Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO4941

Datum uitspraak2003-12-02
Datum gepubliceerd2004-03-04
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersB573/03 en B574/03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het hof stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de gezondheidstoestand van de rechthebbende inmiddels van dien aard is dat er juridisch voldoende grond is voor het instellen van een vermogensbewind en het instellen van een mentorschap. Partijen verschillen alleen van mening wie van hen als bewindvoeder en/of mentor moet worden benoemd. Verweerders stellen dat verzoekster geen belanghebbende in de zin van artikel 798 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder Rv, is en op grond daarvan niet in haar verzoeken kan worden ontvangen.


Uitspraak

2 december 2003 Familiekamer Rekestnummer 573/2003 en 574/2003 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Beschikking in de zaak van: [verzoekster], wonende te [woonplaats], verzoekster, verder te noemen “verzoekster”, procureur mr J.M.J. Huver, tegen [verweerder sub 1], wonende te [woonplaats], en [verweerder sub 2], wonende te [woonplaats], verweerders, verder te noemen “verweerders”, procureur mr F.J. Boom. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank te Zwolle sector kanton locatie Zwolle van 7 juli 2003, in de zaak met rekestnummer 573/2003 uitgesproken onder zaaknummer 204819 BM VERZ 03-701 en in de zaak met rekestnummer 574/2003 uitgesproken onder zaaknummer 204840 MS VERZ 03-24. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschriften, ingekomen ter griffie van het hof op 29 juli 2003, is verzoekster in hoger beroep gekomen van voormelde beschikkingen. Zij verzoekt het hof in de zaak met rekestnummer 573/2003 die beschikking in zoverre te vernietigen dat zij, tot bewindvoerder wordt benoemd over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [rechthebbende], geboren op 9 oktober 1940, verder te noemen “de rechthebbende” en in de zaak met rekestnummer 574/2003, dat zij in het mentorschap van rechthebbende wordt benoemd tot mentor, met veroordeling van verweerders in de kosten van de procedures in hoger beroep. 2.2 Bij verweerschriften, ingekomen ter griffie van het hof op 26 augustus 2003, hebben verweerders de verzoeken in hoger beroep van verzoekster bestreden. Zij verzoeken het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, verzoekster in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikkingen te bekrachtigen, met veroordeling van verzoekster in de kosten van de procedures. 2.3 De mondelinge behandeling heeft in beide zaken gezamenlijk op 6 november 2003 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, verzoekster bijgestaan door mr E.G.J. Hendriksen, advocaat te Zwolle, en de verweerders bijgestaan door mr M. Kürble, advocaat te Groningen. De rechthebbende is -met bericht van verhindering- niet verschenen. 2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder de bij beroepschriften overgelegde algemene volmacht van 26 september 2002, een brief van de procureur van verweerders van 2 oktober 2003 met als bijlagen een verklaring van verpleeghuisarts [...], van 25 september 2003 en vier brieven van de Isala klinieken te Zwolle met betrekking tot de gezondheidstoestand van de rechthebbende. 3 De vaststaande feiten 3.1 Verzoekster en de rechthebbende zijn van 1962 tot 1994 met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk zijn verweerders geboren. De rechthebbende verblijft sinds 22 mei 2003 in het psychogeriatrisch verpleeghuis De Hoekstee te Ommen. 3.2 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank te Zwolle sector kanton locatie Zwolle op 19 juni 2003, hebben verweerders in de zaak met rekestnummer 573/2003 verzocht alle goederen die toebehoren dan wel zullen toebehoren aan de rechthebbende onder bewind te stellen met benoeming van verweerders tot bewindvoerders en in de zaak met rekestnummer 574/2003 een mentorschap in te stellen ten behoeve van de rechthebbende met benoeming van verweerder sub 2 tot mentor. 3.3 Bij de bestreden beschikkingen is in de zaak met rekestnummer 573/2003 de onderbewindstelling uitgesproken van alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan de rechthebbende met benoeming van verweerders tot bewindvoerders en in de zaak met rekestnummer 574/2003 het mentorschap ingesteld ten behoeve van de rechthebbende met benoeming van [verweerder sub 2] tot mentor. 3.4 Bij de verzoekschriften in hoger beroep heeft verzoekster een notariële akte van 26 september 2002 van mr E. Linde, notaris te Dedemsvaart, overgelegd waarin de rechthebbende algemene volmacht heeft verleend aan verzoekster als bedoeld in artikel 3:62 van het Burgerlijk Wetboek. 4 motivering van de beslissing 4.1 Het hof stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de gezondheidstoestand van de rechthebbende inmiddels van dien aard is dat er juridisch voldoende grond is voor het instellen van een vermogensbewind en het instellen van een mentorschap. Partijen verschillen alleen van mening wie van hen als bewindvoeder en/of mentor moet worden benoemd. 