Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO8977

Datum uitspraak2004-05-06
Datum gepubliceerd2004-05-06
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/757708-03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verdachte is, in vereniging met zijn twee zoons, een achttiental vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel voor Nederland behulpzaam geweest bij hun verblijf in Nederland. Verdachte had ernstige redenen te vermoeden dat deze vreemdelingen geen geldige verblijfstitel hadden. Zijn hulp bestond in het bijzonder uit het verschaffen van gelegenheid en middelen door aan de vreemdelingen woonruimte te verschaffen. Hiertoe werden panden door de verdachte en zijn mededaders aangekocht teneinde aan een groot aantal personen te verhuren. Door op de hiervoor omschreven wijze mee te werken aan illegaal verblijf van personen hier te lande heeft verdachte het belang dat de openbare orde heeft bij uitblijven van dergelijke medewerking geschonden. Dat belang is gelegen in de mogelijkheid voor de overheid om een gereguleerd asielbeleid te kunnen voeren. Verdachte heeft zijn diensten verleend om daarmee zelf extra inkomen te verwerven. Aldus is door hem uit winstbejag gehandeld. Het handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen - in het bijzonder het belang bij een menswaardige behandeling - ondergeschikt worden gemaakt aan het belang bij winst. Naast bovengenoemde misdrijven heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen op grond van de bouwverordening van de gemeente Den Haag. Hij heeft samen met zijn mededaders steeds zonder gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders meerdere panden in gebruik gehad waarin aan meer dan vier personen verblijf werd verschaft. Voorts heeft hij toegestaan dat die panden werden bewoond door meer dan één persoon per 12 vierkante meter. Aldus is door toedoen van verdachte een situatie ontstaan waarin personen onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest werden. De woningen waren veel te klein voor het grote aantal bewoners dat erin werd gehuisvest. Hierdoor is tevens een zeer brandgevaarlijke situatie ontstaan.


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (VERKORT VONNIS) parketnummer 09/757708-03 rolnummer 0001 's-Gravenhage, 6 mei 2004 De rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, heeft het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres]. De terechtzitting. Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 26 maart 2004 en 22 april 2004. De verdachte, bijgestaan door zijn raadsman mr J.P.H. Thissen, advocaat te 's-Gravenhage, is ter terechtzitting verschenen en gehoord. De officier van justitie mr Meissen heeft gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Voorts heeft de officier van justitie gevorderd dat de verdachte terzake van het onder 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot twee geldboetes van elk € 1.000,-, bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de duur van 20 dagen. De officier van justitie heeft tevens gevorderd dat de blijkens de lijst van inbeslaggenomen, niet teruggegeven voorwerpen - hierna te noemen beslaglijst, waarvan een fotokopie, gemerkt C, aan dit vonnis is gehecht - onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerpen vermeld onder nummers 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10 zullen worden teruggegeven aan de verdachte. De tenlastelegging. Aan de verdachte is tenlastegelegd - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - hetgeen is vermeld in de ingevoegde fotokopie van de dagvaarding, gemerkt A, en van de vordering wijziging tenlastelegging, gemerkt A1. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. Ter terechtzitting van 22 april 2004 heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde en derhalve niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De raadsman heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het navolgende aangevoerd. 1. Op 27 november 2003 is binnengetreden in de woningen aan de [adressen]. Op grond van het requisitoir van de officier van justitie ter terechtzitting is komen vast te staan dat de machtigingen tot binnentreden niet meer te achterhalen zijn. De betreffende machtigingen bevinden zich in ieder geval niet in het dossier en zijn derhalve niet toetsbaar aan de voorschriften van de Algemene wet op het binnentreden. Op grond hiervan dient te worden geconcludeerd dat de binnentredingen op 27 november 2003 op onrechtmatige wijze hebben plaatsgevonden. Aldus is er sprake van een ernstige schending van de beginselen van goede procesorde waarbij doelbewust of met grove verontachtzaming van de belangen aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. 2. Op 9 en 17 december 2003 zijn de woningen aan de [adressen] respectievelijk [adressen] binnengetreden. Door de burgemeester van de gemeente Den Haag waren ten behoeve van deze binnentredingen machtigingen verleend aan P. den Braber en A. Hoogendoorn van de gemeentelijke dienst Stedelijke Ontwikkeling. Uit het dossier is komen vast te staan dat genoemde medewerkers van de gemeentelijke dienst Stedelijke Ontwikkeling werden vergezeld door onder meer de politie. Nu de machtigingen niet conform het bepaalde in artikel 8 van de Algemene wet op het binnentreden uitdrukkelijk bepaalt dat de gemachtigden zich konden doen vergezellen door de politie, moet worden geconcludeerd dat de politie niet bevoegd was genoemde panden te betreden. 