Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP3599

Datum uitspraak2004-05-19
Datum gepubliceerd2004-06-23
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers102834
Statusgepubliceerd


Indicatie

Procesrecht; Ter comparitie van partijen heeft de advocaat van gedaagde gewezen op artikel 477a lid 2 Rv., waarin onder meer is bepaald dat de dagvaarding tot het doen van een gerechtelijke verklaring dient plaats te vinden binnen twee maanden na het afleggen van de verklaring en dat overschrijding van deze termijn deze bevoegdheid doet vervallen. De rechtbank gaat hier uit van de datum van de aanvullende verklaring van op (of kort na) 3 juni 2003. Gerekend vanaf deze datum was de dagvaarding op 28 juli 2003 tijdig. De rechtbank ziet geen aanleiding de verklaringen van de gedaagde, zowel in de beslagprocedure als ter comparitie van partijen onjuist te achten.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector civiel recht Zaak-/rolnummer: 102834 / HA ZA 03-1292 Datum vonnis: 19 mei 2004 Vonnis in de zaak van 1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CARSHOPPING INTERNATIONAL B.V., gevestigd te Rotterdam, 2. X, wonende te A, België, eisers, procureur mr. J.M.J. Huver, advocaat mr. B.S. Stolwijk te Utrecht, tegen de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid WILLARD HOLDING B.V., gevestigd te Ede, gedaagde, procureur mr. T.J. van Veen, advocaat mr. A. Robustella te Ede. Het verloop van de procedure Voor het eerdere verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 22 oktober 2003. De daarin bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 1 maart 2004. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de processtukken. Vervolgens is op verzoek van partijen vonnis bepaald. De vaststaande feiten, het geschil en de beoordeling daarvan 1. Eisers hebben op 16 april 2003 onder gedaagde executoriaal derdenbeslag laten leggen. 2. Gedaagde heeft op (of kort na) 28 mei 2003 en aanvullend op (of kort na) 3 juni 2003 een schriftelijke verklaring afgelegd met betrekking tot rechtsverhoudingen die bestaan of hebben bestaan tussen gedaagde en de beslagene B. Aangezien eisers de bovengenoemde verklaringen betwisten hebben zij gedaagde op 28 juli 2003 gedagvaard tot het doen van een gerechtelijke verklaring en tot betaling of afgifte van hetgeen volgens de vaststelling door de rechter aan de executanten zal blijken toe te komen. 3. Ter comparitie van partijen heeft gedaagde vorenbedoelde verklaringen nader toegelicht. 4. De comparitie van partijen werd aangehouden tot 28 maart 2004 opdat de gedaagde binnen twee weken de in het proces-verbaal van de comparitie van partijen vermelde stukken aan eisers zou doen toekomen. Beide partijen zouden daarna reageren met een voorstel aan de rechtbank ten aanzien van de afdoening van de procedure. Aan deze afspraak heeft gedaagde blijkens de brief van zijn advocaat van 1 april 2004 op deze datum voldaan. Dit is wel later dan afgesproken, maar niet fataal, gelet op de reden van de vertraging (wachten op bericht van accountant). 5. Ter comparitie van partijen heeft de advocaat van gedaagde gewezen op artikel 477a lid 2 Rv., waarin onder meer is bepaald dat de dagvaarding tot het doen van een gerechtelijke verklaring dient plaats te vinden binnen twee maanden na het afleggen van de verklaring en dat overschrijding van deze termijn deze bevoegdheid doet vervallen. De rechtbank gaat hier uit van de datum van de aanvullende verklaring van op (of kort na) 3 juni 2003. Gerekend vanaf deze datum was de dagvaarding op 28 juli 2003 tijdig. 6. De rechtbank ziet geen aanleiding de verklaringen van de gedaagde, zowel in de beslagprocedure als ter comparitie van partijen onjuist te achten. 7. Eisers hebben in de op 1 april 2004 door gedaagde aan eisers toegezonden stukken zoals besproken ter comparitie van partijen, kennelijk geen aanleiding gezien hun stellingname in de procedure uit te breiden, toe te lichten of de verklaring van gedaagde ter comparitie van partijen afgelegd te betwisten. 8. Op grond van het vorenstaande moet thans als vaststaand worden aangenomen dat gedaagde niets van de beslagene B onder zich heeft en/of aan hem verschuldigd is en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding met hem zal verkrijgen en/of uit een reeds bestaande rechtsverhouding aan hem verschuldigd zal worden. De vordering moet dan ook worden afgewezen. 9. Eisers dienen in de kosten van de procedure te worden veroordeeld. De beslissing De rechtbank wijst de vorderingen af, veroordeelt eisers in de kosten van de procedure, tot op heden aan de zijde van gedaagde begroot op € 205,-- voor verschotten en € 780,-- voor salaris van de procureur, verklaart dit vonnis ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. H.W. Collewijn en uitgesproken in het openbaar op woensdag 19 mei 2004. de griffier de rechter