Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO8251

Datum uitspraak2004-04-01
Datum gepubliceerd2004-06-21
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
ZaaknummersAWB 03/2400
Statusgepubliceerd


Indicatie

Eisers hebben bij het Waterschap Rivierenland ontheffing aangevraagd van het in de Keur van het waterschap neergelegde verbod om binnen de kernzone en beschermingszones beplantingen aan te brengen of te hebben.

Hoger beroep wegens termijoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector bestuursrecht Registratienummer: AWB 03/2400 Uitspraak ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen: [eiser 1] en [eiser 2], wonende te [woonplaats], eisers, en het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland, verweerder. 1. Aanduiding bestreden besluit Besluit van verweerder van 7 augustus 2003. 2. Procesverloop Op 25 juli 2002 hebben eisers bij het Waterschap Rivierenland ontheffing aangevraagd van het in de Keur van het waterschap neergelegde verbod om binnen de kernzone en beschermingszones beplantingen aan te brengen of te hebben. Bij besluit van 1 november 2002, verzonden op 13 november 2002, heeft verweerder de gevraagde ontheffing geweigerd. Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het op 16 december 2002 ingediende bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd. Tegen dit besluit is beroep ingesteld en door verweerder is een verweerschrift ingediend. Naar deze en de overige door partijen ingebrachte stukken wordt hier kortheidshalve verwezen. Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 19 februari 2004. Eisers zijn aldaar in persoon verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H. van Ginkel, ambtenaar bij het waterschap. 3. Overwegingen In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan. Ingevolge artikel 1 van de Waterschapswet hebben waterschappen de waterstaatkundige verzorging van een bepaald gebied ten doel. De taken die tot dit doel aan waterschappen zijn of worden opgedragen betreffen volgens het tweede lid de waterkering en/of de waterhuishouding. Ingevolge artikel 8, aanhef en onder d, van de Keur van het Waterschap Rivierenland (hierna: de Keur) wordt onder beschermingszone verstaan de gronden grenzend aan kernzones en dienend voor het uitvoeren van onderhoud aan en ter bescherming van het profiel van wateren. Onder kernzone wordt blijkens artikel 8, aanhef en onder c van de Keur verstaan het centrale gedeelte van de wateren die als zodanig in de legger zijn aangegeven. Artikel 14, eerste lid, onder e ten derde, van de Keur bepaalt dat het is verboden binnen de kernzone en de beschermingszones beplantingen en gewassen, aan te brengen, te hebben of te rooien. Binnen de beschermingszones zijn éénjarige gewassen toegelaten. Bij watergangen, waarvan het onderhoud bij de legger is opgedragen aan het waterschap (A-watergangen), zijn met uitzondering van gras geen gewassen toegelaten binnen een strook van 1 m., gerekend vanuit de aangrenzende kernzone. Ingevolge artikel 15 van de Keur kan het bestuursorgaan van de in deze Keur gestelde gebods- en verbodsbepalingen ontheffing verlenen. In de door verweerder gehanteerde Beleidsregels inzake de ontheffing- en vergunningverlening van waterschap Rivierenland is in de paragraaf ‘Bomen’ bepaald dat ontheffing voor het planten van bomen binnen de beschermingszone langs de insteek van de watergang slechts mogelijk is onder (voor zover thans relevant) de volgende voorschriften: - De bomen dienen 1,5 meter uit de insteek van de watergang te worden aangebracht. Dit kan meer zijn, maar is afhankelijk van het soort. De hart op hart afstand van de bomen dient minimaal 15 meter te bedragen. - Achter de bomen moet een onderhoudspad van 4 meter beschikbaar blijven. Eisers zijn eigenaar van het perceel [adres] te [woonplaats](kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie […], nummer […]), welk perceel is bebouwd met een woonhuis, en het tegenover voornoemd perceel gelegen grasland (kadastraal bekend gemeente Maasdriel, sectie […], nummer […]). Beide percelen worden gescheiden door een watergang. In maart 2000 heeft een medewerker van het Polderdistrict Groot Maas en Waal (thans Waterschap Rivierenland) onder meer geconstateerd dat eisers drie bomen (leilinden) hebben geplant op hun huisperceel tussen de woning en de watergang. Bij schrijven van 14 maart 2001 zijn eisers erop geattendeerd dat door de aanwezigheid van de bomen de Keur wordt overtreden en dat men, gezien de afstanden, niet voor een ontheffing in aanmerking komt. Op 2 april 2002 hebben eisers ontheffing voor onder meer de drie leilinden gevraagd. Deze aanvraag is bij besluit van 2 mei 2002 op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gelaten. Zoals hierboven is aangegeven hebben eisers op 25 juli 2002 opnieuw een aanvraag ingediend. Aan de besluiten van 1 november 2002 en 7 augustus 2003 ligt ten grondslag dat de bomen niet voldoen aan de criteria van de Keur en voormelde beleidsregels aangezien achter de bomen geen vrije strook van 4 meter breed aanwezig is. Mede op aandringen van eisers heeft verweerder zich (in afwijking van het beleid) op het standpunt gesteld dat ontheffing niettemin zal worden verleend indien eisers bereid zijn een zakelijk recht (erfdienstbaarheid) te vestigen op het tegenover-liggende perceel, zodat onderhoud vanaf de overzijde gegarandeerd is. Eisers zijn hiertoe volgens verweerder niet bereid gebleken. Verweerder acht geen redenen aanwezig om ten gunste van