
Jurisprudentie
AP1762
Datum uitspraak2004-06-15
Datum gepubliceerd2004-06-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3748 ZW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-06-16
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3748 ZW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Niet meer ongeschikt geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Geen reden voor twijfel aan de conclusie van de verzekeringsarts.
Uitspraak
02/3748 ZW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij brief van 4 juli 2001 is appellant vanwege gedaagde in kennis gesteld van een besluit, waarbij aan hem met ingang van 9 juli 2001 geen ziekengeld meer is toegekend, omdat hij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Bij besluit van 3 december 2001 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen voormeld besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft bij uitspraak van 20 juni 2002 ( Reg.nr. 01/2183 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. J.J. van Vliet, advocaat te Nijmegen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 4 mei 2004, waar namens appellant is verschenen mr. J.A.M. Heijnen, werkzaam op het kantoor van voornoemde advocaat en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. J.A.M. Anedda, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellant is op 27 februari 1999 wegens rugklachten arbeidsongeschikt geworden en terzake hiervan is aan hem, in aansluiting op de wachttijd van 52 weken, met ingang van 27 februari 2000 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Appellant werd destijds in staat geacht om rugsparende werkzaamheden te verrichten.
Appellant heeft zich met ingang van 18 december 2000 vanuit een uitkeringsituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld. Aan appellant is toen uitkering ingevolge de Ziektewet toegekend, omdat hij vanwege een intensieve dagbehandeling niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt en deswege vanaf 18 december 2000 arbeidsongeschikt werd geacht. Toen deze behandeling werd gestaakt, is appellant op het spreekuur van een verzekeringsarts van 29 juni 2001 met ingang van 9 juli 2001 hersteld verklaard.
In de bezwaarfase is appellant gezien door een bezwaarverzekeringsarts. Deze is na onderzoek van appellant en na kennis te hebben genomen van informatie van de behandelend revalidatie-arts, tot de conclusie gekomen dat appellant, gelet op de bekende rugbeperkingen, geschikt moest worden geacht voor licht fysieke arbeid, verbonden aan de hem voorheen in het kader van eerder bedoelde schatting voorgehouden functies, welke in dit geval als maatstaf voor de arbeid moeten worden aangemerkt.
Naar het oordeel van de Raad is de door de bezwaarverzekeringsarts getrokken conclusie, gelet op diens bevindingen bij onderzoek en op de overige medische gegevens voldoende onderbouwd. De Raad ziet in hetgeen van de zijde van appellant in hoger beroep is aangevoerd geen reden voor twijfel aan de conclusie van deze verzekeringsarts. De Raad wijst erop dat in de in hoger beroep overgelegde brief van 26 augustus 2002 van revalidatie-arts H. van der Linde wordt vermeld dat bij appellant sprake is van aspecifieke rugklachten. Deze klachten zijn ook door de betrokken verzekeringsartsen onderkend en nu er geen reden is om aan te nemen dat de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn onderschat, heeft de Raad geen aanleiding gezien voor een nader medisch onderzoek.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van mr. J.W.P van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.W.P van der Hoeven.

