Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO5554

Datum uitspraak2004-03-03
Datum gepubliceerd2004-05-11
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Roermond
Zaaknummers03 / 1146 WW44 K1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Over het materiële geschilpunt tussen partijen overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de op de tekeningen waarop de afzonderlijke loodsen voorkomen, geplaatste aanduiding dat deze behoren bij de bouwvergunning enige aanleiding geeft om te veronderstellen dat ook die loodsen vergund zijn.


Uitspraak

RECHTBANK ROERMOND meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken UITSPRAAK Procedurenr. : 03/1146 WW44 K1 Inzake : [eiser], wonende te [woonplaats], eiser, tegen : Het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Maasbree, gevestigd te Maasbree, verweerder. Datum en aanduiding van het bestreden besluit: de brief d.d. 25 augustus 2003, kenmerk: GGZ/RO/JeWi-34078. Datum van behandeling ter zitting: 12 februari 2004 I. PROCESVERLOOP Bij besluit van 25 augustus 2003 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser, dat verweerder geacht heeft te zijn gericht tegen de op 16 juli 2002 aan eiser verleende bouwvergunning, ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Van dat besluit is mr. A.J. Likkel, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand, namens eiser bij de rechtbank in beroep gekomen. De stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alsmede een verweerschrift zijn door verweerder naar de rechtbank gezonden, waarna een afschrift daarvan aan de gemachtigde van eiser is gezonden. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 12 februari 2004. Aldaar zijn verschenen eiser in persoon, bijgestaan door mr. Likkel, voornoemd, en door zijn broer […], terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J. Wielaard-Vossen, werkzaam bij verweerders gemeente. II. OVERWEGINGEN Op 21 maart 2001 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend betreffende de woning/boerderij op het perceel [adres] te [woonplaats], strekkende tot woningsplitsing. Omdat het bouwplan in strijd was met het vigerende bestemmingsplan heeft verweerder, na het verkrijgen van een verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten van Limburg, bij besluit van 16 juli 2002, verzonden op 1 augustus 2002, krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan gegeven en een bouwvergunning verleend. Bij die bouwvergunning zijn tekeningen gevoegd waarop is aangetekend dat die behoren bij het besluit van 16 juli 2002. Onder de bijgevoegde tekeningen bevonden zich een situatietekening waarop naast de beoogde woningen twee loodsen voorkomen, een ontwerptekening van een loods en een tekening van het voorgenomen gebruik van een loods. Aan de vergunning is de voorwaarde verbonden dat de overtollige bijgebouwen uiterlijk twee jaar na de gereedmelding van de woningsplitsing dienen te zijn gesloopt, zodat de bijgebouwen een maximum van 70m2 niet overschrijden. Bij brief van 31 januari 2003 heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat tijdens een bouwcontrole is geconstateerd dat per abuis bij de bouwvergunning tekeningen van een nieuw op te richten loods zijn gevoegd, terwijl daarvoor feitelijk geen vergunning is verleend. Ter staving van de stelling dat de verleende vergunning geen betrekking heeft op de loods, heeft verweerder gewezen op de inhoud van de aanvraag, de verklaring van geen bezwaar die uitsluitend het splitsen van de woning betrof, de eerdere correspondentie waarin was aangegeven dat het oprichten van een loods niet tot de mogelijkheden behoorde en het feit dat in de bouwvergunning is vermeld dat een woning maximaal 70m2 aan bijgebouwen mag hebben. Verweerder heeft aangegeven zich verplicht te achten om de gemaakte fout te herstellen en heeft het vrijstellingsbesluit en de bouwvergunning als bijlage van de brief van 31 januari 2003 opnieuw aan eiser toegestuurd. De tekeningen van de loodsen zijn daarbij voorzien van het stempel “vervallen”. Voorts heeft