Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP1220

Datum uitspraak2004-03-03
Datum gepubliceerd2004-06-09
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers103894
Statusgepubliceerd


Indicatie

Indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de vader dan is niet reeds op voorhand uit te sluiten dat er sprake kan zijn van een situatie waarin dezelfde door de dochter gestelde schade veroorzaakt is door onrechtmatige gedragingen van twee personen terwijl voor elk van deze gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden. In dat geval van samenlopende oorzaken moet uitgegaan worden van hoofdelijke verbondenheid van de vader en de zoon waarin, nu de vader in de hoofdzaak door de dochter voor het geheel van de schade wordt aangesproken, de verplichting van de zoon besloten ligt om de vader te vrijwaren van het voor zijn rekening komende deel van de schade. Of daartoe aanleiding is moet naar de maatstaf van artikel 6:101 BW tussen de partijen in het vrijwaringsgeding worden beoordeeld. Dat hangt af van de primaire causaliteitsafweging en -zonodig- de billijkheidscorrectie. In het incident kan daarop niet worden vooruit gelopen. Datzelfde geldt voor het verjaringsverweer van de dochter: dat moet, indien de zoon het zal voeren, in het vrijwaringsgeding worden beoordeeld.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 2003/1497 Datum vonnis: 3 maart 2004 Vonnis in de zaak van X, wonende te A, gemeente B, hierna te noemen: de dochter, eiseres in de hoofdzaak, verweerster in de vrijwaring, procureur en advocaat mr. A. van Bon-Moors te Nijmegen, tegen Y, wonende te A, gemeente B, hierna te noemen: de vader, gedaagde in de hoofdzaak, eiser in de vrijwaring, procureur B.J. Schadd te Arnhem advocaat mr. A.H.J. Damminga te Zwolle. Het verloop van de procedure In deze procedure is bij dagvaarding een eis ingesteld. Daarna zijn bij akte producties in het geding gebracht en is tevens de eis gewijzigd. De vader heeft daarop een incidentele conclusie van eis tot oproeping in vrijwaring genomen. Vervolgens heeft de dochter een incidentele conclusie van antwoord genomen in het vrijwaringsincident. Ten slotte is vonnis bepaald. Het geschil in de hoofdzaak en in de vrijwaring 1. De dochter vordert in de hoofdzaak na wijziging van de eis de veroordeling van de vader bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad tot betaling aan haar van een bedrag van € 198.789,16 als vergoeding van materiële en immateriële schade. Aan deze vordering legt de dochter het als onrechtmatig handelen te kwalificeren seksueel misbruik ten grondslag waarvoor de vader bij in kracht van gewijsde gegane strafrechtelijke uitspraak is veroordeeld, ten gevolge van welk seksueel misbruik de gestelde schade is en zal worden veroorzaakt. 2. De vader heeft voor alle weren incidenteel gevorderd te worden toegelaten tot de oproeping in vrijwaring van Walter Hugo Bak, hierna verder: de zoon, met de veroordeling van de dochter in de kosten van het incident. De vader stelt daartoe dat de zoon minstens mede-verantwoordelijk kan blijken te zijn voor de psychische stoornis van de dochter (indien deze stoornis althans het gevolg is van beweerdelijk gepleegd seksueel misbruik, hetgeen de vader in de hoofdzaak zal bestrijden) omdat de dochter in ieder geval met de zoon seksueel contact heeft gehad. Daarover heeft de zoon volgens de vader verklaard op de strafzitting van het gerechtshof te Arnhem op 19 september 2000. 3. De dochter weerspreekt de incidentele vordering gemotiveerd. De beoordeling van het geschil in de vrijwaring 4. Om een verzoek tot oproeping in vrijwaring te kunnen toewijzen is nodig dat de vordering tegen de waarborg afhankelijk is van de vordering in de hoofdzaak in die zin dat eerstgenoemde vordering alleen toewijsbaar zal zijn omdat in de hoofdzaak een voor de gewaarborgde ongunstig vonnis wordt gewezen. 5. Indien veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van de juistheid van de stellingen van de vader zoals weergegeven onder 2 dan is niet reeds op voorhand uit te sluiten dat er sprake kan zijn van een situatie waarin dezelfde door de dochter gestelde schade veroorzaakt is door onrechtmatige gedragingen van twee personen terwijl voor elk van deze gedragingen geldt dat de schade zonder die gedraging niet zou zijn ingetreden. In dat geval van samenlopende oorzaken moet uitgegaan worden van hoofdelijke verbondenheid van de vader en de zoon waarin, nu de vader in de hoofdzaak door de dochter voor het geheel van de schade wordt aangesproken, de verplichting van de zoon besloten ligt om de vader te vrijwaren van het voor zijn rekening komende deel van de schade. Of daartoe aanleiding is moet naar de maatstaf van artikel 6:101 BW tussen de partijen in het vrijwaringsgeding worden beoordeeld. Dat hangt af van de primaire causaliteitsafweging en -zonodig- de billijkheidscorrectie. In het incident kan daarop niet worden vooruit gelopen. Datzelfde geldt voor het verjaringsverweer van de dochter: dat moet, indien de zoon het zal voeren, in het vrijwaringsgeding worden beoordeeld. 6. Het verweer dat het geding in de hoofdzaak onredelijk zal worden vertraagd, wordt gepasseerd gelet op het belang van de vader bij het toestaan van de oproeping in vrijwaring. Hierbij is in aanmerking te nemen dat indien mocht blijken dat het geding in de hoofdzaak onredelijk wordt vertraagd, op grond van artikel 215 Rv splitsing van de hoofdzaak en de vrijwaringszaak mogelijk is. 7. Nu verder niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die zich verzetten tegen toewijzing van de vordering, zal de vordering tot oproeping in vrijwaring worden toegewezen. 8. De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden aangehouden tot de eindbeslissing in de hoofdzaak. De beslissing De rechtbank in het incident staat toe dat de zoon ten verzoeke van de vader met inachtneming van de wettelijk voorgeschreven termijn tegen na te noemen terechtzitting wordt gedagvaard teneinde op de eis tot vrijwaring te antwoorden en voort te procederen, houdt de beslissing over de proceskosten aan, in de hoofdzaak en in het incident bepaalt dat de hoofdzaak en, indien tot vrijwaring wordt gedagvaard en de zaak wordt aangebracht, ook de zaak tot vrijwaring zullen worden geplaatst op de rol van vier weken na heden, in de hoofdzaak voor het nemen van een conclusie van antwoord door de vader, verstaat dat van dit vonnis geen hoger beroep mogelijk is, houdt iedere verdere beslissing aan. Dit vonnis is gewezen door mr. J.T.G. Roovers en uitgesproken in het openbaar op woensdag 3 maart 2004. De griffier: De rechter: