Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO7866

Datum uitspraak2004-03-26
Datum gepubliceerd2004-04-20
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/2982 WSF, 03/3025 WSF
Statusgepubliceerd


Indicatie

Tijdige postbezorging, maar te late ontvangst. Is sprake van verschoonbare termijnoverschrijding?


Uitspraak

03/2982 en 03/3025 WSF U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [opposant], wonende te [woonplaats], Chili, opposant en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, geopposeerde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Opposant is in hoger beroep gekomen van de door de rechtbank Groningen op 22 april 2003, nummers 02/608 WSFBSF en 02/693 WSFBSF, tussen partijen gegeven uitspraken. Bij uitspraak van 14 november 2003, welke op 19 november 2003 aan partijen is verzonden, heeft de Raad het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. Opposant is tijdig van die uitspraak in verzet gekomen en heeft in het verzetschrift de gronden aangevoerd waarop het verzet berust. Elk der partijen heeft, desgevraagd, schriftelijk toestemming verleend voor afdoening buiten zitting. II. MOTIVERING Volgens artikel 6:24, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van -onder andere- toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt. Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. De uitspraak van de rechtbank is op 22 april 2003 aan partijen verzonden, waardoor de termijn voor het instellen van hoger beroep op 23 april 2003 is aangevangen en derhalve op 3 juni 2003 is geëindigd. Het op 25 mei 2003 gedateerde beroepschrift van opposant is blijkens de poststempel op de envelop waarin het zich bevond, op 31 mei 2003 en dus binnen de beroepstermijn, ter post bezorgd waarna het op 19 juni 2003 ter griffie van de Raad is ontvangen. Aangezien het beroepschrift niet binnen de termijn van één week als bedoeld in artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is ontvangen, is het beroep naar oordeel van de Raad niet tijdig ingediend. Bij schrijven van 17 juli 2003 is aan opposant gevraagd naar de reden van de termijnoverschrijding. Opposant heeft daarop bij faxbericht van 31 juli 2003 als reactie gegeven dat het postverkeer tussen Chili en Nederland veel vertraging ondervindt. Vervolgens heeft de Raad bij uitspraak van 14 november 2003 het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn. In het verzetschrift is aangevoerd dat opposant zich niet bewust was van de termijnoverschrijding omdat hij in de veronder- stelling verkeerde dat indiening van het beroepschrift binnen zes weken betekende dat het beroepschrift binnen zes weken ter post moet zijn bezorgd (en aangetekend, om te kunnen bewijzen dat het schrijven daadwerkelijk verzonden is). Opposant heeft in dat verband nog aangegeven niet bekend te zijn geweest met het feit dat een beroepschrift niet later dan één week na afloop van de termijn ontvangen moet zijn. Opposant heeft bewust gekozen voor toezending van het beroepschrift per post aangezien hij er vanuit ging dat officiële stukken, waaronder het beroepschrift, voorzien moesten zijn van een vereiste geldige ondertekening en alleen per post, opgestuurd dienden te worden en niet op andere wijze zoals per fax. Indien opposant zou hebben geweten dat hij het beroepschrift per fax kon toezenden zou hij dit gedaan hebben. Dat het beroepschrift laat in de beroepstermijn is verzonden heeft opposant toegeschreven aan het feit dat hij een drukke baan heeft, alsmede aan het overlijden van zijn schoonmoeder in die periode. Hetgeen door opposant is aangevoerd vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om het verzuim van opposant te verontschuldigen en de Raad tot een ander oordeel te leiden dan hetwelk is neergelegd in zijn uitspraak van 14 november 2003. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant in verzuim is geweest. De Raad acht daarbij van belang dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 6:9 van de Awb blijkt dat in een geval als het onderhavige onder omstandigheden wel sprake kan zijn van een verschoonbare termijnoverschrijding, maar dat zulks niet aangenomen kan worden wanneer de gekozen wijze van verzending een niet te verwaarlozen risico in zich draagt dat het geschrift langer dan een week onderweg is. Mede gelet op hetgeen in het verzetschrift is aangegeven en de inhoud van het dossier was opposant bekend met de postverwerking van de Chileense officiële postdienst, waardoor voornoemde termijnoverschrijding met inachtneming van het hiervoor overwogene voor risico van opposant dient te komen. De Raad overweegt daartoe dat opposant ter sauvering van de beroepstermijn een voorlopig beroepschrift per fax had kunnen indienen. De Raad stelt voorts vast dat, blijkens vaste jurisprudentie, onbekendheid met de wettelijke bepalingen en met de wijze waarop een beroepschrift ingediend kan worden, niet kunnen leiden tot het oordeel dat de termijnoverschrijding opposant niet kan worden tegengeworpen. Ook de overige door opposant aangevoerde omstandigheden vormen naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om het overschrijden van de beroepstermijn verschoonbaar te achten. Gezien het vorenstaande dient het verzet met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet, in samenhang met het vijfde lid van artikel 8:55 van de Awb ongegrond te worden verklaard. Gelet op het zesde lid van het laatstgenoemd artikel blijft de uitspraak waartegen verzet is gedaan in stand. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het verzet ongegrond. Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2004. (get.) M.M. van der Kade. (get.) M.F. van Moorst.