Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO4949

Datum uitspraak2003-12-23
Datum gepubliceerd2004-03-04
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
ZaaknummersB615/03
Statusgepubliceerd


Indicatie

In geschil is het door de rechtbank afgewezen verzoek van de man tot ontkenning van het vaderschap en de veroordeling van de man in de kosten van de procedure.


Uitspraak

23 december 2003 Familiekamer Rekestnummer 615/2003 G E R E C H T S H O F T E A R N H E M Beschikking in de zaak van: [verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker, verder te noemen “de man”, procureur mr J. van Dijkhuizen, tegen [verweerster], wonende te [woonplaats], verweerster, verder te noemen “de vrouw”, procureur mr N.L.J.M. Rijssenbeek. 1 Het geding in eerste aanleg Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Almelo van 16 mei 2003, uitgesproken onder zaaknummer 56945 / FA RK 03-215. 2 Het geding in hoger beroep 2.1 Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 augustus 2003, is de man in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De man verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende de ontkenning van het vaderschap over [K.], het kind van partijen, gegrond te verklaren, kosten rechtens. 2.2 Bij verweerschrift, ingekomen per fax ter griffie van het hof op 10 oktober 2003, heeft de vrouw het verzoek in hoger beroep van de man bestreden. Zij verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man in zijn verzoek in hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans dit verzoek ongegrond te verklaren met bekrachtiging van de bestreden beschikking, alsmede de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. 2.3 De mondelinge behandeling heeft op 27 november 2003 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, de man bijgestaan door mr M.Th.M. Demmer, advocaat te Hengelo, en de vrouw bijgestaan door mr J. Hofstede, advocaat te Almelo. Tevens is verschenen de bijzonder curator van [K.], mr B.E.A. Lamping, advocaat te Almelo. 2.4 Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder de aanvullende stukken die -zonder begeleidend schrijven- op 29 augustus 2003 door de advocaat van de man zijn overgelegd. 3 De vaststaande feiten Ten aanzien van partijen 3.1 Partijen zijn op 16 mei 1997 met elkaar gehuwd. Bij beschikking van de rechtbank te Almelo van 12 mei 1999 is echtscheiding tussen partijen uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 4 juni 1999 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. 3.2 Uit het huwelijk van partijen is op 2 januari 1998 [K.] geboren, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen. [K.] woont bij de vrouw. 3.3 Bij verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank te Almelo op 18 maart 2003, heeft de man de rechtbank verzocht de ontkenning van het vaderschap gegrond te verklaren. 3.4 Bij de bestreden -uitvoerbaar bij voorraad verklaarde- beschikking heeft de rechtbank de man in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaard en de man veroordeeld in de kosten van de procedure van in totaal € 942,-. 4 De motivering van de beslissing 4.1 Het hoger beroep is tijdig ingesteld, aangezien ingevolge artikel 1 van de Algemene Termijnenwet indien de beroepstermijn op een zaterdag, zondag of een algemeen erkende feestdag eindigt, die termijn wordt verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Nu de termijn van drie maanden, ingevolge artikel 806 lid 1 sub a RV, eindigt op zaterdag 16 augustus 2003 en het verzoek in hoger beroep van de man op de eerstvolgende werkdag -maandag 18 augustus 2003- ter griffie is binnengekomen, is het hof van oordeel dat de man ontvankelijk is in zijn verzoek in hoger beroep. 4.2 In geschil is het door de rechtbank afgewezen verzoek van de man tot ontkenning van het vaderschap en de veroordeling van de man in de kosten van de procedure. Ontkenning vaderschap 4.3 [K.] is geboren tijdens het huwelijk van partijen. De man is op grond van artikel 1: 199 aanhef en sub a BW, de vader van [K.]