Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP1945

Datum uitspraak2004-06-10
Datum gepubliceerd2004-06-18
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank Dordrecht
Zaaknummers11/005523/01 en 11/005202-00(tul)
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verlenging van een PIJ-maatregel met 2 jaar. Verwerping van het verweer van de raadsman, inhoudende dat het OM niet-ontvankelijk in haar vordering is. Volgens de raadsman zou art. 77t Sr. zich verzetten tegen een verlenging van de PIJ-maatregel, omdat deze aanvankelijk voorwaardelijk was opgelegd.


Uitspraak

RECHTBANK DORDRECHT Parketnummers: 11/005523/01 en 11/005202-00(tul) Beschikking op de vordering van de officier van justitie d.d. 13 april 2004, strekkende tot verlenging van de termijn van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met 2 jaar, van: [veroordeelde], geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], thans verblijvende in J.J.I. De Hunnerberg, Berg en Dalseweg 287, 6522 CH Nijmegen, hierna te noemen: de veroordeelde. De rechtbank heeft kennis genomen van: - het strafdossier van de veroordeelde met parketnummer 11/005523/01; - het strafdossier van de veroordeelde met parketnummer 11/005202-00; - het op 1 maart 2004 op grond van de artikelen 14 Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 en 77t, vijfde lid, onder a, van het Wetboek van Strafrecht, uitgebrachte advies, ondertekend door drs. J. van der Vlugt, algemeen directeur en drs. R. Meijering, int. locatiedirecteur De Veenpoort, verbonden aan de Justitiële Jeugdinrichting Het Poortje (hierna te noemen: Het Poortje), strekkende tot verlenging van de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met 2 jaar; - een afschrift van de wettelijke aantekeningen omtrent de lichamelijke en geestelijke gesteldheid van de veroordeelde, ingevolge artikel 77t, vijfde lid, onder b, van het Wetboek van Strafrecht, opgemaakt door De Hunnerberg, betrekking hebbend op de periode van 7 januari 2004 tot 19 februari 2004 en de periode van 19 februari 2004 tot 15 april 2004. Bij arrest van het gerechtshof te ‘s-Gravenhage d.d. 6 maart 2001 is onder meer de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voorwaardelijk opgelegd, ter zake van onder andere drie gevallen van diefstal voorafgegaan van geweld tegen personen. Bij beslissing van de rechtbank te Dordrecht, d.d. 26 maart 2002, is vervolgens onder meer de tenuitvoerlegging gelast van de voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. De behandeling van de vordering van de officier van justitie heeft op 28 mei 2004 met gesloten deuren plaatsgehad in raadkamer, ter gelegenheid waarvan de officier van justitie, de veroordeelde en diens raadsman, mr. L.J.H.M. van Mierlo, zijn gehoord. Voorts is ter zitting gehoord als getuige/deskundige drs. R.J. van Wetten, als gedragswetenschapper, locatie Veenpoort en verbonden aan Het Poortje. In het advies van Het Poortje wordt -zakelijk weergegeven- gesteld: Op basis van de huidige ons voorliggende gegevens zijn wij van mening dat er op grond van de problematiek van [veroordeelde] grote zorgen bestaan omtrent de behandeling en de toekomst. Het Poortje is van mening dat behandeling van [veroordeelde] gecontinueerd moet worden. [veroordeelde] geeft af en toe blijk van het feit dat zijn vaardigheden vergroot zijn, maar hij gebruikt deze ook voor het bereiken van zijn eigen doelen en belangen. [veroordeelde] is nog niet in staat om zijn agressie en impulsen onder controle te houden. De afpersingen van groepsgenoten, de dreigende taal en de werkelijk fysieke geweldplegingen naar groepsleiders lijken eerder een patroon dan incidenten. Dit los van de mishandeling die [veroordeelde] tijdens zijn onttrekking heeft gepleegd. [veroordeelde] heeft nooit werkelijke spijt ten opzichte van zijn gedrag en strafbare feiten betuigd. In het internaat werpt hij zich bijna altijd op als de leider en [veroordeelde] gebruikt deze positie voor eigen gewin en manipulatie. [veroordeelde] heeft nog steeds de neiging naar andere criminele jongeren te trekken. Waardoor de kans op recidive, bij terugplaatsing in het oude milieu of in de maatschappij, als risicovol moet worden ingeschat. Het feit dat [veroordeelde] niet gemotiveerd is voor behandeling maakt de kans op een geslaagde terugkeer in de maatschappij er niet groter op. Eerdere pogingen om [veroordeelde] te plaatsen in een open groep zijn vrij snel gestaakt omdat [veroordeelde] de vrijheid niet aankon en misbruik van de vrijheid en openheid