Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO5734

Datum uitspraak2004-03-16
Datum gepubliceerd2004-03-16
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers11/006352-03
Statusgepubliceerd


Indicatie

ripdeal, dagvaarding met poging doodslag, 310/312 Sr en 2/10 OW. art 314a WvSv niet toegestaan omdat er geen voorlopige dagvaarding ex 261 lid 3 WvSv was uitgebracht (want geen verwijzing naar 261 lid 3 Sv op de dagvaarding). Ambtshalve overweging tav ontvankelijkheid OM.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT MEERVOUDIGE STRAFKAMER Tegenspraak Parketnummer : 11/006352-03 Zittingsdatum : 2 maart 2004 Uitspraak : 16 maart 2004 VERKORT STRAFVONNIS De rechtbank te Dordrecht heeft op grondslag van de gewijzigde tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting vonnis gewezen in de zaak tegen: [verdachte], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Zuid West - De Dordtse Poorten,Kerkeplaat 25 te Dordrecht. De rechtbank heeft de processtukken gezien en kennis genomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht. 1. De tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd wat in de dagvaarding en de wijziging van de tenlastelegging is omschreven. Kopieën van de dagvaarding en de wijziging van de tenlastelegging zijn als bijlage 1 en 1A aan dit vonnis gehecht en maken hiervan deel uit. 1. hij op of omstreeks 18 augustus 2003 te Dordrecht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [naam slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft/hebben geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid; subsidiair hij op of omstreeks 18 augustus 2003 te Dordrecht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een geldbedrag, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [naam slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [naam slachtoffer] gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, het zij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat hij en/of zijn mededader(s) meermalen, althans eenmaal, met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft/hebben geschoten; 2. hij op of omstreeks 18 augustus 2003 te Rotterdam en/of Dordrecht, althans in Nederland, ter uitvoering van het door hem/verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk te verkopen en/of af te leveren en/of te vervoeren en/of te verstrekken een kilogram, althans een hoeveelheid van een materiaalbevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I. 2. De voorvragen 2.1 De geldigheid van de dagvaarding Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding aan alle wettelijke eisen voldoet en dus geldig is. 2.2 De bevoegdheid van de rechtbank Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het tenlastegelegde kennis te nemen. 2.3 De ontvankelijkheid van de officier van justitie De officier van justitie heeft aan de raadsman een brief verstrekt met daarin een verwijzing naar de artikelen 261, derde lid, en artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering en daarbij gevoegd een - naar zijn oordeel - nadere omschrijving van de definitieve tenlastelegging inhoudende een omschrijving als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet. De rechtbank heeft ter terechtzitting van 2 maart 2004 de vordering van de officier van justitie ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - behelzende aldus uitsluitend de tenlastelegging van een feit overeenkomstig artikel 10a van de Opiumwet - niet toegelaten. Zij heeft bepaald dat de dagvaarding zoals uitgebracht voor de terechtzitting van 11 december 2003 geen voorlopige tenlastelegging als bedoeld in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering betreft maar dat deze de definitieve tenlastelegging bevat. Dit brengt met zich mee dat de oorspronkelijke dagvaarding voor de terechtzitting van 11 december 2003 - met als inhoud - kort en zakelijk samengevat - : feit 1. primair artikel 287 juncto artikel 45 van het Wetboek van Strafrecht, feit 1. subsidiair artikel 310 juncto artikel 312 van voornoemd Wetboek alsmede feit 2. artikel 2 van de Opiumwet - de grondslag vormt van het onderzoek ter terechtzitting. Weliswaar heeft de officier van justitie bij de raadsman zijn voornemen kenbaar gemaakt om de tenlastelegging te beperken tot een feit als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, nu de rechtbank de vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering niet heeft toegelaten, overweegt de rechtbank ambtshalve - vanwege de verdediging is daartoe niets aangevoerd - dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging van verdachte ter zake van de in de dagvaarding voor de terechtzitting van 11 december 2003 opgenomen en tenlastegelegde feiten. Nadat de vordering ex artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering niet is toegelaten, heeft de officier van justitie een vordering tot wijziging van de tenlastelegging ex artikel 313 van voornoemd Wetboek gedaan (zie bijlage 1A), die is toegestaan, zodat het onderzoek ter terechtzitting van 2 maart 2004 zich heeft toegespitst op de tenlastelegging voor de terechtzitting van 11 december 2003 zoals deze ter terechtzitting van 2 maart 2004 is gewijzigd Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn ook overigens geen feiten en/of omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. 