. Ingevolge artikel 1: 200 lid 1 sub a BW kan de man zijn vaderschap ontkennen, op de grond dat hij niet de biologische vader van het kind is. Lid 5 van voornoemd artikel bepaalt dat de vader een zodanig verzoek moet indienen binnen één jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader is. 4.4 De man stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man niet-ontvankelijk is in zijn verzoek tot ontkenning van het vaderschap, omdat de termijn voor het indienen van een dergelijk verzoek reeds geruime tijd is verstreken. De man geeft toe dat hij al eerder twijfels heeft gehad omtrent zijn vaderschap, maar voert hierbij aan dat geen feiten aanwezig waren waaruit bleek dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van [K.] was. De man stelt dat de termijn pas gaat lopen, indien bijvoorbeeld uit DNA-onderzoek of uit een concrete mededeling van de vrouw blijkt dat hij de vader niet is. Ten slotte stelt de man dat het niet in het belang van [K.] is om een vader te hebben die niet zijn echte vader is. De man heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat de communicatie tussen partijen moeizaam verliep en verloopt. Hij geeft hierbij aan dat de vrouw na de geboorte van [K.] erg is veranderd, dat partijen in die tijd veel ruzie hebben gehad en dat de relatie tussen hen binnen een jaar na de geboorte van [K.] is geëindigd. De man heeft het gevoel dat hij is afgewezen en dat hij, nu de vrouw [K.] heeft, dient te verdwijnen uit haar leven. De man voert aan dat hij twijfels heeft omtrent zijn vaderschap. Hij heeft geen vermoeden wie de biologische vader van [K.] is. Tevens heeft de man tijdens de zitting verklaard dat hij bereid is mee te werken aan een DNA-onderzoek. Hierbij voert de man aan dat er tot op heden nog geen DNA-onderzoek heeft plaatsgevonden omdat hij niet over voldoende financiële middelen beschikte en dat afgesproken zou zijn dat hij de helft van die kosten en de vrouw de andere helft zou betalen. Ten slotte is de man van mening dat er vanuit het perspectief van het kind geen onzekerheid mag bestaan over de vraag van welke ouders het kind afstamt. 4.5 De vrouw stelt dat de termijn waarbinnen het verzoek gedaan moet worden gaat lopen op het moment waarop de twijfels over het vaderschap zijn ontstaan, aangezien vanaf dat moment sprake is van bekendwording van de man met het feit dat hij vermoedelijk niet de vader van [K.] is. Nu hij dat te laat heeft gedaan dient hij, zoals de rechtbank terecht heeft beslist, in zijn verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard. Daartoe voert de vrouw aan dat de man vanaf het moment dat de vrouw zwanger was en ten tijde van de geboorte van [K.] meerdere malen zijn twijfels heeft geuit omtrent zijn vaderschap. De vrouw heeft geprobeerd die twijfels weg te nemen en heeft een DNA-test voorgesteld waarop de man niet is ingegaan. Ten tijde van de echtscheiding heeft de man opnieuw zijn twijfels geuit en heeft de vrouw weer te kennen gegeven mee te willen werken aan een DNA-onderzoek, waarop de man wederom niet is ingegaan. Voorts geeft de vrouw aan dat na de echtscheiding geen contact meer heeft plaatsgevonden tussen de man en de vrouw en ook niet tussen de man en [K.]. De vrouw ontkent daarom dat zij recentelijk tegen de man gezegd zou hebben dat hij niet de vader van [K.] is. Ten slotte voert de vrouw aan dat het belang van [K.] wordt geschaad, indien na verloop van jaren de familierechtelijke betrekkingen met zijn vader of de band met zijn vader wordt doorgesneden. De vrouw heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat het door de man gestelde (het hebben van twijfels) totaal niet strookt met het gedrag van de man (het afzien van een DNA-onderzoek). Voorts is de vrouw van mening dat de man zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd met concrete feiten. Tevens geeft de vrouw aan dat zij geen twijfels heeft omtrent het vaderschap van de man en voegt hieraan toe dat er geen ‘andere’ biologische vader is die [K.] wil erkennen. 4.6 De bijzondere curator van [K.] heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat partijen gedurende een lange tijd een strijd met elkaar voeren. Gelet op het feit dat [K.] vijf jaar oud is, hij niet beter weet dan dat de man zijn vader is, de man nooit heeft meegewerkt aan een omgangsregeling tussen hem en [K.], de foto’s van [K.] gelijkenissen vertonen met de man, de man nog steeds geen DNA-onderzoek heeft laten verrichten en de termijn van één jaar ruimschoots is overschreden, is de bijzondere curator evenals de vrouw van mening dat de man in zijn verzoek tot ontkenning van zijn vaderschap niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. 