
Jurisprudentie
AP1761
Datum uitspraak2004-06-15
Datum gepubliceerd2004-06-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2928 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-06-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/2928 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Herziening WAO-uitkering na herbeoordeling.
Uitspraak
02/2928 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. F.E.H.M. van Aken, advocaat te Geleen, op bij beroepschrift (met bijlagen) vermelde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Maastricht op 22 april 2002 tussen partijen gegeven uitspraak
(reg.nr. AWB 2001/196 WAO Z), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Desverzocht heeft de orthopedisch chirurg M. Braakman aan de Raad als deskundige een rapport uitgebracht op 2 maart 2004.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 mei 2004, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1963, is laatstelijk werkzaam geweest als timmerman en is op 18 januari 1988 voor deze werkzaamheden uitgevallen als gevolg van rugklachten. Na het voltooien van de wachttijd van 52 weken zijn aan appellant uitkeringen toegekend ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet en de Wet op de arbeidsongeschikt- heidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
In 1999 heeft een zogeheten vijfdejaarsherbeoordeling plaatsgevonden. De uitkomst van het in dit verband verrichte medische en arbeidskundige onderzoek luidde dat appellant is aangewezen op rugsparende arbeid en dat, gezien de voor hem geldende resterende verdiencapaciteit, indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 15 tot 25% aan de orde is. Bij besluit van 22 oktober 1999 heeft gedaagde de WAO-uitkering van appellant per 29 november 1999 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Op basis van de door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige uitgebrachte rapporten zijn de bezwaren ongegrond verklaard bij besluit van 4 januari 2001 (hierna: het bestreden besluit).
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant naar voren gebracht, kort samengevat, dat met de door hem ondervonden rug- en nekklachten door gedaagde onvoldoende rekening is gehouden.
De Raad heeft aanleiding gezien om zich over de gezondheidstoestand van appellant nader te laten voorlichten. Daartoe is de orthopedisch chirurg M. Braakman tot deskundige benoemd. Deze deskundige heeft, na raadpleging van het dossier, het inwinnen van nadere informatie bij de behandelend sector en na appellant lichamelijk te hebben onderzocht, op 2 maart 2004 een rapport uitgebracht. In dit rapport heeft Braakman vermeld dat hij zich kan verenigen met de door de verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid van appellant en dat appellant op 29 november 1999 in staat kon worden geacht de hem voorgehouden functies te vervullen.
De Raad kent bij zijn oordeelsvorming doorslaggevende betekenis toe aan dit rapport van de onafhankelijke deskundige, dat naar het oordeel van de Raad op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en inzichtelijk is gemotiveerd.
Dit brengt mee dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de Raad geen aanleiding gezien.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P. van der Hoeven.

