Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO4940

Datum uitspraak2004-03-03
Datum gepubliceerd2004-03-04
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Maastricht
Zaaknummers78344 / HA ZA 02-909
Statusgepubliceerd


Indicatie

Freelance-sportfotograaf heeft sedert 1965 voor De Limburger gefotografeerd. Hij heeft in al die jaren vele duizenden foto's gemaakt en aan De Limburger voor publicatie ter beschikking gesteld. Wie is de eigenaar van de foto's: de fotograaf of De Limburger?


Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT Sector Civiel Vonnis : 3 maart 2004 Zaaknummer : 78344 / HA ZA 02-909 De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van: [Naam eiser], wonende te [woonplaats], eiser, procureur mr. F.G.F.M. Tripels; tegen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid UITGEVERSMAATSCHAPPIJ DE LIMBURGER B.V., gevestigd te Maastricht, gedaagde, procureur mr. J.L.J.E. Koster. 1. Het verloop van de procedure Eiser, [S.], heeft gedaagde, hierna: "De Limburger", gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. De Limburger heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord. Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Bij akte zijn door [Eiser] stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Omdat het de rechtbank met het oog op artikel 19 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en gelet op een goede instructie van de zaak noodzakelijk voorkwam, heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld nader te concluderen. Vervolgens heeft De Limburger een conclusie na comparitie genomen, zulks onder overlegging van producties, en heeft ook [Eiser] geconcludeerd na comparitie, waarbij producties in het geding zijn gebracht. [Eiser] heeft bij akte van depot voorts nog stukken ter griffie gedeponeerd en De Limburger heeft nog een akte "houdende overlegging stukken" genomen. Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden. 2. Het geschil 2.1 [Eiser] heeft in de periode van 1965 tot 1997/1998 als freelancefotograaf - volgens De Limburger: in haar opdracht; volgens [Eiser]: deels in opdracht, deels op eigen initiatief - (sport-) evenementen bezocht en daarbij foto's gemaakt van bij die evenementen betrokken (sport-) persoonlijkheden. Deze foto's werden vervolgens door [Eiser] voor publicatie aan De Limburger aangeboden. Op de fotoredactie van De Limburger werd dan bepaald welke foto's voor plaatsing in de krant in aanmerking kwamen. [Eiser] behield zelf de negatieven. 2.2 [Eiser] is van oordeel dat op de gemaakte foto's te zijnen gunste auteursrecht rust; De Limburger bestrijdt het bestaan van auteursrecht (omdat het de foto's ontbreekt aan een "eigen oorspronkelijk karakter" en zij niet "het persoonlijk stempel van de maker (…) dragen"). 2.3 Voor iedere geplaatste foto ontving [Eiser] van De Limburger een vergoeding. De foto (het positief) werd na de plaatsing in het fotoarchief van De Limburger opgenomen (volgens [Eiser] werden ook de aangeboden maar niet geplaatste foto's standaard in het archief van De Limburger opgenomen; volgens De Limburger werden de niet geplaatste foto's in de regel weggegooid en was opname in het archief uitzondering). De reden voor de archivering van de foto's was dat ze op ieder door De Limburger gewenst moment herplaatst (of, voor zover het nog niet eerder geplaatste foto's betrof: geplaatst) konden worden, waarvoor [Eiser] dan weer een vergoeding ontving. 