Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO2525

Datum uitspraak2004-01-28
Datum gepubliceerd2004-01-28
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureRaadkamer
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1371-03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het hof verklaart een verzoek, dat is ingediend op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering en dat strekt tot vergoeding van kosten voor bijstand, c.q. vertegenwoordiging door een advocaat in een procedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk, op grond dat voor toekenning van de in het verzoekschrift bedoelde vergoeding geen wettelijke grondslag aanwezig is.


Uitspraak

registratienummer 1371-03 datum uitspraak 28 januari 2004 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE raadkamer BESCHIKKING gegeven naar aanleiding van een op 30 juni 2003 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift, op grond van artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering ingediend namens: [naam verzoeker], gevestigd te [adres]. Procesgang Het hof heeft op 12 maart 2003 in raadkamer een klaagschrift ex artikel 12 Wetboek van Strafvordering behandeld, inhoudende de klacht van de heer [naam klager] tegen de beslissing van de hoofdofficier van justitie te Rotterdam van 29 november 2000 om naar aanleiding van de aangifte van smaad door klager tegen verzoeker geen strafrechtelijk onderzoek tegen verzoeker in te stellen. In raadkamer is toen gehoord namens verzoeker -destijds beklaagde- de gemachtigde, mr. [naam raadsman]. Bij beschikking van 22 april 2003 heeft het hof het beklag ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering afgewezen. Verzoeker heeft vervolgens bij een op 30 juni 2003 ter griffie van dit hof ingekomen verzoekschrift op grond van het bepaalde in artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering vergoeding gevraagd tot een bedrag van in totaal € 10.166,24 terzake van kosten voor rechtsbijstand in de artikel 12 Sv-procedure. Het hof heeft dit verzoekschrift op 24 december 2003 behandeld ter openbare terechtzitting in raadkamer. In raadkamer zijn gehoord de raadsman van verzoeker [naam raadsman], advocaat te Rijswijk, en de advocaat-generaal mr. Geradts. Het verzoek Het verzoek heeft uitsluitend betrekking op vergoeding van de kosten van juridische bijstand verleend aan verzoeker als beklaagde in een beklagprocedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), welke kosten verzoeker heeft gemaakt omdat hij gebruik heeft gemaakt van de hem in artikel 12f van het Wetboek van Straf-vordering toegekende bevoegdheid om bij de behandeling van het beklag zich in raadkamer te doen bijstaan, c.q. vertegenwoordigen door een advocaat. Het verzoek gaat kennelijk uit van de veronderstelling dat vergoeding van die kosten kan worden gebaseerd op artikel 591a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering. Bevoegdheid van het hof Het hof heeft in de eerste plaats -ambtshalve- bezien of het bevoegd is van het onderhavige verzoek kennis te nemen. Daartoe heeft het hof overwogen dat -daargelaten de competentie van de Hoge Raad met betrekking tot beklagzaken ter zake van strafbare feiten, waarvan de Hoge Raad in eerste aanleg kennis neemt zoals voorzien in artikel 13a van het Wetboek van Strafvordering- artikel 12, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan de gerechtshoven exclusieve bevoegdheid toekent ter zake van beklagzaken over beslissingen ter zake van het niet vervolgen, c.q. niet verder vervolgen van een strafbaar feit, genomen binnen hun rechtsgebied. De beklag-procedure, waaruit het thans voorliggende verzoek is voortgevloeid, had betrekking op een sepotbeslissing genomen binnen het rechtsgebied van dit hof. Het hof is van oordeel dat evengenoemde exclusieve bevoegdheids-regeling mede betrekking heeft op het onderhavige verzoek, nu dit onlosmakelijk verbonden is met, en voortvloeit uit laatstbedoelde beklagprocedure. Het hof acht zich mitsdien bevoegd van het verzoek kennis te nemen. Beoordeling van het verzoek Het beklag over het niet vervolgen van strafbare feiten is uitputtend geregeld in de vierde afdeling van het Wetboek van Strafvordering, omvattende de artikelen 12 tot en met 13a. Indien de wetgever de mogelijkheid had willen openen van vergoeding door de overheid van de kosten van bijstand of vertegenwoordiging door een advocaat aan een partij in een beklagprocedure, had het voor de hand gelegen dat hij een daarop betrekking hebbende vergoedingsregeling een plaats zou hebben gegeven in die vierde afdeling, in één van de artikelen 12 tot en met 13a. Een zodanige regeling ontbreekt echter. De verklaring daarvoor is te vinden in een essentieel verschil tussen de beklagprocedure ex art 12 van het Wetboek van Strafvordering en een strafzaak. In een strafzaak wordt de verdachte in een strafprocedure betrokken door toedoen van de overheid, te