verweerder eiser erop gewezen dat hij geen vergunning heeft voor het oprichten van een separate loods en aangekondigd dat, indien eiser daar toch toe zou overgaan, daartegen handhavend zal worden opgetreden. Verweerder heeft verder nog meegedeeld dat door het bij de bouwvergunning voegen van de tekeningen van de loodsen de leges verkeerd zijn berekend en eiser een nieuwe nota toegestuurd met een lager bedrag aan leges. Ten slotte heeft verweerder aangegeven dat eiser nogmaals in de gelegenheid is gesteld om binnen zes weken na verzending van de brief van 31 januari 2003 een bezwaarschrift in te dienen. In het namens eiser ingediende bezwaarschrift heeft eisers gemachtigde allereerst gesteld dat aan de brief van 31 januari 2003 geen rechtsgevolg is verbonden en dat deze derhalve geen besluit inhoudt. Eiser is namelijk van mening dat het zetten van een stempel met de tekst “vervallen” op de betrokken tekeningen geen wijziging kan brengen in de verleende bouwvergunning en dat het ook wettelijk onmogelijk is die vergunning als niet verzonden te beschouwen. Met name kan die handelwijze niet worden beschouwd als een intrekking op grond van artikel 59 van de Woningwet. Eiser stelt zich voorts op het standpunt dat hij over een onherroepelijke bouwvergunning beschikt welke mede geldt voor de twee loodsen die op de bij de bouwvergunning gevoegde situatietekening zijn te vinden, waartoe hij heeft aangevoerd dat de aanvraag van de vergunning ook daarop betrekking had en de bouwtekeningen onderdeel van die vergunning vormen. Hij heeft er nog op gewezen dat ook aan Gedeputeerde Staten in verband met de aanvraag van een verklaring van geen bezwaar tekeningen zijn gestuurd van de oude en nieuwe situatie en dat er met Gedeputeerde Staten nog over de loodsen is gecorrespondeerd, waaruit zijns inziens blijkt dat de verklaring van geen bezwaar ook op de loodsen betrekking heeft. Ten aanzien van het feit dat in eerdere correspondentie door verweerder aan eiser te kennen is gegeven dat het oprichten van een separate loods niet tot de mogelijkheden behoorde, heeft eiser gesteld dat zulks niet doorslaggevend is nu dit aanvankelijk ook gold voor de gevraagde woningsplitsing die later toch mogelijk bleek. Eiser heeft ten slotte aangekondigd op korte termijn te beginnen met het oprichten van de loodsen. Nadat op 19 mei 2003 de hoorzitting van de vaste commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften (de commissie) was gehouden, heeft de commissie verweerder geadviseerd het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk te verklaren, nu de oorspronkelijke vergunning niet was verleend voor de afzonderlijke loodsen en zulks voor eiser duidelijk had moeten zijn. In het op eisers bezwaar genomen bestreden besluit heeft verweerder zich gesteld achter de overwegingen van de commissie betreffende de reikwijdte van de op 16 juli 2002 verleende bouwvergunning, erop neer komende dat de beoogde loodsen niet zijn vergund, maar is hij tot een andere eindbeslissing gekomen. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de brief van 31 januari 2003 geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb is, maar slechts is te beschouwen als een begeleidend schrijven bij de op 16 juli 2002 verleende bouwvergunning en dat het naar aanleiding van de brief van 31 januari 2003 ingediende bezwaar geacht kan worden te zijn gericht tegen het besluit van 16 juli 2002. Verweerder heeft vervolgens geconstateerd dat het bezwaar, uitgaande van de eerste bekendmaking op 1 augustus 2002, buiten de termijn van de artikelen 6:7 en 6:8 van de Awb is ingediend, maar nu het besluit op 31 januari 2003 wegens de ontstane verwarring opnieuw bekend is gemaakt, gaat verweerder ervan uit dat de termijn eerst na laatstgenoemde bekendmaking is gaan lopen, zodat het bezwaar tijdig is ingediend. Ter toelichting van het bestreden besluit heeft verweerder er nog op gewezen dat hij door alsnog bezwaar open stellen in de brief van 31 januari 2003 gehandeld heeft in het belang van eiser nu hij ook had kunnen afwachten of eiser zich aan