Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP1286

Datum uitspraak2004-06-08
Datum gepubliceerd2004-06-10
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Arnhem
Zaaknummers21-006022-03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vereisten te stellen aan een telastelegging van een grote hoeveelheid transporten van verdovende middelen. Dagvaarding partieel nietig nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 261 Sv. Lidmaatschap van een criminele organisatie.


Uitspraak

Parketnummer: 21-006022-03 Uitspraak dd.: 8 juni 2004 TEGENSPRAAK Gerechtshof te Arnhem meervoudige kamer voor strafzaken Arrest gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank te Arnhem van 10 december 2003 in de strafzaak tegen [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], wonende te [woonplaats], thans verblijvende in [verblijfplaats]. Het hoger beroep De verdachte heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld. Onderzoek van de zaak Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 25 mei 2004 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg. Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I), na voorlezing aan het hof overgelegd, en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht. Het vonnis waarvan beroep Het hof zal het vonnis, waarvan beroep, vernietigen nu het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw recht doen. De telastelegging Aan verdachte is telastegelegd dat: (zie voor de inhoud van de dagvaarding bijlage II) Indien in de telastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging. Geldigheid van de dagvaarding - Met betrekking tot feit 1 Door de verdediging zijn de volgende verweren gevoerd: a) de telastelegging is partieel nietig, omdat een nadere omschrijving van de medeplegers ontbreekt; b) de telastelegging is partieel nietig, omdat het bestanddeel medeplegen niet naar behoren is omschreven. Het hof overweegt in dit verband als volgt: ad a: het hof is van oordeel, dat het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering niet met zich brengt dat nadere omschrijving van de medeplegers in de telastelegging, bijvoorbeeld door vermelding van hun naam, geboden is. Het verweer wordt verworpen. ad b: het hof is van oordeel, dat aan het in de eerste acht regels van het onder 1 telastegelegde mede feitelijke betekenis moet worden toegekend. In de daarop volgende beschrijving wordt gesteld dat (samengevat), verdachte met een of meer mededaders de koerier heeft geronseld, met die koerier contacten heeft gelegd en onderhouden, de koerier van het nodige heeft voorzien en opdrachten en instructies heeft gegeven en naar de luchthaven heeft gebracht of laten brengen, waarna die koerier met cocaïne van Brazilië naar Denemarken is gevlogen. Het hof is van oordeel dat aldus op begrijpelijke en met de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering verenigbare wijze is telastegelegd, dat verdachte zich met een ander of anderen heeft schuldig gemaakt aan poging tot invoer van hard drugs als bedoeld in artikel 2 lid 1 sub A van de Opiumwet. In het bijzonder het medeplegen is daarmee op rechtens aanvaardbare wijze in de telastelegging tot uitdrukking gebracht. Ook dit verweer wordt verworpen. - Met betrekking tot feit 2 Door de verdediging is het verweer gevoerd zoals hierboven ten aanzien van feit 1 onder b is omschreven. Het hof verwerpt het verweer op dezelfde gronden als hiervoor overwogen. - Met betrekking tot feit 3 Door de verdediging is het verweer gevoerd zoals hierboven ten aanzien van feit 1 onder b is omschreven. Het hof verwerpt het verweer op dezelfde gronden als hiervoor overwogen. Het hof stelt voorts ambtshalve vast dat de wijze van telasteleggen van feit 3, dat in feite bevat de zaaksdossiers 13, 136-2, 142 en 173 en welk laatste dossier niet minder dan 23 transporten bevat, weinig gelukkig is. Immers, dat feit bevat een groot aantal transporten van verschillende verdovende middelen naar en van een groot aantal verschillende plaatsen, uitgevoerd en gefaciliteerd door steeds wisselende combinaties van personen, ieder met zijn eigen rol en positie in het grotere geheel. Door een dergelijke wijze van telasteleggen wordt het verdachte aanmerkelijk bemoeilijkt om de verdediging adequaat toe te spitsen op de hem verweten gedragingen. Daarnaast is een op die wijze geredigeerde telastelegging, door zijn onbepaaldheid naar tijd, plaats en overige delictsbestanddelen, ongeschikt om te dienen als grondslag voor het onderzoek ter terechtzitting. Nu echter verdachte uit eigen beweging ter terechtzitting van het hof betrokkenheid bij een vijftal van de feiten uit zaaksdossier 173 