weten het openbaar ministerie. Indien een strafzaak eindigt in een vrijspraak en derhalve kan worden gesteld dat de verdachte achteraf bezien door die overheid ten onrechte is vervolgd, bestaan er in beginsel gronden voor een regeling om de kosten die de gewezen verdachte redelijkerwijs heeft moeten maken voor zijn verdediging ten laste te brengen van de staat. In een beklagprocedure ex artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering daarentegen gaat het initiatief waardoor de beklaagde in die procedure wordt betrokken niet uit van het openbaar ministerie of -uitzonderingen daar-gelaten- van enig ander overheidsorgaan, doch van een rechtstreeks belanghebbende bij diens eventuele vervolging (in het algemeen het veronderstelde slacht-offer van een strafbaar feit, dat door de beklaagde zou zijn gepleegd). Indien uit de uitkomst van de beklagprocedure kan worden afgeleid dat de beklaagde door de klager achteraf bezien ten onrechte in die procedure is betrokken, ontbreekt echter de ratio om eventuele door hem gemaakte kosten -onder meer die van juridische bijstand- ten laste te brengen van de staat. In het verleden is in de -overigens schaarse- jurisprudentie, ook van dit hof, de mogelijkheid van vergoeding van de kosten van een advocaat aan de gewezen beklaagde in een artikel 12 Sv-procedure erkend door rechtstreekse toepassing van de artikelen 591 en 591a van het Wetboek van Strafvordering, hetzij langs de weg van een extensieve interpretatie van het begrip "zaak", hetzij door een extensieve interpretatie van het begrip "gewezen verdachte". Het hof is evenwel bij nadere beschouwing van oordeel dat artikel 591a van het Wetboek van Strafvordering niet kan dienen als wettelijke grondslag voor de vergoeding van kosten gemaakt in een artikel 12 Sv-procedure. Naast hetgeen hiervoor is gesteld inzake het ontbreken van een ratio voor een vergoeding van kosten van de gewezen beklaagde door de overheid overweegt het hof ter nadere motivering van zijn oordeel terzake nog het volgende: - er zijn naar het oordeel van het hof onvoldoende gronden om het begrip "gewezen verdachte" in de artikelen 591 en 591a extensief te interpreteren, in die zin dar daaronder mede kan worden begrepen de gewezen beklaagde. De omstandigheid dat artikel 12g aan de persoon wiens vervolging wordt verlangd een zwijgrecht toekent en dat hij daarop, voordat hij wordt gehoord, moet worden gewezen, doet niet af aan de omstandigheid dat hij tijdens de beklagprocedure niet optreedt als verdachte, maar in een eigen specifieke hoedanigheid, te weten als partij in een procedure sui generis die sterk administratiefrechtelijke trekken vertoont. Als uit een oogpunt van redelijkheid en billijkheid onwenselijk gevolg van extensieve interpretatie van het begrip gewezen verdachte in vorenbedoelde zin ziet het hof voorts dat aldus een ongelijke behandeling wordt gecreëerd tussen de partijen in een beklagprocedure. Immers de gewezen beklaagde zou dan onder omstandigheden zijn kosten voor juridische bijstand door de staat vergoed kunnen krijgen, terwijl dat niet geldt voor de klager, ook niet als die daadwerkelijk het slachtoffer is geweest van een door de beklaagde gepleegd strafbaar feit, waarop zijn beklag betrekking had; - evenzeer verzet het karakter van de artikel 12 Sv-procedure zich ertegen die procedure te brengen onder het in de artikelen 591 en 591a Sv genoemde begrip "zaak". Dit begrip "zaak" ziet naar het oordeel van het hof op een strafprocedure. Een artikel 12 Sv-procedure kan -indien het beklag gegrond wordt geoordeeld- mogelijk leiden tot een strafprocedure, doch vormt geen onderdeel daarvan, noch ook kan zij daarmee op één lijn worden gesteld; - ook uit de omstandigheid dat de wetgever in artikel 591, vijfde lid, Wetboek van Strafvordering de regeling van vergoeding van proceskosten voorzien in de artikelen 591 en 591a van overeenkomstige toepassing heeft verklaard op een aantal bijzondere procedures, waaronder de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b Wetboek van Strafvordering, maar in die als limitatief op te vatten opsomming de artikel 12 Sv-procedure niet heeft vermeld, valt naar het oordeel van het hof af te leiden dat de wetgever van een regeling van kostenvergoeding door de overheid bij deze laatste procedure niet heeft willen weten. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat voor toekenning van de in het verzoekschrift bedoelde vergoeding voor bijstand, c.q. vertegenwoordiging door een advocaat geen wettelijke grondslag aanwezig is en dat verzoeker dientengevolge niet in zijn verzoek kan worden ontvangen. Derhalve dient te worden beslist als hierna zal worden aangegeven. Beslissing Het hof: Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. De Vries, vice-president tevens voorzitter, mrs. De Boer en Herstel, raadsheren, in bijzijn van mr. Mulder, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2004.