht - zijn gepleegd met namen omdat de verdachte de velgen van die Audi wilde hebben voor zijn eigen Audi.
(Sportfondsenbad Noordwijk)
Verdachte heeft voorts met een ander een bedrijfsinbraak gepleegd om daar de kluis leeg te roven.
Bedrijfsinbraken zijn zeer ergerlijke feiten, die naast schade vaak veel hinder veroorzaken voor de gedupeerde bedrijven.
(doorrijden na verkeersongeval)
Ook heeft verdachte, als bestuurder van een motorrijtuig betrokken bij een aanrijding met een ander motorrijtuig, de plaats van het verkeersongeval verlaten. Verdachte is na het ongeval zonder zijn identiteit bekend te hebben gemaakt met hoge snelheid weggereden. Aldus heeft hij zich onttrokken aan de verantwoordelijkheid die van een deelnemer aan het verkeer wordt vereist.
(voorhanden hebben patroon en traangas)
Verdachte heeft tenslotte een patroon en een busje traangas voorhanden gehad. Het voorhanden hebben van wapens en munitie kan een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich brengen.
Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Algemeen Documentatieregister van de Justitiële Documentatiedienst van 10 juni 2002 is verdachte eerder veroordeeld terzake van vermogensdelicten, waaronder tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en een werkstraf.
Al het voorgaande overwegende acht het hof acht oplegging van een gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.
De inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een 9 mm patroon en een busje traangas TRIALLIARDE eurogas, dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor ook vatbaar aangezien het onder (parketnummer 14/010245-00) 5 en 6 bewezenverklaarde met betrekking tot deze voorwerpen zijn begaan, terwijl de voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.
Vordering tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling
De officier van justitie in het arrondissement Alkmaar heeft de tenuitvoerlegging gevorderd van de bij onherroepelijk geworden vonnis van de rechtbank te Haarlem van 5 juli 1999 in de zaak met parketnummer 15/030389-99 aan de verdachte met een proeftijd van twee jaren voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 8 maanden. Vanwege het openbaar ministerie is aanstonds na de uitspraak aan de verdachte een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering per post toegezonden. De proeftijd is ingegaan op de 15e dag na het vonnis, te weten 20 juli 1999. De proeftijd heeft niet gelopen gedurende de tijd dat de verdachte rechtens zijn vrijheid was ontnomen.
De hiervoor onder parketnummer 14/010245-00 onder 2, 3 primair, 5, 6, en 8 en onder parketnummer 14/015087-01 onder 2 bewezen verklaarde feiten zijn begaan in de proeftijd. De verdachte heeft zich mitsdien in de voormelde proeftijd schuldig gemaakt aan het plegen van diverse misdrijven.
Gelet hierop kan niet worden gezegd dat het geven van een last tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf van acht maanden strijdig is met het beginsel van proportionaliteit.
Het hof zal derhalve, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis, gelasten.
Vordering benadeelde partijen en oplegging schadevergoedingsmaatregel
(Rabobank Heemskerk)
De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, Rabobank Heemskerk, Burgemeester Nielenplein 6, 1961 NV Heemskerk, heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade ad fl. 369.155,96 als gevolg van het aan verdachte onder parketnummer 14/010245-00 tenlastegelegde feit 1.
De benadeelde partij, Rabobank Heemskerk, heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 167.515,67 zoals in eerste aanleg is toegewezen.
De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij niet schuldig is aan dat hem tenlastegelegde feit.
Het hof is van oordeel dat het hierna te noemen gedeelte van de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 14/0150400-00 feit 1 bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het bedrag van de geleden schade € 166.694,05 is. Daarnaast heeft de benadeelde partij een bedrag van € 821,62 gevorderd betreffende de kosten van de reparatie van het dak.
De vordering van de benadeelde partij Rabobank Heemskerk, zal tot een bedrag van € 166.694,05 worden toegewezen.
Het hof is van oordeel dat het overige gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, betreffende de reparatiekosten, niet van zo eenvoudige aard is, dat dit zich leent voor behandeling in deze strafzaak. Dit kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Het hof zal de benadeelde partij in zoverre daarin dan ook niet ontvankelijk verklaren.
(Sportfondsenbad Noordwijk)
De benadeelde partij als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering, N.V. Sportfondsenbad Noordwijk, Nieuwe Zeeweg 84, 2201 TM Noordwijk, heeft zich overeenkomstig artikel 51b van dat Wetboek in het onderhavige strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van door haar geleden schade als gevolg van het aan verdachte onder parketnummer 14/015087-01 tenlastegelegde feit 2.
De benadeelde partij, N.V. Sportfondsenbad Noordwijk, heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van € 963,40 zoals in eerste aanleg is toegewezen.
De verdachte heeft deze vordering betwist, door te stellen dat hij niet schuldig is aan dit hem tenlastegelegde feit.
Het hof is van oordeel dat de vordering van de benadeelde partij van zo eenvoudige aard is, dat deze zich leent voor behandeling in deze strafzaak.
Vast is komen te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder parketnummer 14/015087-01 feit 2 bewezen geachte strafbare feit rechtstreeks schade heeft geleden.