heeft erkend en aldus blijk heeft gegeven de strekking van het hem telastegelegde ten aanzien van die feiten te begrijpen, kan de telastelegging voor die verweten gedragingen in zoverre worden aangemerkt als voldoende feitelijk en begrijpelijk. Het hof oordeelt de telastelegging van feit 3 voor het overige nietig, omdat het hof de telastelegging in zoverre als onvoldoende feitelijk en begrijpelijk aanmerkt. Bewezenverklaring Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat telastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 telastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat: (zie voor de inhoud van de bewezenverklaring bijlage III) Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken. Met betrekking tot feit 2 Door de verdediging is betoogd, dat de aard van de gesmokkelde substantie niet afdoende is gebleken. Het hof overweegt in dit verband het volgende. Het hof heeft acht geslagen op de verklaring van P., hierop neerkomende dat hem op Curaçao een legging, bevattende 800 à 1000 gram van een stof door P. beschreven als cocaïne, is verstrekt. Deze legging is door P. onder zijn kleding gedragen en daarmee is hij naar Nederland gereisd. Het is een feit van algemene bekendheid dat vanaf Curaçao op aanmerkelijke schaal cocaïne wordt gesmokkeld, onder meer in of onder kleding. Het is een bekend feit, dat bedrog in de cocaïnebusiness kan leiden tot harde represailles. Niet gesteld of gebleken is, dat de levering van (de legging met) cocaïne tot protesten bij de afnemers heeft geleid en kennelijk zijn alle betrokkenen bij de smokkeloperatie ervan uitgegaan, dat het daadwerkelijk om cocaïne ging. Het hof is van oordeel dat er op grond van deze omstandigheden in redelijkheid niet aan valt te twijfelen, dat de legging cocaïne heeft bevat. Het ontbreken van een rapport op dit punt kan daarom niet tot vrijspraak leiden. Het verweer wordt verworpen. Met betrekking tot de (methode van) stemherkenning Door de verdediging is betoogd, dat de gehanteerde methode van stemherkenning in de diverse getapte telefoongesprekken niet blijkt uit het dossier. Het hof overweegt in dit verband het volgende. Het verweer inzake de methode van stemherkenning wordt verworpen. In de processen-verbaal van de taps wordt telkens achter de naam (bijvoorbeeld de naam “Obi”) vermeld de letters “sh”, hetgeen -naar het hof begrijpt- betekent “stemherkenning”. Weliswaar ontbreekt een NFI-rapport inzake de karakteristieken van de gehoorde stemmen, maar het hof begrijpt dat, in overeenstemming met gevestigde en aanvaardbare politiepraktijk, hier sprake is geweest van herkenning van de stemmen door opsporingsambtenaren, samenwerkend met tolken, die met het afluisteren en vertalen van de telefoongesprekken waren belast. Nu verdachte niet geargumenteerd heeft aangegeven, dat bepaalde gesprekken niet door hem zijn gevoerd en, omgekeerd, van een aantal aan hem toegeschreven gesprekken ook ter zitting heeft bevestigd dat hij inderdaad aan die gesprekken deelnam, gaat het hof uit van de juistheid van de in het dossier vermelde stemherkenning. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde Met betrekking tot de feiten 1, 2 en 3 Door de verdediging is betoogd dat de telastelegging, nu het sec telasteleggen van het opdracht geven tot de invoer van drugs, ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3, zonder te komen tot een kwalificatie, een omschrijving van de deelnemingsvorm en zonder dat verdachte of een mededader heeft voldaan aan de bestanddelen van artikel 2 van de Opiumwet, geen strafbaar feit oplevert. Het hof overweegt in dit verband als volgt: Anders dan de raadsman is het hof van oordeel, dat het onder 1, 2 en 3 telastegelegde een strafbaar feit oplevert. Aan de raadsman kan worden toegegeven, dat het opdracht geven tot invoer van drugs op zichzelf niet zonder meer leidt tot handelen in strijd met artikel 2 van de Opiumwet oplevert, maar het onder 1 telastegelegde, in zijn geheel beschouwd en mede gelet op het hierboven onder het kopje ‘geldigheid van de dagvaarding’ ten aanzien van feit 1 onder b is overwogen, kan wel het medeplegen van een krachtens de Opiumwet strafbaar feit opleveren. Het verweer wordt daarom verworpen. Het bewezene levert op de misdrijven ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde: Het medeplegen van een poging tot: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde: Het medeplegen van: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod. ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde: Het medeplegen van: Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde: Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Strafbaarheid van de verdachte Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn. Oplegging van straf en/of maatregel Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen -en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden- dat verdachte uit puur winstbejag heeft meegewerkt aan de smokkel van cocaïne en heroïne. Dergelijke stoffen vormen, naar algemeen bekend is, een aanzienlijk gevaar voor de volksgezondheid, indien zij hun weg naar het maatschappelijk verkeer weten te vinden. Verdachte is als feitelijk medeleider betrokken geweest bij het runnen van een criminele organisatie welke tot doel had deze omvangrijke smokkel van verdovende middelen te organiseren, te faciliteren en voorts de financiële vruchten van deze smokkel te plukken. Hiertoe werden drugslijnen naar diverse Europese landen en naar Zuid-Amerika in stand gehouden, tengevolge waarvan in de loop der tijd aanzienlijke hoeveelheden verdovende middelen door een grote hoeveelheid transporten hun weg naar Europa hebben gevonden, onder begeleiding van en sturing door deze criminele organisatie. Aldus is feitelijk een internationaal netwerk van criminele organisaties van aanzienlijke omvang onderhouden. Het hof is van oordeel dat de georganiseerde handel van verdovende middelen, zeker op de schaal waarop zij in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, met kracht bestreden dient te worden. Voorts overweegt het hof, dat diverse door of middels verdachte geronselde koeriers in verschillende Europese landen zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van soms aanzienlijke duur. Verdachte heeft in het geheel geen rekening gehouden met het risico voor en, in geval van aanhouding, mogelijk lot van deze koeriers, maar heeft zich in zijn handelen, kennelijk vanuit de gedachte dat de koeriers vervangbaar waren, enkel laten leiden door winstbejag. Door op een dergelijke wijze te handelen heeft verdachte blijk gegeven de laakbaarheid van zijn handelen in het geheel niet in te zien. Verdachtes verklaring ter terechtzitting van dit hof, van betrokkenheid bij een vijftal feiten getuigt naar het oordeel van het hof evenmin van inzicht in het verwerpelijke van de door hem gepleegde feiten. Het hof is, gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur een passende sanctie kan zijn op de bewezenverklaarde feiten. Nu het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechter in eerste aanleg, zal het hof dat betrekken bij de strafoplegging. Het hof heeft bij de strafoplegging tevens in aanmerking genomen de vordering van de advocaat-generaal, uitgaande van een volledige bewezenverklaring van het onder 3 telastegelegde feit. In het licht van het voorgaande acht het hof een straf van na te melden duur passend en geboden. De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, alsmede de in beslag genomen geldbedragen, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 1 tot en met 4 telastegelegde en bewezenverklaarde is begaan. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Voor zover de goederen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring en niet reeds zijn teruggegeven aan verdachte, zal het hof de teruggave van deze goederen aan verdachte gelasten. Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 24, 33, 33a, 45, 47, 57 en 140 van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING Het hof: Vernietigt het vonnis, waarvan beroep, en doet opnieuw recht: Verklaart de dagvaarding in eerste aanleg ten aanzien van het onder 3 telastegelegde nietig, voor zover zij betrekking heeft op transporten uitgevoerd door andere dan de in de onder 3 van de bewezenverklaring genoemde personen. Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 telastegelegde heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is telastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar. Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren. Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht. de in beslag genomen voorwerpen Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de bijlage IV bij dit arrest genoemde goederen. Verklaart verbeurd de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven geldbedragen, te weten: de op de bijlage IV bij dit arrest genoemde geldbedragen. Gelast de teruggave aan verdachte van de inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op de bijlage V bij dit arrest genoemde goederen. Aldus gewezen door mr Roessingh-Bakels, voorzitter, mrs Denie en Besier, raadsheren, in tegenwoordigheid van mr Kuipers, griffier, en op 8 juni 2004 ter openbare terechtzitting uitgesproken. Mr Denie is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.