de bouwvergunning zou houden en vervolgens zo nodig handhavend had kunnen optreden. In beroep heeft de gemachtigde van eiser zijn eerder ingenomen standpunt, inhoudende dat hem op 16 juli 2002 mede bouwvergunning is verleend voor een tweetal loodsen, herhaald en toegelicht. Hij heeft er nog op gewezen dat hij er na het verstrijken van de bezwaartermijn tegen de bouwvergunnning van uit mocht gaan dat deze onherroepelijk was en dat hij dan ook begonnen is met de realisering van het project. Hij stelt dat hij al investeringen heeft gedaan en verplichtingen is aangegaan, voordat hem werd meegedeeld dat de loodsen niet zijn vergund en dat hij daardoor schade lijdt. De rechtbank oordeelt als volgt. Verweerder heeft het naar aanleiding van verweerders brief van 31 januari 2003 ingediende bezwaarschrift aangemerkt als te zijn gericht tegen de op 16 juli 2002 verleende bouwvergunning, welke hij voorts beschouwt als op 31 januari 2003 bekend gemaakt. De rechtbank kan verweerder daarin niet volgen. Zulks in de eerste plaats omdat in het bezwaarschrift niet wordt gesteld dat eiser het niet eens is met de bouwvergunning, maar uitsluitend wordt opgekomen tegen de uitleg die verweerder daaraan in zijn brief van 31 januari 2003 heeft gegeven. Bovendien is die brief, anders dan verweerder kennelijk meent, niet te beschouwen als bekendmaking van de bouwvergunning in de zin van artikel 3:41 van de Awb. De bouwvergunning was immers reeds door verzending aan eiser op 1 augustus 2002 op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt. De rechtbank wijst er in dit verband op dat volgens vaste jurisprudentie de omstandigheid dat aan een besluit één of meerdere gebreken kleven niet met zich brengt dat het besluit als niet op de voorgeschreven wijze bekend gemaakt moet worden beschouwd. Nu verweerder bij het nemen van het bestreden besluit aldus een rechtens onjuist uitgangspunt heeft gehanteerd, komt dit besluit reeds daarom voor vernietiging in aanmerking. Gelet op de omstandigheid dat de materiële vraag die partijen verdeeld houdt dezelfde is als in de bezwaarprocedure aan de orde was, namelijk of de bouwvergunning van 16 juli 2002 mede betrekking heeft op de door eiser beoogde loodsen, zal de rechtbank in het kader van de haar ingevolge artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toekomende bevoegheid om haar uitspraak in de plaats te stellen van het bestreden besluit, bezien of zij in deze procedure een oordeel over die vraag kan geven. Daartoe dient allereerst te worden vastgesteld of het bezwaar van eiser tegen de brief van 31 januari 2003 ontvankelijk had moeten worden verklaard, hetgeen afhankelijk is van de juridische status van die brief. De rechtbank stelt vast dat die brief primair een standpuntbepaling van verweerder bevat omtrent de reikwijdte van de bouwvergunning, waaraan is toegevoegd de waarschuwing dat bestuursdwang zal worden toegepast als eiser toch een loods op het perceel gaat bouwen. Die waarschuwing op zichzelf maakt de brief niet tot een besluit. Daarvan is immers pas sprake als wordt aangezegd dat na een bepaalde termijn tot toepassing van bestuursdwang wordt overgegaan (artikel 5:24 van de Awb). De rechtbank is evenwel van oordeel dat de in de brief van 31 januari 2003, vooruitlopend op een eventueel handhavingsbesluit, opgenomen interpretatie van de reikwijdte van de bouwvergunning is aan te merken als een rechtsoordeel dat een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb vormt. Dat rechtsoordeel is namelijk op één lijn te stellen met een rechtsoordeel van een bestuursorgaan over de vraag of een bepaalde activiteit al dan niet vergunningplichtig is. De jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State komt erop neer dat voor beantwoording van de vraag of een dergelijk rechtsoordeel een besluit is, doorslaggevend is of het als onevenredig bezwarend moet worden beschouwd om een nader besluit tot toepassing van bestuursdwang uit te lokken. Eiser zou verweerders interpretatie van de bouwvergunning in rechte kunnen aanvechten door te beginnen aan