De vordering van de benadeelde partij N.V. Sportfondsenbad Noordwijk zal dan ook tot een bedrag van € 963,40 worden toegewezen.
Het hof acht termen aanwezig om, als waarborg voor betaling van de vordering van de benadeelde partij N.V. Sportfondsenbad Noordwijk, de verdachte die naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht, de verplichting op te leggen tot betaling van € 963,40 aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, met dien verstande dat de duur van de vervangende hechtenis zal worden verminderd naar de mate van het onderlinge regres van de hoofdelijk aansprakelijke daders.
De raadsman heeft aangevoerd dat bij toewijzing van de vordering(en) benadeelde partij(en) de schadevergoedingsmaatregel daarbij niet behoort te worden opgelegd, daar die oplegging in verband met de door het hof te nemen ontnemingsbeslissing tot een onaanvaardbare cumulatie van vervangende hechtenis zal leiden.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof acht geen termen aanwezig met betrekking tot de toegewezen vordering van de benadeelde partij Rabobank de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Het hof hierbij in aanmerking genomen de hoogte van het bedrag van de toegewezen schadevergoeding en de omstandigheid dat de benadeelde partij in staat kan en mag worden geacht de toewijzing van die schadevergoeding langs civielrechtelijke weg te doen effectueren.
Zoals vermeld, acht het hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij Sportfondsenbad Noordwijk wel termen aanwezig om de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen. Het hof heeft hierbij gelet op het bedrag van de toegewezen schadevergoeding.
De verdachte kan in staat worden geacht dit bedrag binnen redelijke termijn te kunnen voldoen.
Niet gezegd kan worden dat oplegging van vervangende hechtenis bij deze schadevergoedingsmaatregel tot een onaanvaardbare cumulatie zal leiden met de vervangende hechtenis, op te leggen bij een ontnemingsbeslissing, nu de verdachte het zelf in de hand heeft of een vervangende hechtenis ter zake zal (moeten) worden ten uitvoer gelegd.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7 en 176 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 26 en 55 Wet wapens en munitie.
Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voor zover aan zijn oordeel onderworpen - en doet opnieuw recht.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 14/010027-01 primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair en onder parketnummer 14/015087-01 onder 1 tenlastegelegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 14/010245-00 onder 1, 2, 3 primair, 5, 6 en 8 en onder parketnummer 14/015087-01 onder 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hierboven in de rubriek bewijs omschreven.
Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder parketnummer 14/010245-00 onder 1, 2, 3 primair, 5, 6 en 8 en onder parketnummer 14/015087-01 onder 2 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en ook de verdachte daarvoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (VIER) JAREN EN 6 (ZES) MAANDEN.
Beveelt dat de tijd, die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in deze zaak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Onttrekt aan het verkeer de volgende voorwerpen:
één 9 mm patroon en één busje traangas TRIALLIARDE eurogas.
Gelast de teruggave aan de rechthebbende [slachtoffer 2] van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: vier velgen en vier banden Kumho ecsta supra.
Gelast de tenuitvoerlegging van de straf voorzover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de rechtbank te Haarlem van 5 april 1999 met parketnummer 15/030389-99, te weten: 8 (acht) maanden gevangenisstraf.
Wijst de vordering van de benadeelde partij Rabobank Heemskerk gedeeltelijk toe en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededader(s), hoofdelijk voor het gehele bedrage aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan Rabobank Heemskerk (gevestigd te 1961 NV Heemskerk, Burgemeester Nielenplein 6, [bankrekening]) een bedrag van € 166.694,05 (honderdzesenzestigduizend zeshonderdenvierennegentig euro en vijf eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Verklaart de benadeelde partij Rabobank Heemskerk voor het overige niet ontvankelijk in zijn vordering, en bepaalt dat deze benadeelde partij dit deel van haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Wijst toe de vordering van de benadeelde partij N.V. Sportfondsenbad Noordwijk en veroordeelt de verdachte (die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrage aansprakelijk is) om tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan N.V.. Sportfondsenbad Noordwijk (gevestigd te 2201 TM Noordwijk, Nieuwe Zeeweg 65, [bankrekening]) een bedrag van € 963,40 (negenhonderddrieenzestig euro en veertig eurocent), vermeerderd met de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.
Legt de verdachte voorts op de verplichting tot betaling aan de staat van een som gelds, groot
€ 963,40 (negenhonderddrieënzestig euro en veertig eurocent), zulks ten behoeve van n.v. Sportfondsenbad Noordwijk voornoemd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 19 (negentien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor vermelde verplichting niet opheft.
Bepaalt dat indien (en voorzover) verdachte en/of een ander heeft voldaan aan één van evenvermelde betalingsverplichtingen, de andere daarmee (in zoverre) komt te vervallen.
Dit arrest is gewezen door de eerste meervoudige strafkamer van het gerechtshof te Amsterdam, waarin zitting hadden mrs. Krikke, Rodenburg en Swart, in tegenwoordigheid van mr. Tomassen, griffiers en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 25 juli 2003.
Mr. Rodenburg is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