2.4 In mei 1988 heeft [Eiser] De Limburger gevraagd om teruggave van de door hem gemaakte foto's die zich in het archief van De Limburger bevonden. Een aantal van 2.800 foto's is toen aan [Eiser] teruggegeven. Ook in september 2001 heeft [Eiser] om teruggave van foto's gevraagd. In de periode oktober 2001 tot maart 2002 heeft [Eiser] in dit verband met goedvinden van De Limburger een aantal bezoeken aan het archief van De Limburger gebracht. Bij die gelegenheden heeft [Eiser] 4.948 door hem gemaakte foto's gevonden en meegenomen. Wellicht een enkele daargelaten, bevat het archief van De Limburger nu geen foto's meer van [Eiser]. 2.5 [Eiser] stelt zich thans op het standpunt, uitgaande van een gemiddeld aantal van 880 ge- en herplaatste foto's per jaar vanaf 1965 en rekening houdend met de aangeleverde maar niet geplaatste foto's, dat zich circa 65.000 van hem afkomstige foto's in het archief van De Limburger hadden moeten bevinden. Uit het feit dat dit aantal bij lange na niet aanwezig was, leidt [Eiser] af dat vele van zijn foto's uit het archief van De Limburger zijn verdwenen (doordat De Limburger de foto's heeft weggegooid, vernietigd, door opschoning van het archief, of om welke reden dan ook). Hij stelt eigenaar van die foto's te zijn en meent dat De Limburger aldus inbreuk heeft gemaakt op zijn eigendomsrecht en haar bewaarplicht heeft verzaakt. Met name is hem, zo stelt [Eiser], de mogelijkheid ontnomen de foto's te "vercommercialiseren". De schade wordt door hem begroot op "minimaal" € 9.840.925,28 en in deze procedure vordert hij daarop een voorschot van € 600.000,-. 2.6 De onder [Eiser] berustende negatieven zijn door waterschade en een brand verloren gegaan. 2.7 Tegen deze achtergrond heeft [Eiser] gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat: 1. te verklaren voor recht dat De Limburger onrechtmatig heeft gehandeld door aan haar ter beschikking gestelde en aan [Eiser] in eigendom toebehorende foto's te (doen) vernietigen en/of kwijt te (laten) raken, althans door deze foto's desgevorderd niet aan [Eiser] te retourneren; 2. De Limburger te veroordelen aan [Eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen een voorschot op door [Eiser] geleden schade ten belope van € 600.000,- (zegge: zeshonderdduizend euro), althans een zodanig voorschot dat de rechtbank in goede justitie ex aequo et bono vermeent te behoren, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2002 tot de dag der algehele voldoening; 3. De Limburger te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiser] te betalen de door [Eiser] geleden schade nader op te maken bij staat en de te vereffenen volgens de wet, met inachtname van het door de rechtbank betreffende petitum sub 2 te wijzen vonnis en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 9 juli 2002 tot de dag der algehele voldoening en met veroordeling van De Limburger in de kosten van deze procedure, waaronder begrepen het salaris van de procureur van [Eiser]. 2.8 De vordering wordt door De Limburger gemotiveerd weersproken. 3. De beoordeling 3.1 Partijen zijn het er in deze zaak over eens dat de tussen hen bestaan hebbende overeenkomst inhield dat [Eiser] foto's voor publicatie aan De Limburger ter beschikking stelde, en het vervolgens aan De Limburger was om te beslissen of en, zo ja, welke foto's in de krant kwamen; besloot De Limburger tot plaatsing, dan ontving [Eiser] daarvoor een vergoeding. Waar het thans, naar de kern genomen, om gaat is de vraag: maakte van die overeenkomst ook onderdeel uit dat De Limburger, bij wie dus het prerogatief lag om te beslissen over publicatie, een bewaar- en teruggaveplicht had met betrekking tot alle bij haar ingeleverde foto's? 3.2 De Limburger beantwoordt die vraag reeds hierom ontkennend, omdat in haar visie de eigendom van de door [Eiser] bij haar ingeleverde foto's (afdrukken) ten titel van koop op haar is overgegaan. Deze stelling snijdt echter geen hout. Uit de door partijen overgelegde producties (facturen e.d.) blijkt niet dat er door De Limburger koopsommen voor de afdrukken zijn betaald. De Limburger lijkt louter te hebben betaald om te mogen publiceren. De omstandigheid dat, zoals aan de stukken kan worden ontleend, alleen is betaald voor de foto's die werden geplaatst, onderstreept dit. 3.3 Moet een bewaar- en teruggaveplicht (dus) aangenomen worden? Nog daargelaten waar dat in extremis toe leidt - onbestreden is gesteld dat "dagelijks zeer grote aantallen foto's werden aangeleverd" - bevestigende beantwoording van deze vraag ligt, bij de tot op heden vaststaande feiten (waarop de rechtbank onder 3.5 terugkomt), niet in de rede. Daartoe is vooreerst van belang vast te stellen dat de rechtbank het debat van partijen aldus verstaat, dat zij, afgezien van de periode in de aanloop naar deze procedure, over een bewaar- en teruggaveverplichting nooit met elkaar hebben gesproken. Verder is relevant dat [Eiser] zelf de negatieven van de afdrukken behield die bij De Limburger werden ingeleverd. Zo kon [Eiser] (vanuit de optiek van De Limburger) op ieder gewenst moment zoveel foto's afdrukken als hem goeddunkte. Bij die stand van zaken valt niet in te zien, anders dan [Eiser] lijkt te verdedigen, dat (De Limburger ervan moest uitgaan dat) het met de afgegeven afdrukken ging om zaken met voor [Eiser] enige relevante handelswaarde. Dat pleit niet voor het aannemen van een stilzwijgende bewaar- en teruggaveverbintenis in de rechtsverhouding tussen De Limburger en [Eiser] met betrekking tot die afdrukken, te minder nu [Eiser] kennelijk 23 jaar lang (van 1965 tot 1988) niet naar de afdrukken heeft getaald. Overigens was daar ook geen reden voor, want hij beschikte over de negatieven. Uiteraard is deze situatie veranderd nadat die negatieven verloren zijn gegaan; toen kreeg [Eiser] ineens belang bij terugverkrijging van de aan De Limburger ter beschikking gestelde afdrukken. Het verloren gaan van de negatieven is echter een omstandigheid die voor rekening van [Eiser] komt en niet ten nadele van De Limburger behoort te werken. 3.4 Al de tot nu toe genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang beschouwd, ligt, naar het oordeel van de rechtbank, de door [Eiser] gepropageerde uitleg van de overeenkomst zo weinig voor de hand, dat, gemeten naar de maatstaven zoals door de Hoge Raad ontwikkeld in het bekende Haviltexarrest (13 maart 1981, NJ 1981, 635), de rechtbank die zienswijze niet kan overnemen. Dat leidt dwingend tot de slotsom dat er op basis van de tot dusver besproken feiten geen houderschapsrelatie met betrekking tot de afdrukken tussen partijen heeft bestaan. Dit weer brengt mee dat de eigendom van de betreffende afdrukken niet bij [Eiser] kán zijn gebleven. Bijgevolg gaat de rechtbank ervan uit, weer rekening houdend met de gereleveerde omstandigheden, dat De Limburger, zoals ook in haar stellingen besloten ligt, ervan heeft mogen uitgaan dat [Eiser] de eigendom met de overgifte van de afdrukken heeft willen prijsgeven, waarbij de rechtbank aansluiting zoekt bij het bepaalde in artikel 5: 18 BW. In zoverre moet het doek voor [Eiser] reeds vallen. 