Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AO9998

Datum uitspraak2004-05-26
Datum gepubliceerd2004-05-26
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200307081/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 12 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) aan Bodewes Scheepswerven B.V. (thans: Bodewes Shipyards B.V., hierna: vergunninghouder) met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een kantoorgebouw op het perceel Werfkade 22 te Hoogezand (hierna: het perceel).


Uitspraak

200307081/1. Datum uitspraak: 26 mei 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 24 september 2003 in het geding tussen: appellant en het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 november 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Hoogezand-Sappemeer (hierna: het college) aan Bodewes Scheepswerven B.V. (thans: Bodewes Shipyards B.V., hierna: vergunninghouder) met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van een kantoorgebouw op het perceel Werfkade 22 te Hoogezand (hierna: het perceel). Bij besluit van 6 februari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 september 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 25 oktober 2003, bij de Raad van State ingekomen op 28 oktober 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 28 november 2003 heeft het college van antwoord gediend. Bij brief van 2 december 2003 heeft vergunninghouder van antwoord gediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2004, waar appellant in persoon, en het college, vertegenwoordigd door A. Kuiper, gemachtigde, zijn verschenen. Voorts is vergunninghouder, vertegenwoordigd door mr. E.R.M. Holtz-Russel, advocaat te Groningen, daar gehoord. 2. Overwegingen 2.1. Vergunninghouder exploiteert een bedrijf dat zich toelegt op – onder meer - de bouw van schepen. Het - inmiddels gerealiseerde - bouwplan voorziet in de uitbreiding van een bestaand, bij dit bedrijf reeds in gebruik zijnd kantoorgebouw tot op de zijdelingse grens met het perceel van appellant. De uitbreiding heeft een maximale hoogte van ongeveer 3,75 m. Op het perceel van appellant bevindt zich op korte afstand van genoemde perceelsgrens een kas waarin appellant bij wijze van hobby druiven teelt. 2.2. Ingevolge het bestemmingsplan “Spoorbaan-Industrieweg (herziening uitbreidingsplan in onderdelen)” rust op het perceel de bestemming “Industrieterrein”. Ingevolge artikel 4 van de planvoorschriften mogen op de grond, waarop ingevolge het plan de bestemming “Industrieterrein” is gelegd, uitsluitend ten dienste van en in verband met handel, nijverheid en het verkeer bedrijfsgebouwen worden gebouwd, zoals industrieflats, laboratoria, pakhuizen, magazijnen, loodsen, schuren, werkplaatsen en andere handelsinrichtingen en daarbij behorende kantoren, dienst- of bedrijfswoningen en bedrijfsgarages, alsmede de daarbij behorende bijgebouwen, met dien verstande dat: <…> f. indien op de kaart geen andere maten zijn aangegeven, de afstand van ieder gebouw tot een zijdelingse perceelsgrens tenminste 1,50 m zal bedragen. g. de goothoogte der gebouwen ten hoogste 8 m mag bedragen. 2.3. Anders dan appellant betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het bouwplan wat betreft het beoogde gebruik in overeenstemming is met artikel 4 van de planvoorschriften en alleen in strijd is met de in deze bepaling onder f voorgeschreven minimale afstand tot de zijdelingse perceelsgrens. Voorts is de rechtbank er met juistheid van uitgegaan dat, gelet op dit laatste artikelonderdeel en artikel 9 van de Woningwet, de in de gemeentelijke bouwverordening opgenomen voorschriften betreffende de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens niet van toepassing zijn. 2.4. Teneinde de realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college toepassing gegeven aan artikel 19, derde lid, van de WRO. Ingevolge deze bepaling kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen. Niet in geschil is dat sprake is van een geval, als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, sub 3, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985. 2.5. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid de vrijstelling heeft kunnen handhaven. 2.5.1. Voldoende aannemelijk is dat vergunninghouder belang heeft bij de realisering van het bouwplan. Daarentegen is niet gebleken van het bestaan van enig privaatrechtelijk recht aan de zijde van appellant dat aan de realisering van het bouwplan in de weg staat en door het college ten onrechte niet bij de belangenafweging is betrokken. Daartoe wordt overwogen dat in 1956 ten laste van de huidige percelen Werfkade 18 en 20, die destijds één perceel vormden, en ten gunste van de huidige percelen Werfkade 22 en 24, eveneens destijds één perceel vormend, een erfdienstbaarheid van licht is gevestigd. De splitsing van laatstgenoemde percelen in 1977 heeft er niet toe geleid dat het perceel Werfkade 22 sedertdien ten opzichte van het perceel Werfkade 24 als dienend erf heeft te gelden dan wel dat de eigenaar van het perceel Werfkade 22 om andere privaatrechtelijke redenen gehouden is de vrije doorgang van licht naar perceel 24 op generlei wijze te belemmeren. Nu de uitbreiding is gesitueerd ten noorden van de kas en zich in de zuidmuur ervan geen ramen bevinden, kan verder niet worden staande gehouden dat de uitvoering van het bouwplan leidt tot een onevenredige beperking van de inval van zonlicht in de kas van appellant dan wel een vermindering van privacy op zijn perceel. Bij dat laatste wordt nog opgemerkt dat de inmiddels gerealiseerde parkeerplaatsen geen deel uitmaken van de verleende bouwvergunning. Daarnaast heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat als gevolg van de uitvoering van het bouwplan hij onevenredig wordt beperkt in zijn mogelijkheden om onderhoud te plegen aan zijn kas. Gelet hierop en op hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht en in aanmerking nemend de ruime bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet kan worden staande gehouden dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid de vrijstelling mocht handhaven. Het betoog faalt derhalve. 2.5.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. 2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. P.J.J. van Buuren en mr. W.D.M. van Diepenbeek, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Boer, ambtenaar van Staat. w.g. Slump w.g. Boer Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2004 201.