maakte. [veroordeelde] wil nog steeds zelf bepalen wat er in zijn leven gebeurt, wat rechtvaardig is en of hij behandeld wordt of niet. Dit maakt de prognose voor de toekomst niet gunstiger en de kansen voor behandeling en later een resocialisatietraject niet groter. Het afdwingen van het stopzetten van de behandeling door het consequent niet meewerken mag bij een jongen met de problematiek van [veroordeelde] naar de mening van het Poortje niet beloond worden. Wij adviseren de rechtbank de Plaatsing in een Jeugdinrichting te verlengen met twee jaar met als doel de behandeling van de jeugdige te continueren. De raadsman van de veroordeelde heeft ter zitting gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is in haar vordering. De raadsman heeft daartoe aangevoerd, dat de derde volzin van artikel 77t, derde lid van het Wetboek van Strafrecht bepaalt dat de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen niet kan worden verlengd indien toepassing is gegeven aan art. 77x van het Wetboek van Strafrecht. Nu het gerechtshof te ’s-Gravenhage in het hiervoor genoemde arrest de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen - met toepassing van art. 77x van het Wetboek van Strafrecht - voorwaardelijk heeft opgelegd, kan naar de opvatting van de raadsman de maatregel thans niet worden verlengd en dient de officier van justitie niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering. De raadsman wijst daarbij op een beslissing van de rechtbank Amsterdam van 26 november 2001, Nieuwsbrief Strafrecht 2001, nr. 310. De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe als volgt. Het gerechtshof te ’s-Gravenhage heeft bij meergenoemd arrest de maatregel opgelegd en daarbij – kennelijk op de voet van artikel 77x lid 1 van het Wetboek van Strafrecht - bevolen dat deze niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de (thans) veroordeelde zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de daar vermelde bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd. De rechtbank te Dordrecht heeft op 26 maart 2002 de tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde maatregel gelast op basis van artikel 77dd Wetboek van Strafrecht. De rechtbank is van oordeel dat het door de raadsman van de veroordeelde ingeroepen artikel 77t, derde lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafrecht in casu niet van toepassing is. De bedoelde bepaling heeft naar het oordeel van de rechtbank enkel betrekking op het geval waarin de verlenging aan de orde is van een maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen die - met toepassing van art. 77x van het Wetboek van Strafrecht - geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk is opgelegd. Artikel 77t, derde lid, derde volzin, van het Wetboek van Strafrecht staat eraan in de weg dat in zo’n geval een verlenging plaatsvindt van die geheel voorwaardelijke dan wel van het onvoorwaardelijk gedeelte van de maatregel. In casu is een dergelijk geval in het geheel niet aan de orde nu sprake is (geweest) van tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen op basis van art. 77dd Wetboek van Strafrecht. Het door de raadsman aangevoerde staat derhalve niet in de weg aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in haar vordering tot verlenging. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier en het advies van Het Poortje, welk advies de rechtbank overneemt en tot de hare maakt, alsook hetgeen ter zitting door de getuige/deskundige is verklaard en het overige ter zitting verhandelde, voldoende is gebleken dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verlenging van de termijn van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met twee jaar vereist en dat verlenging in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de veroordeelde. De rechtbank neemt voorts in overweging dat de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen is opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal gelet op het voorgaande de vordering toewijzen. Van toepassing zijn de artikelen 77s, 77t en 77u van het Wetboek van Strafrecht. BESLISSING: De rechtbank verlengt de termijn van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [veroordeelde] met een periode van twee jaar. Deze beslissing is gegeven door: mr. I.M.A. de Graaf, voorzitter, tevens kinderrechter, mr. M.J.A. Plaisier en mr. I. Bouter, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P.M. van der Weijden, griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 juni 2004.