
Jurisprudentie
AP4544
Datum uitspraak2004-06-17
Datum gepubliceerd2004-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/3176 WAO + 01/3177 WAO
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-06-29
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/3176 WAO + 01/3177 WAO
Statusgepubliceerd
Indicatie
Vaststelling mate van arbeidsongeschiktheid 25 tot 35%.
Uitspraak
01/3176 WAO
01/3177 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Op bij aanvullend beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden heeft mr. J.A.W. Enoch, advocaat te Utrecht, namens appellant hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam reg.nrs. 99/11208 en 99/12506 op 19 april 2001 tussen partijen gewezen uitspraak.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en heeft bij brief van 11 december 2003 enkele vanwege de Raad aan hem voorgelegde vragen beantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 6 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Enoch, voornoemd, en gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Ter zitting heeft appellant uitdrukkelijk te kennen gegeven dat de hoogte van het dagloon door hem niet (verder) ter discussie wordt gesteld, waarmee het geding in hoger beroep zich heeft versmald tot de door de rechtbank in haar uitspraak bevestigend beantwoorde vraag of gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 26 september 1994 terecht op 25 tot 35% heeft vastgesteld. Appellant stelt dat hij als volledig arbeidsongeschikt moet worden beschouwd.
De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat bij het opstellen van het zogenaamde belastbaarheidpatroon in voldoende mate rekening is gehouden met de beperkingen van appellant en dat in geen van de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellant wordt overschreden. De voor appellant per 26 september 1994 geldende beperkingen zijn volgens de rechtbank niet onjuist vastgesteld, zodat hij op die datum in staat was om deze functies te vervullen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat in deze functies een loon kan worden verdiend, dat, afgezet tegen het maatmaninkomen van appellant, niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidde dan gedaagde heeft vastgesteld. De Raad acht dit oordeel en de motivering ervan juist en neemt deze over. Dat de voor appellant op 26 september 1994 geldende, uit ziekte of gebrek voortvloeiende arbeidsbeperkingen door gedaagde in zijn besluitvorming zijn onderschat, blijkt, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet uit de door hem overgelegde, op latere tijdvakken betrekking hebbende, medische informatie.
Het hoger beroep slaagt niet en de uitspraak waarvan hoger beroep komt, voor zover nog aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor de toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G. van der Wiel als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van R.E. Lysen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2004.
(get.) G. van der Wiel
(get.) R.E. Lysen