4.2 Verweerders stellen dat verzoekster geen belanghebbende in de zin van artikel 798 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, verder Rv, is en op grond daarvan niet in haar verzoeken kan worden ontvangen. 4.3 In het beroepschrift stelt verzoekster dat zij belanghebbende is op grond van de in 3.4 genoemde algemene volmacht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft verzoekster onder meer verklaard dat zij het initiatief heeft genomen tot de echtscheiding van haar en de rechthebbende. Ná de echtscheiding is er echter contact blijven bestaan tussen verzoekster en de rechthebbende, zij hadden regelmatig (bijna dagelijks) contact. Ook zijn verzoekster en de rechthebbende ná de echtscheiding samen met de buren op vakantie geweest, deden zij regelmatig gezamenlijk de boodschappen, bleven zij bij elkaar slapen, gingen zij vaak samen fietsen in de weekenden en gingen zij samen op familiebezoek. Volgens de verzoekster wilde de rechthebbende dat zij voor hem bleef zorgen. Verzoekster is op grond van voormelde omstandigheden van mening dat zij is aan te merken als een “andere levensgezel” in de zin van artikel 798 lid 2 Rv. Verweerders hebben de stelling van verzoekster betwist. 4.4 Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Op grond van artikel 798 lid 1 Rv wordt bij de rechtspleging in zaken betreffende het personen- en familierecht onder belanghebbende verstaan degene op wiens rechten of verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. Met verweerders is het hof van oordeel dat verzoekster geen belanghebbende is in de zin van artikel 798, lid 1 Rv aangezien de onderhavige procedures niet rechtstreeks betrekking hebben op haar rechten of verplichtingen. Het enkele feit dat de onderhavige procedures de financiële situatie en/of het gevoelsleven van verzoekster beïnvloeden maakt nog niet dat verzoekster kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van lid 1 van voormeld artikel. Het feit dat de rechthebbende een algemene volmacht aan verzoekster heeft verleend maakt dit niet anders nu die volmacht enkel aan verzoekster de bevoegdheid verleent, om in naam van de rechthebbende rechtshandelingen te verrichten. Daarmee is verzoekster niet iemand op wier rechten en verplichtingen de zaak rechtstreeks betrekking heeft. 4.5 Vervolgens is aan de orde de vraag of verzoekster belanghebbende is in de zin van artikel 798, lid 2 Rv. Op grond van dit artikel worden in zaken van curatele, onderbewindstelling of mentorschap onder belanghebbenden bovendien verstaan de echtgenoot, de geregistreerd partner of andere levensgezel en de kinderen of, bij gebreke van dezen, de ouders, broers en zusters van degene wiens curatele, goederen of mentorschap het betreft. De vraag is of verzoekster als een “andere levensgezel” in de zin van dit artikel kan worden aangemerkt. 4.6 Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de term “andere levensgezel” is gekozen om daarmee uitsluitend aan te wijzen “de persoon met wie de betrokkene een relatie heeft die vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten”. In de onderhavige zaken is naar voren gekomen dat de rechthebbende zich graag wilde laten helpen en/of verzorgen door de verzoekster. Verzoekster was hiertoe ook bereid en heeft die verzorging meerdere jaren ter hand genomen. De rechthebbende was ná de door verzoekster geïnitieerde echtscheiding nog afhankelijk van haar. Uit de onder 4.3 vermelde feiten en omstandigheden blijkt dat verzoekster en de rechthebbende veel contact met elkaar zijn blijven onderhouden na de echtscheiding. Echter, naar het oordeel van het hof zijn deze omstandigheden onvoldoende om aan te nemen dat die relatie tussen verzoekster en de rechthebbende vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten. Het hof stelt voorop dat verzoekster de huwelijksband met de rechthebbende door de echtscheiding zelf heeft verbroken. Het hof neemt verder in aanmerking dat verzoekster en de rechthebbende na de echtscheiding gescheiden woonden en verzoekster naar het oordeel van het hof onvoldoende feiten en/of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan kan worden aangenomen dat verzoekster met de rechthebbende een gezamenlijke huishouding voerde en sprake was van een duurzame affectieve relatie tussen hen die meebrengt dat zij elkaar wederzijds verzorgden. Bovendien is gesteld noch gebleken dat die relatie gericht was op het herstel van de relatie als echtelieden. Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van het hof dat verzoekster niet kan worden aangemerkt als een “andere levensgezel” in de zin van artikel 798, lid 2 Rv. 5 De slotsom 5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof verzoekster niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep. 5.2 Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, gelet op de familierechtelijke betrekkingen tussen partijen. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoeken in hoger beroep; compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs Hooft Graafland, Van Ginkel en Mens en is op 2 december 2003 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.