
Jurisprudentie
AP3269
Datum uitspraak2004-03-11
Datum gepubliceerd2004-06-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/755 WUBO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-06-24
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/755 WUBO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Te laat ingediende gronden bezwaar ambtshalve aangemerkt als verzoek om herziening. Strijd met strekking Awb?
Uitspraak
03/755 WUBO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 30 december 2002, kenmerk JZ/F/2002/1014, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dit besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld.
Bij brief van 8 april 2003 heeft verweerster een getuigenverklaring van mw. [naam getuige] toegezonden.
In het aanvullend beroepschrift (met bijlage) is uiteengezet waarom eiseres zich niet met het besluit kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft verweerster bij fax van 26 januari 2004 nadere stukken toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 januari 2004. Daar is eiseres niet verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. den Held, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Eiseres heeft in september 2000 bij verweerster een aanvraag ingediend om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet, en om toekenning van een toeslag als bedoeld in artikel 19 van de Wet alsmede een periodieke uitkering.
Bij besluit van 29 mei 2001 heeft verweerster deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van artikel 2, eerste lid, van de Wet.
Namens eiseres is hiertegen bij brief van 8 juli 2001 pro forma bezwaar gemaakt.
Bij brieven van 2 augustus 2001, 25 september 2001 en 27 november 2001 heeft verweerster de toenmalige gemachtigde van eiseres, de heer J.T. Latuhihin te Waalwijk, gewezen op het verzuim van eiseres om, overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), de gronden van het bezwaar in te dienen en heeft zij eiseres in de gelegenheid gesteld om, binnen de daartoe in voormelde brieven gestelde termijn(en), dit verzuim te herstellen. Bij brief van 29 maart 2002, op 2 april 2002 per aangetekende post verzonden, heeft verweerster eiseres voor de laatste maal hiertoe in de gelegenheid gesteld, onder vermelding dat, indien na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn geen reactie van eiseres is ontvangen, het bezwaarschrift overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Bij besluit van 25 april 2002 heeft verweerster het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard.
Bij brief van 18 april 2002, ingekomen bij verweerster op 2 mei 2002, heeft de gemachtigde van eiseres alsnog de gronden van het bezwaar ingediend, welke gronden door verweerster zijn aangemerkt als een verzoek om herziening.
Bij besluit van 18 juli 2002 heeft verweerster dit verzoek afgewezen, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, op de grond dat de overgelegde gegevens, wanneer zij destijds bekend zouden zijn geweest, niet tot een andere beslissing zouden hebben geleid en overigens niet is gebleken dat het besluit van 29 mei 2001 niet juist is geweest, zodat er geen aanleiding bestaat om laatstgenoemd besluit met toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wet te herzien.
De Raad dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in rechte kan stand houden. Hij overweegt daartoe als volgt.
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb is bepaald dat het bezwaarschrift ten minste de gronden van het bezwaar dient te bevatten.
In artikel 6:6 van de Awb is bepaald dat, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar, dit niet-ontvankelijk kan worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.
Uit de gedingstukken blijkt dat verweerster de namens eiseres - na het verstrijken van de haar daartoe gestelde termijn - ingediende gronden van het bezwaar onder toepassing van artikel 61, derde lid, van de Wet, ambtshalve heeft aangemerkt als een verzoek om herziening van het tussen partijen inmiddels rechtens verbindend geworden besluit van 29 mei 2001 en zij dit besluit als zodanig aan een volledige inhoudelijke beoordeling heeft onderworpen.
De Raad moet op grond hiervan vaststellen, dat in het onderhavige geval de facto sprake is van een voorbijgaan aan een verzuim om te voldoen aan het op grond van in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb geldend vereiste dat een bezwaarschrift de gronden van het bezwaar dient te bevatten - anders dan met toepassing van het bepaalde in artikel 6:6 van de Awb - en mitsdien gehandeld is in strijd met de strekking van de Awb. De Raad heeft voorts geconstateerd dat verweerster hierbij heeft gehandeld vanuit een vaste gedragslijn, welke gedragslijn overigens - naar ter zitting is aangegeven - inmiddels is verlaten. Een zodanige gedragslijn, waarmee in wezen kernbepalingen van de Awb buiten toepassing worden gelaten, acht de Raad niet aanvaardbaar.
Gezien het vorenstaande kunnen het bestreden besluit, alsmede het daaraan ten grondslag liggende besluit van 18 juli 2002, niet in stand worden gelaten.
De Raad acht, tenslotte, geen termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:75 van de Awb verweerster te veroordelen in de proceskosten van eiseres, omdat van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit, alsmede het aan dit besluit ten grondslag liggende besluit van 18 juli 2002;
Bepaalt dat de Pensioen- en Uitkeringsraad het betaalde griffierecht ad € 27,00 aan eiseres vergoedt.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.

