Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP4608

Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-06-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200302737/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 12 juli 2002, kenmerk DCMR/20096872 941234/B30, heeft verweerder op grond van artikel 38 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) ingestemd met verplaatsing van 10.000 m2 verontreinigde grond naar het “grote dok” in de Wiltonhaven te Schiedam tot 1 oktober 2005.


Uitspraak

200302737/1. Datum uitspraak: 30 juni 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], gevestigd te [plaats], en het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder. 1. Procesverloop Bij besluit van 12 juli 2002, kenmerk DCMR/20096872 941234/B30, heeft verweerder op grond van artikel 38 van de Wet bodembescherming (hierna: Wbb) ingestemd met verplaatsing van 10.000 m2 verontreinigde grond naar het “grote dok” in de Wiltonhaven te Schiedam tot 1 oktober 2005. Bij besluit van 25 maart 2003, kenmerk DCMR/DMB/03/2134, heeft verweerder het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 29 april 2003, bij de Raad van State ingekomen diezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 22 mei 2003. Bij brief van 9 oktober 2003 heeft verweerder een verweerschrift ingediend. Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze zijn aan verweerder toegezonden. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2004 en op 17 mei 2004. Appellante is vertegenwoordigd door mr. M.D.J. Heijerman en mr. M. Honders, gemachtigden. Verweerder is vertegenwoordigd door drs. C. Scheefers, ambtenaar van de provincie. Namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam is het woord gevoerd door G.J. Hartwig, ambtenaar van de gemeente. 2. Overwegingen 2.1. Appellante stelt in essentie dat verweerder de grondverplaatsing ten onrechte slechts heeft toegestaan tot 1 oktober 2005, aangezien haar melding van 18 juni 2002 is gericht op een permanente grondverplaatsing naar het zogenoemde “grote dok”. Daarbij stelt appellante dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het “locatie beheer plan bodem voor de Wilton-Haven te Schiedam” in dit geval toepassing mist en dat verweerder bij de beoordeling van de melding ten onrechte doorslaggevende betekenis heeft toegekend aan hetgeen in het Landelijk afvalbeheerplan 2002-2012 staat omtrent het grote dok. Dit klemt volgens haar temeer, nu de eigenaar van het grote dok heeft verklaard de onderhavige partij grond permanent te accepteren. 2.2. In het Besluit van 12 december 2000, houdende aanwijzing van gemeenten die voor de toepassing van de Wet bodembescherming worden gelijkgesteld met een provincie (Stb. 2000, 591), is bepaald dat artikel 88, eerste lid, Wbb vanaf 1 januari 2004 van overeenkomstige toepassing is op de gemeente Schiedam. Daaruit volgt dat het college van burgemeester en wethouders van Schiedam vanaf die datum bevoegd is om te beslissen op een melding als hier aan de orde en dus bevoegd is om te oordelen over de aanwezigheid van de 10.000 m2 verontreinigde grond in het grote dok na 1 oktober 2005, dan wel na vernietiging van het bestreden besluit. 2.3. Ter zitting is namens het college van burgemeester en wethouders van Schiedam onvoorwaardelijk toegezegd dat de 10.000 m2 verontreinigde grond na 1 oktober 2005 niet uit het grote dok hoeft te worden verwijderd en daar permanent mag blijven. Aan de in het besluit opgenomen beperking “tot 1 oktober 2005” komt aldus feitelijk geen betekenis meer toe. Daardoor bereikt appellante bij voorbaat wat zij heeft beoogd met het instellen van het beroep. In zoverre heeft zij dan ook geen belang meer bij de beoordeling van het beroep. Ook overigens ziet de Afdeling geen rechtens relevant belang bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Het beroep dient om die reden niet-ontvankelijk te worden verklaard. 2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. H.Ph.J.A.M. Hennekens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat. w.g. Drupsteen w.g. Stolker Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004 157.