4.7 Het hof overweegt als volgt. Blijkens vaste jurisprudentie (laatstelijk HR 7 februari 2003, JOL 2003, 82) dient ‘het bekend worden’ in lid 5 van artikel 1: 200 BW subjectief te worden opgevat. Naar het oordeel van het hof heeft de man onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die aannemelijk maken dat hij het verzoek tot ontkenning van het vaderschap heeft ingediend binnen één jaar nadat hij bekend is geworden met het feit dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van [K.] is. Het hof baseert dit oordeel op hetgeen tijdens de zitting door partijen is verklaard en met name op de eigen stelling van de man dat hij al geruime tijd vóór het indienen van het verzoek op verschillende momenten, namelijk tijdens de zwangerschap, direkt na de geboorte van [K.] en ten tijde van de echtscheiding, twijfels heeft gehad omtrent zijn vaderschap. Het hof is van oordeel dat in dit geval de termijn van één jaar is aangevangen op het moment dat de man twijfels over zijn vaderschap heeft gekregen, aangezien dit moment door het hof wordt aangemerkt als het moment waarop de man bekend is geworden dat hij vermoedelijk niet de biologische vader van [K.] is. Welk van de hiervoor genoemde momenten van twijfel ook wordt genomen, in alle gevallen was de genoemde termijn voor de ontkenning van het vaderschap al geruime tijd voor de indiening van het verzoek verstreken. Aan de termijn van één jaar dient strikt de hand te worden gehouden (zie recent HR 15 november 2002, NJ 2003, 228). Dat klemt zeker in dit geval, aangezien [K.] bij gegrondverklaring van de ontkenning geen juridische vader meer heeft, er geen biologische vader is die [K.] wil erkennen en de bestaande wettelijk erkende familiebetrekkingen door de ontkenning niet in stand worden gelaten. Het hof zal de bestreden beschikking bekrachtigen en de man evenals de rechtbank in zijn verzoek niet-ontvankelijk verklaren. Kostenveroordeling 4.8 De man stelt dat de rechtbank hem ten onrechte in de kosten van de procedure heeft veroordeeld, aangezien het geschil buiten rechte had kunnen en moeten worden opgelost. Hij voert aan dat hoger beroep noodzakelijk is, nu de voorbereiding in eerste aanleg niet optimaal is geweest en het de man niet op voorhand duidelijk is dat de termijn voor indiening van het verzoek verstreken is. Ten slotte is de man van mening dat de kostenveroordeling in strijd is met de redelijkheid en billijkheid, nu het in het familierecht gebruikelijk is om de proceskosten te compenseren. De man heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat hij bereid is om een DNA-onderzoek te laten uitvoeren, maar dat hij niet over voldoende financiële middelen beschikt. 4.9 De vrouw stelt dat de man door de rechtbank op juiste gronden in de proceskosten is veroordeeld, nu de man zonder met haar te overleggen hoger beroep heeft ingesteld en haar hierdoor nodeloos op kosten heeft gejaagd, zij altijd bereid was haar medewerking aan een DNA-onderzoek te verlenen en het de man duidelijk had kunnen en moeten zijn dat hij niet-ontvankelijk zou worden verklaard. De vrouw heeft bij gelegenheid van de mondelinge behandeling verklaard dat partijen hebben geprobeerd om deze zaak in der minne op te lossen. De vrouw geeft aan dat het -door de houding van de man- aan hem wijten is dat de proceskosten zo hoog zijn, omdat het instellen van hoger beroep volgens de vrouw niet noodzakelijk was. 4.10 Het hof kan zich inzake de proceskostenveroordeling in eerste aanleg verenigen met de motivering van de rechtbank en bekrachtigt de bestreden beschikking op dit punt. Tevens veroordeelt het hof de man in de kosten van het hoger beroep, nu de man in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd, dit hoger beroep nodeloos heeft ingesteld, waarmee hij de vrouw wederom op kosten heeft gejaagd. 5 De slotsom 5.1 Op grond van hetgeen hierboven is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen. 5.2 Het hof zal de man veroordelen in de kosten van het hoger beroep. 6 De beslissing Het hof, beschikkende in hoger beroep: bekrachtigt de beschikking van de rechtbank te Almelo van 16 mei 2003; verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad; veroordeelt de man in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de vrouw begroot op € 1.747,- op de voet van artikel 243 RV te betalen aan de griffier van het hof door overmaking op postbankrekening no. 1923.25.752 t.n.v. DS 533 arrondissement Arnhem, zijnde € 1.542,- aan salaris van de procureur en € 153,75 aan debet gesteld vast recht en € 51,25 aan de vrouw wegens het door haar betaalde vastrecht. Deze beschikking is gegeven door mrs Wammes, Hooft Graafland en Renckens en is op 23 december 2003 uitgesproken ter openbare terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.