3.5 Mogelijk dient voor de periode van 1992 tot 1997/1998 gekozen te worden voor een andere invalshoek. [Eiser] heeft immers gesteld, naar de kern genomen, dat hij in 1992 de eigendomsvraag met betrekking tot de afdrukken bij De Limburger aan de orde heeft gesteld. Komt dat vast te staan - De Limburger heeft deze stelling betwist - dan kon, naar het oordeel van de rechtbank, De Limburger vanaf dat moment niet meer voetstoots aannemen dat [Eiser] de eigendom van de sedertdien ingeleverde afdrukken nog wenste prijs te geven en ontstaat vanaf dan, omdat artikel 5: 18 BW De Limburger geen soelaas meer biedt, (alsnog) een houderschapsrelatie nopens de meergenoemde afdrukken. Welnu, aan het stuk "tariefsaanpassing DL-foto per 1 augustus 1992" en het "Besluitenlijstje vergadering met de hoofdredactie d.d. 28 april 1993" (beide producties overgelegd door De Limburger bij akte van 9 juli 2003) kan het vermoeden worden ontleend dat de eigendomskwestie in 1992 inderdaad onderwerp van bespreking is geworden. Dat acht de rechtbank daarmee voorshands aannemelijk en leidt haar tot de conclusie dat het aan De Limburger is om haar andersluidende stelling te bewijzen. De rechtbank is voornemens De Limburger tot dat bewijs toe te laten. 3.6 Vooruitlopend op die bewijsopdracht acht de rechtbank het geraden in kaart te brengen om hoeveel vanaf 1992 (mogelijk) verdwenen afdrukken het gaat. Met het oog hierop zal de rechtbank partijen in de gelegenheid stellen zich bij akte uit te laten - [Eiser] het eerst - over de vraag hoeveel afdrukken [Eiser] vanaf 1992 - bij benadering - bij De Limburger heeft ingeleverd en hoeveel daarvan niet aan hem zijn teruggegeven. Tevens kunnen partijen zich dan uitlaten - weer [Eiser] eerst - over de hoogte van de kostprijs van de vanaf 1992 bij De Limburger ingeleverde maar niet aan [Eiser] teruggegeven afdrukken. De rechtbank gaat er immers van uit dat de eventueel aan [Eiser] te vergoeden schade niet hoger kan liggen dan de kostprijs (lees: afdrukkosten) van weggemaakte foto's. Eventuele hogere schade die [Eiser] denkt te lijden omdat hij de foto's niet meer kan "vercommercialiseren", komt niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank overweegt daartoe dat De Limburger er op grond van de hiervoor beschreven verhouding tussen partijen van uit mocht gaan dat de waarde van de afgegeven foto's niet meer was dan de afdrukkosten van die foto's. Gezien het gegeven dat [Eiser] de negatieven zelf behield, lag het immers in de rede dat [Eiser] extra afdrukken voor welk gebruik dan ook zelf zou maken en dat de aan De Limburger afgegeven foto's daar niet voor zouden hoeven te dienen. Nu niet is gesteld of gebleken dat De Limburger er rekening mee moest houden dat dat in het onderhavige geval anders zou zijn, oordeelt de rechtbank dat de mogelijke schade voortvloeiende uit het niet kunnen "vercommercialiseren" dan ook toegeschreven moet worden aan het verlies van de negatieven. Omdat dat verlies, zoals gezegd, voor rekening komt van [Eiser], dient ook de mogelijk daaruit voortvloeiende schade voor [Eiser] te blijven. Dit deel van de door [Eiser] gestelde schade staat immers in onvoldoende causaal verband met het door De Limburger niet voldoen aan haar verplichtingen. 3.7 In afwachting van de door partijen te nemen akten wordt iedere verdere beslissing aangehouden. 4. De beslissing De rechtbank: stelt partijen in de gelegenheid - [Eiser] eerst - zich bij akte uit te laten over: - de vraag hoeveel afdrukken [Eiser] vanaf 1992 - bij benadering - aan De Limburger ter beschikking heeft gesteld en hoeveel daarvan niet aan [Eiser] zijn teruggegeven; - de hoogte van de kostprijs (afdrukkosten) van de vanaf 1992 bij De Limburger in-geleverde maar niet aan [Eiser] teruggegeven afdrukken; verwijst de zaak voor akte aan de zijde van [Eiser] naar de rolzitting van 31 maart 2004; houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mrs. Hoekstra, vice-president, De Kerpel-Van de Poel en Bregonje, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. RQ