het oprichten van een loods en de toepassing van bestuursdwang af te wachten. Mede in aanmerking genomen dat de handelwijze ten aanzien van het afgeven van de bouwvergunning van verweerder ertoe heeft geleid dat verschil van opvatting over de reikwijdte van die vergunning mogelijk is geworden, acht de rechtbank die weg voor eiser onevenredig bezwarend. Nu ook overigens niet van beletselen daarvoor blijkt, concludeert de rechtbank uit het voorgaande dat eiser ontvankelijk was in zijn bezwaar tegen de brief van 31 januari 2003. De rechtbank komt derhalve toe aan inhoudelijke beoordeling van eisers bezwaar tegen het in die brief opgenomen besluit. Over het materiële geschilpunt tussen partijen overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de op de tekeningen waarop de afzonderlijke loodsen voorkomen, geplaatste aanduiding dat deze behoren bij de bouwvergunning enige aanleiding geeft om te veronderstellen dat ook die loodsen vergund zijn. De rechtbank acht het geheel van de omstandigheden niettemin zodanig dat zij de door eiser beoogde conclusie niet kan delen. De rechtbank hecht doorslaggevend belang aan de inhoud van eisers aanvraag om bouwvergunning en de daarbij gevoegde gegevens, die er alle op wijzen dat die aanvraag enkel de splitsing van de bestaande boerderij/woning in een tweetal woningen betrof en geen betrekking had op een of twee afzonderlijke loodsen. Het is de rechtbank gebleken dat de tekeningen van de loodsen deels voorafgaand aan de aanvraag waren ingediend en deels slechts bij wijze van situatieschets waren bijgevoegd, zodat daaruit niet is af te leiden dat de aanvraag mede op de loodsen zag. De aan de aanvraag voorafgaande correspondentie waarin verweerder aan eiser kenbaar heeft gemaakt dat het oprichten van afzonderlijke loodsen niet tot de mogelijkheden behoorde, maakt te meer aannemelijk dat eiser van het vragen van bouwvergunning voor die loodsen heeft afgezien en moet bovendien eiser hebben doen inzien dat het op de tekeningen van de loodsen plaatsen van voormelde aanduiding op een vergissing berustte. Uit de verklaring van geen bezwaar van Gedeputeerde Staten blijkt voorts niet dat deze mede voor de loodsen is afgegeven. Uit de correspondentie die aan het afgeven van die verklaring is voorafgegaan, is veeleer het tegendeel op te maken. De rechtbank kan ten slotte verweerder volgen in zijn redenering dat de in de bouwvergunning opgenomen voorwaarde dat de bijgebouwen een omvang van 70m2 niet mogen overschrijden, bevestigt dat deze niet kan zijn verleend voor de beoogde loodsen. Uit het voorgaande volgt dat er voldoende grondslag is om het bezwaar tegen het besluit van 31 januari 2003 ongegrond te verklaren. De rechtbank zal dan ook op basis van artikel 8:72, vierde lid, laatste zinsdeel, van de Awb dienovereenkomstig in de zaak voorzien. De rechtbank acht verder termen aanwezig om verweerder op grond van het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, een en ander overeenkomstig de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Voor de in aanmerking te nemen proceshandelingen worden 2,00 punten toegekend. Het gewicht van de zaak wordt bepaald op gemiddeld, hetgeen correspondeert met de wegingsfactor 1,00. III. BESLISSING De rechtbank Roermond; gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht; verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit; verklaart het bezwaar van eiser tegen het besluit van 31 januari 2003 ongegrond; veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 (zijnde de kosten van rechtsbijstand) te vergoeden door de gemeente Maasbree; bepaalt dat de gemeente Maasbree aan eiser het door deze gestorte griffierecht ten bedrage van € 116,00 volledig vergoedt. Aldus gedaan door mrs. P.J. Voncken, E.J.A.M. Bakermans en Th.M. Schelfhout (voorzitter), in tegenwoordigheid van mr. S.A.M.C. van de Winkel als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2004. Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier: verzonden op: 3 maart 2004 KS Voor belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.