2.4 De schorsing van de vervolging Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn geen gronden voor schorsing van de vervolging gebleken. 3. Het onderzoek ter terechtzitting 3.1 De vordering van de officier van justitie De officier van justitie - het ten laste gelegde onder 2. bewezen achtend - heeft gevorderd tot gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. 3.2 De verdediging De raadsman heeft algehele vrijspraak bepleit en subsidiair een strafmaatverweer gevoerd. 4. De bewijsbeslissingen 4.1 Vrijspraak Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair en 2. is ten laste gelegd. Met betrekking tot het onder 1. primair tenlastegelegde heeft de rechtbank uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de inhoud van de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging bekomen dat de (voorwaardelijke) opzet van verdachte was gericht op de (poging tot) levensberoving van het slachtoffer dan wel het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Uit de wettige bewijsmiddelen blijkt niet van enige wetenschap bij verdachte dat de schutter een vuurwapen in zijn bezit had zodat evenmin wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een en ander zou kunnen gebeuren en deze kans desbewust heeft aanvaard en op de koop toegenomen. Met betrekking tot het onder 2. tenlastegelegde heeft de rechtbank op grond van het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat er geen wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn welke tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde kunnen leiden. De rechtbank heeft slechts kunnen vaststellen dat aan de zijde van de "verkopers" - waartoe verdachte en zijn mededaders behoorden - nooit de intentie heeft bestaan om te trachten cocaïne te verkopen, leveren, vervoeren of verstrekken. Zij waren er van het begin af aan slechts op uit om een zogenaamde "ripdeal" te plegen, dat wil zeggen het geld van de kopers te bemachtigen zonder daarvoor cocaïne te leveren. Nu er voorts geen bewijsmiddelen aanwezig zijn waaruit enig begin van uitvoeringshandelingen - welke ook overigens niet ten laste zijn gelegd - blijkt, acht de rechtbank ook dit feit niet wettig en overtuigend bewezen. Verdachte zal derhalve van het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde worden vrijgesproken. 4.2 De bewezenverklaring De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte 1. (subsidiair) op 18 augustus 2003 te Dordrecht tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen enig goed, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en zijn mededaders, welke diefstal werd vergezeld van geweld tegen [naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zijn mededader meermalen met een vuurwapen op die [naam slachtoffer] heeft geschoten. Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken. Voor zover in de bewezenverklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad. 4.3 De bewijsmiddelen De rechtbank grondt haar overtuiging dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en de omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit vonnis gehechte bijlage worden opgenomen. 4.4 Nadere bewijsoverweging De rechtbank heeft met betrekking tot hetgeen onder 1. subsidiair ten laste is gelegd onder meer bewezenverklaard - kort en zakelijk samengevat - dat verdachtes mededader meermalen met een vuurwapen op [naam slachtoffer] heeft geschoten. De rechtbank heeft op grond van het onderzoek ter terechtzitting vastgesteld dat verdachte en zijn mededaders zich welbewust in het drugscircuit hebben begeven ten einde een zogenaamde "ripdeal" te plegen. Het feit dat het betrof de aan- en verkoop van een kilo cocaïne indiceert dat er ervaren kopers en een aanzienlijk geldbedrag in het spel zouden zijn. De wijze waarop verdachte en zijn mededaders de "ripdeal" hebben voorbereid en uitgevoerd, duidt er op dat zij de situatie ook zo hebben ingeschat. Door onder voornoemde feiten en omstandigheden toch een wilsbesluit te nemen als genoemd, hebben verdachte en zijn mededaders zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat er geweld - in welke vorm dan ook - gebruikt zou kunnen gaan worden. Zij hebben deze kans bewust aanvaard en op te koop toegenomen. 5. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden. Het bewezenverklaarde levert op: 1. (subsidiair) DIEFSTAL VERGEZELD VAN GEWELD TEGEN PERSONEN, GEPLEEGD MET HET OOGMERK OM DIE DIEFSTAL GEMAKKELIJK TE MAKEN, TERWIJL HET FEIT WORDT GEPLEEGD DOOR TWEE OF MEER VERENIGDE PERSONEN. 6. De strafbaarheid van de verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7. De motivering van de sanctie en overige beslissingen 7.1 Strafmotivering De rechtbank heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders schuldig gemaakt aan een diefstal met geweld, waarbij een van de mededaders heeft geschoten op een "koper", het latere slachtoffer. Dit alles heeft plaatsgevonden in het kader van een zogenaamde "ripdeal", waarbij het er op lijkt dat het slachtoffer en zijn compagnon met gelijke kwade bedoelingen de deal waren aangegaan (immers de "kopers" hadden een bundel vals geld c.q. nepgeld meegenomen naar Dordrecht om de koop daarmee te sluiten). Het betreft hier derhalve geen "doorsnee" diefstal met geweld maar een strafbaar feit gepleegd binnen het criminele milieu. Daarbij komt dat aan het slachtoffer zodanig letsel is toegebracht dat hij daaraan een dwarslaesie heeft overgehouden waardoor hij de rest van zijn leven ernstig gehandicapt zal blijven. Verdachte was in geheel van voornoemd feitencomplex niet de instigator en organisator. Hij speelde meer een ondersteunende rol op de achtergrond maar hij heeft zich uitdrukkelijk niet gedistantieerd van de gebeurtenissen en was er ook slechts op uit om snel en gemakkelijk geld te verdienen. Een geweldsdelict als het onderhavige wordt in het algemeen als uitermate schokkend ervaren en brengt gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de maatschappij teweeg. Het feit dat het slachtoffer en verdachte en zijn mededaders zich beiden ophielden in het verdovende middelen circuit en dat het delict ook in die context is gepleegd, doet naar het oordeel van de rechtbank daaraan in het geheel niet af. Het feit dat het slachtoffer gedurende de rest van zijn leven - zoals het zich nu laat aanzien - ernstige lichamelijke beperkingen zal ondervinden ten gevolge van de kogel in zijn bovenlichaam, betrekt de rechtbank nadrukkelijk in haar oordeel. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de aard en de ernst van het strafbare feit, waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt, niet anders kan worden gereageerd dan door het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Bij haar oordeelsvorming omtrent de duur van de vrijheidsstraf betrekt de rechtbank de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze ter terechtzitting zijn gebleken. Ten voordele van verdachte houdt zij voorts rekening met de nauwelijks relevante strafrechtelijke documentatie van verdachte. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden een passende en geboden sanctie. Gelet op voornoemde strafrechtelijk document en teneinde de recidivekans te beperken, zal de rechtbank een gedeelte van deze straf, te weten zes maanden, voorwaardelijk opleggen met een proeftijd van twee jaar. 8. De toepasselijke wettelijke voorschriften De opgelegde straf is gegrond op de volgende wettelijke voorschriften: de artikelen 14a, 14b, 14c, 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht. 9. De beslissing De rechtbank: - verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair en 2. is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij; - verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals vermeld onder 4.2 van dit vonnis; - verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij; - verklaart dat het bewezenverklaarde het onder 5. vermelde strafbare feit oplevert; - verklaart de verdachte hiervoor strafbaar; - veroordeelt de verdachte wegens dit feit tot: EEN GEVANGENISSTRAF VOOR DE DUUR VAN ACHTTIEN (18) MAANDEN, en bepaalt dat een gedeelte van deze straf - groot ZES (6) MAANDEN - NIET zal worden tenuitvoergelegd, tenzij een rechter later anders mocht gelasten, op de grond dat veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op TWEE JAREN bepaalde PROEFTIJD aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt; bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de hem opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht. Dit vonnis is gewezen door: mr. E.C. Koekman, voorzitter, en mrs. I.M.A. de Graaf en M.G.L. de Vette, rechters, in tegenwoordigheid van A. Gaal, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 16 maart 2004.