3. In strijd met het bepaalde in artikel 10 van de Algemene wet op het binnentreden bevinden de verslagen omtrent het binnentreden op 27 november 2003 van de panden aan de [adressen] zich niet in het dossier. 4. Niet gebleken is dat de verslagen omtrent het binnentreden zijn gezonden aan degene die de machtiging heeft gegeven alsmede aan de bewoner, zoals voorgeschreven in artikel 11 van de Algemene wet op het binnentreden. De officier van justitie heeft in haar requisitoir aangegeven dat de verslagen niet op de voorgeschreven wijze zijn verzonden. 5. De in de woningen aangetroffen illegaal in Nederland verblijvende personen zijn aan de vreemdelingenpolitie overgedragen en vervolgens Nederland uitgezet. De verdediging heeft niet de mogelijkheid gehad deze personen, die als getuigen in de onderhavige zaak verklaringen hebben afgelegd, te horen omtrent de rechtmatigheid van hun verhoren en de inhoud van het gezegde. Dit is in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde. Op grond van de voorgaande omstandigheden - in onderling verband en samenhang bezien - is er naar het oordeel van de raadsman sprake van een ernstige schending van de beginselen van goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan, op grond waarvan het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt daartoe het navolgende. Ten aanzien van het onder 1. gestelde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de politie jegens verdachte op onrechtmatige wijze opgetreden, nu is komen vast te staan dat de machtigingen tot binnentreden op 27 november 2003 zich niet meer in het dossier bevinden en derhalve niet meer getoetst kunnen worden aan de bepalingen van de Algemene wet op het binnentreden. Nu door de verdediging niet het verweer is gevoerd dat het ervoor moet worden gehouden dat de machtigingen in het geheel niet aanwezig zijn geweest gedurende de binnentredingen op 27 november 2003 en voorts uit de ambtsedig opgemaakte processen-verbaal blijkt dat de machtigingen wel verleend en aanwezig waren, overweegt de rechtbank dat onder de omstandigheden van de onderhavige zaak niet gesteld kan worden dat de politie ten aanzien van de verdachte welbewust op een oneigenlijke wijze gebruik heeft gemaakt van de ingrijpende bevoegdheid tot binnentreden van een woning. De omstandigheid dat de machtigingen - die ten tijde van de binnentredingen wel verleend en aanwezig waren - zich thans niet in het dossier bevinden acht de rechtbank geen zodanig ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Ten aanzien van het onder 2. gestelde. Artikel 9 van de Algemene wet op het binnentreden bepaalt dat degene die bevoegd is zonder toestemming van de bewoner binnen te treden, zich de toegang tot of de doorgang in de woning kan verschaffen en daartoe zo nodig de hulp van de sterke arm kan inroepen. Hiervoor is het niet noodzakelijk dat de machtiging uitdrukkelijk bepaalt dat de gemachtigde zich door de politie kunnen doen vergezellen. Naar het oordeel van de rechtbank was de politie derhalve op grond van artikel 9 van de Algemene wet op het binnentreden bevoegd om op 9 december 2003 en 17 december 2003 genoemde panden te betreden. Ten aanzien van het onder 3. en 4. gestelde. Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat de voorschriften genoemd in de artikelen 10 en 11 van de Algemene wet op het binnentreden niet zijn nagekomen. Naar het oordeel van de rechtbank strekken deze voorschriften tot bescherming van de belangen van de bewoner wiens woning wordt binnengetreden. Nu uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 22 april 2004 is komen vast te staan dat hij in de maand december 2003 woonachtig was in een woning aan de [adres] - zijnde een woning die niet in het kader van de onderhavige zaak is binnengetreden - kan niet worden gezegd dat hij is getroffen in een belang dat de overtreden normen beoogt te beschermen. Ten aanzien van het onder 5. gestelde. De rechtbank is niet gebleken dat de verdediging in enige stand van het onderzoek - noch voor aanvang van het onderzoek ter terechtzitting, noch tijdens het onderzoek ter terechtzitting - de wens kenbaar heeft gemaakt de betreffende getuigen te kunnen ondervragen. Onder deze omstandigheid kan de verdediging zich niet eerst bij pleidooi met succes op een dergelijk verweer beroepen. Het feit dat de illegaal in Nederland verblijvende getuigen na overdracht aan de vreemdelingenpolitie Nederland zijn uitgezet zonder door de verdediging te zijn gehoord, doet daaraan niets af. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet gesteld worden dat sprake is van een zodanig ernstige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak tekort is gedaan. Gelet op het voorgaande is van een zodanige schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde, welke tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou moeten leiden, dan ook geen sprake. Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in zijn vervolging. Vrijspraak. De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 2 is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken. Verweer onrechtmatig verkregen bewijs. Ter terechtzitting van 22 april 2004 heeft de raadsman van de verdachte, op de gronden 1, 2, 3, 4 en 5 als hiervoor vermeld onder 'Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging', betoogd dat er sprake is van een ernstige schending van de beginselen van goede procesorde waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. De raadsman heeft voorts het verweer gevoerd dat de officier van justitie verantwoordelijk dient te worden gehouden voor de onrechtmatige binnentredingen, waardoor ook het op basis van de binnentredingen verkregen bewijsmateriaal vruchten zijn van die onrechtmatigheid en derhalve niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman van de verdachte en overweegt daartoe dat de rechtbank op de gronden als hiervoor onder 'Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging' vermeld, evenmin aanleiding ziet te komen tot uitsluiting van enig bewijsmiddel. De bewijsmiddelen. P.M. De bewezenverklaring. Door de voormelde inhoud van vorenstaande bewijsmiddelen - elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft - staan de daarin genoemde feiten en omstandigheden vast. Op grond daarvan is de rechtbank tot de overtuiging gekomen en acht zij wettig bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande, dat de rechtbank bewezen acht - en als hier ingelast beschouwt, zulks met verbetering van eventueel in de tenlastelegging voorkomende type- en taalfouten, zoals weergegeven in de bewezenverklaring, door welke verbetering de verdachte niet in de verdediging is geschaad - de inhoud van de tenlastelegging, zoals deze is vermeld in de fotokopie daarvan, gemerkt B. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en van de verdachte. Ter terechtzitting van 22 april 2004 heeft de raadsman van de verdachte het verweer gevoerd dat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Hiertoe heeft de raadsman allereerst aangevoerd dat een essentieel deel van het bewezen verklaarde onder 1 primair niet valt onder de delictsomschrijving van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsman gesteld dat het onderdak bieden aan illegalen (sec) als zodanig niet valt onder de reikwijdte van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. Slechts indien dit verschaffen van onderdak onderdeel is of gelieerd is aan een organisatie of keten van mensensmokkelaars valt het verschaffen van onderdak aan illegalen onder genoemde delictsomschrijving, aldus de raadsman. Voorts heeft de raadsman betoogd dat artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht in strijd is met het legaliteitsbeginsel, zoals opgenomen in artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, artikel 7, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 15, eerste lid, van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. De rechtbank verwerpt de verweren van de raadsman en overweegt hiertoe het navolgende. De stelling van de raadsman dat slechts het onderdak bieden aan illegalen strafbaar zou zijn op grond van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht indien dit wordt begaan als onderdeel van of gelieerd aan een organisatie of keten van mensensmokkelaars vindt geen steun in het recht. Volgens het arrest van de Hoge Raad van 7 april 1998 is de stelling dat zij die, zonder betrokkene behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, hem behulpzaam zijn bij zijn wederrechtelijk verblijf in Nederland, niet op grond van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht zouden kunnen worden gestraft, gelet op artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht, niet juist. Ten aanzien van de stelling dat artikel197a van het Wetboek van Strafrecht in strijd is met het legaliteitsbeginsel overweegt de rechtbank dat de aard en inhoud van de aan de in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht vervatte strafbaarstelling ten grondslag liggende norm enerzijds een zekere vaagheid in de delictsomschrijving onvermijdelijk maakt, terwijl anderzijds de norm voldoende concreet is om de burger in staat te stellen zijn gedrag daarop af te stemmen. Onder de omstandigheden van de onderhavige zaak is het voor de verdachte duidelijk geweest dat zijn handelen in strijd was met het bepaalde in artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht. De toepassing van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht is derhalve niet in strijd met het eerdergenoemde beginsel of de eerder genoemde verdragsbepaling. Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar. De verdachte is deswege strafbaar, nu geen strafuitsluitingsgronden aannemelijk zijn geworden. Strafmotivering. Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Voorts wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte is, in vereniging met zijn twee zoons, een achttiental vreemdelingen zonder geldige verblijfstitel voor Nederland behulpzaam geweest bij hun verblijf in Nederland. Verdachte had ernstige redenen te vermoeden dat deze vreemdelingen geen geldige verblijfstitel hadden. Zijn hulp bestond in het bijzonder uit het verschaffen van gelegenheid en middelen door aan de vreemdelingen woonruimte te verschaffen. Hiertoe werden panden door de verdachte en zijn mededaders aangekocht teneinde aan een groot aantal personen te verhuren. Door op de hiervoor omschreven wijze mee te werken aan illegaal verblijf van personen hier te lande heeft verdachte het belang dat de openbare orde heeft bij uitblijven van dergelijke medewerking geschonden. Dat belang is gelegen in de mogelijkheid voor de overheid om een gereguleerd asielbeleid te kunnen voeren. Verdachte heeft zijn diensten verleend om daarmee zelf extra inkomen te verwerven. Aldus is door hem uit winstbejag gehandeld. Het handelen uit winstbejag vergroot het risico dat de belangen van de illegale vreemdelingen - in het bijzonder het belang bij een menswaardige behandeling - ondergeschikt worden gemaakt aan het belang bij winst. Naast bovengenoemde misdrijven heeft verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan meerdere overtredingen op grond van de bouwverordening van de gemeente Den Haag. Hij heeft samen met zijn mededaders steeds zonder gebruiksvergunning van burgemeester en wethouders meerdere panden in gebruik gehad waarin aan meer dan vier personen verblijf werd verschaft. Voorts heeft hij toegestaan dat die panden werden bewoond door meer dan één persoon per 12 vierkante meter. Aldus is door toedoen van verdachte een situatie ontstaan waarin personen onder erbarmelijke omstandigheden gehuisvest werden. De woningen waren veel te klein voor het grote aantal bewoners dat erin werd gehuisvest. Hierdoor is tevens een zeer brandgevaarlijke situatie ontstaan. Op grond van de ernst van de gepleegde feiten is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende reactie zou vormen. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder de omstandigheid dat de verdachte geen relevante justitiële documentatie op zijn naam heeft, zal de rechtbank echter terzake van het onder 1 primair bewezenverklaarde feit een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf, zoals na te melden, opleggen. Voorts is de rechtbank van oordeel dat terzake van de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten geheel onvoorwaardelijke geldboetes van na te melden hoogte passend en geboden zijn. Bij de vaststelling van de vermogensstraffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte. Inbeslaggenomen voorwerpen. De rechtbank zal de teruggave aan de verdachte gelasten van de blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen genummerd 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10. De toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen: - 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c, 47, 57, 62 en 197a van het Wetboek van Strafrecht; - 6.1.1, 7.1.1 en 12.1 van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag. Beslissing. De rechtbank, verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij; verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair, 3 en 4 tenlastegelegde feiten heeft begaan en dat het bewezenverklaarde uitmaakt: feit 1 primair: Uit gewoonte een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het verblijven in Nederland en hem daartoe uit winstbejag gelegenheid of middelen verschaffen terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is, terwijl het feit in vereniging wordt begaan door meerdere personen, meermalen gepleegd; feit 3: Overtreding van een voorschrift genoemd in artikel 6.1.1., eerste lid, van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag, zevenmaal gepleegd; feit 4: Overtreding van het voorschrift genoemd in artikel 7.1.1 van de Bouwverordening van de gemeente Den Haag, vijfmaal gepleegd; verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte deswege strafbaar; veroordeelt de verdachte terzake het onder 1 primair bewezenverklaarde feit tot: een gevangenisstraf voor de duur van ÉÉN JAAR; bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd, zulks onder de algemene voorwaarde, dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op 2 jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit; veroordeelt de verdachte terzake het onder 1 primair bewezenverklaarde feit tot: een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van TWEEHONDERD VEERTIG UREN; bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht; in verzekering gesteld op : 16 december 2003, in voorlopige hechtenis gesteld op : 19 december 2003, welke voorlopige hechtenis werd geschorst met ingang van : 23 januari 2004; bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag, zodat ÉÉNHONDERD VIERENZESTIG UREN resteren. beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van TWEEËNTACHTIG DAGEN; veroordeelt de verdachte terzake de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten tot: twaalf geldboetes van elk € 100,-, bij gebreke van betaling en verhaal telkens te vervangen door hechtenis voor de duur van TWEE DAGEN; gelast de teruggave aan de verdachte van de blijkens de aan dit vonnis gehechte beslaglijst inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9 en 10; heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij. Dit vonnis is gewezen door mrs Van den Broek, voorzitter, Sentrop en Bosma, rechters, in tegenwoordigheid van mr Kleijne, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 mei 2004. Mr Sentrop is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.