eisers verder af te wijken van de beleidsregels. Eisers hebben het besluit van 7 augustus 2003 gemotiveerd bestreden. Op hun standpunten zal de rechtbank hierna, voor zover nodig, ingaan. De rechtbank overweegt als volgt. Niet in geschil is dat de bomen gezien hun positionering niet voldoen aan de afstandsnormen in de Keur en de beleidsregels. De rechtbank acht deze beleidsregels niet kennelijk onredelijk of anderszins rechtens onjuist. Voorts moet worden vastgesteld dat verweerder bij het al dan niet verlenen van ontheffing beschikt over beleidsvrijheid, zodat een terughoudende toetsing van dergelijke besluiten door de rechter is aangewezen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gesteld dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen dat het belang van onderhoud van de watergang prevaleert boven het belang van eisers bij het planten van de bomen. Daarbij is van belang dat de bomen in meerdere opzichten niet voldoen aan de afstandscriteria uit de Keur en de beleidsregels. Zo staan de bomen minder dan de voorgeschreven 1.50 meter van de waterkant en bedraagt de hart op hart afstand veel minder dan de voorgeschreven 15 meter. Beide aspecten worden niet aan eisers tegengeworpen indien zij bereid zijn een erfdienstbaarheid te vestigen. De rechtbank kan niet inzien dat verweerder zich aldus onredelijk heeft opgesteld. Hetgeen eisers hebben gesteld impliceert dat verweerder nog verder van het beleid zou moeten afwijken en daarvoor bestaat geen grond. Eisers zijn van mening dat een erfdienstbaarheid overbodig is omdat zij verweerder nu al onbeperkt toegang verlenen op hun perceel aan de overzijde voor het plegen van onderhoud aan de watergang. Voorts achten zij, onder verwijzing naar het beleid met betrekking tot emissieschermen, het sluiten van een overeenkomst, inhoudende dat verweerder te allen tijde vanaf de overzijde van de watergang onderhoudswerkzaamheden kan plegen, voldoende. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een erfdienstbaarheid noodzakelijk is, opdat ook opvolgend zakelijk gerechtigden van het tegenoverliggend perceel gebonden zijn. Om die reden kan niet worden gesteld dat verweerder genoegen zou moeten nemen met een overeenkomst. Emissieschermen beogen mede de belangen van verweerder te beschermen, zodat niet gezegd kan worden dat verweerder op dat punt ten onrechte een afzonderlijk beleid hanteert. De rechtbank is voorts niet gebleken dat verweerder het gelijkheids-beginsel heeft geschonden door de onderhavige aanvraag anders te behandelen dan andere aanvragen onder het regime van de beleidsregels. Vast staat dat op het moment dat de bomen werden geplant (2000) een ontheffingsplicht gold op grond van een voorganger van de Keur. Namens verweerder is ter zitting gesteld dat voorafgaand aan 2002 met betrekking tot aanvragen een beleid werd gehanteerd dat gelijk is aan de schriftelijke beleidsregels van 2002 op basis van de Keur. Eisers hebben het tegendeel niet aannemelijk kunnen maken. Deze beleidsregels zijn derhalve van toepassing op de bomen van eisers. Voor zover eisers hebben betoogd dat verweerder voor wat betreft het al of niet gedogen van situaties met twee maten meet, stelt de rechtbank vast dat het bestreden besluit geen betrekking heeft op handhaving. Eisers hebben zich voorts beroepen op het vertrouwensbeginsel en hebben in dat verband verwezen naar mondelinge uitlatingen van een ambtenaar van het waterschap in mei 2001. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. Nu de betreffende ambtenaar niet bevoegd was op aanvragen als de onderhavige te beslissen kunnen zijn uitlatingen verweerder in beginsel niet binden. Voorts is van belang dat de onderhavige aanvraag meer dan een jaar na de gestelde toezeggingen is ingediend en dat de rechtsvoorganger van verweerder in voormelde brief van 14 maart 2001 (derhalve twee maanden voor de mededelingen van de ambtenaar) expliciet heeft aangegeven dat men niet voor een ontheffing in aanmerking kwam. Reeds gelet hierop moet de waarde van deze mededelingen sterk worden gerelativeerd. Bovendien heeft de betreffende ambtenaar volgens eisers gesteld dat de bomen onder een aantal voorwaarden mochten blijven staan, mits dit zou worden gemeld aan verweerder. Hiervan uitgaande moet worden vastgesteld dat de mededelingen hooguit relevant kunnen zijn voor eventueel handhavend optreden door verweerder, en niet voor een beslissing op een ontheffingsaanvraag. Niet aannemelijk ten slotte acht de rechtbank dat de ambtenaar heeft medegedeeld dat met een melding kon worden volstaan. Zoals hiervoor reeds is overwogen gold in 2001 immers reeds een wettelijke ontheffingsplicht en de ambtenaar moet worden geacht daarvan op de hoogte te zijn geweest. Hetgeen eisers voor het overige nog hebben aangevoerd kan niet leiden tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen beslissen de ontheffing te weigeren. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel, dat de stellingen van eisers tegen het bestreden besluit geen doel treffen. Het beroep dient mitsdien ongegrond te worden verklaard. De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing. 4. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. J.J. Penning, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Vermeulen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 1 april 2004. . De griffier, De rechter, Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen 6 weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage. Verzonden op: 9 april 2004