
Jurisprudentie
AP4917
Datum uitspraak2004-06-02
Datum gepubliceerd2004-06-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 04/00248
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-06-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof Leeuwarden
ZaaknummersWAHV 04/00248
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het CJIB is op basis van het Schengenverdrag bevoegd om inlichtingen uit het Belgische kentekenregister op te vragen in verband met het zenden van een inleidende beschikking aan een Belgische kentekenhouder.
Iedere bestuurder dient zijn snelheid zodanig aan te passen dat hij in staat is verkeersborden zo tijdig waar te nemen dat hij zijn weggedrag tijdig aan de door die borden gegeven ge- of verboden, waarschuwingen of andere informatie kan aanpassen.
Uitspraak
WAHV 04/00248
2 juni 2004
CJIB 59055022294
Gerechtshof te Leeuwarden
Arrest
op het hoger beroep tegen de beslissing
van de kantonrechter van de rechtbank te Middelburg
van 20 januari 2004
betreffende
[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),
wonende te [woonplaats]
voor wie als [gemachtigde]
1. De beslissing van de kantonrechter
De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie in het arrondissement Middelburg ongegrond verklaard. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Het procesverloop
De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen, maar heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
3. Beoordeling
3.1. Aan de betrokkene is als kentekenhoudster bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van €Euro 92,-- opgelegd ter zake van "overschrijding van de maximumsnelheid binnen de bebouwde kom (gedragsregel) meer dan 20 km/h en t/m 25 km/h", welke gedraging zou zijn verricht op 20 september 2002 op de Willemsweg te Oostburg.
3.2. De betrokkene is van mening dat de sanctie ten onrechte is opgelegd, dan wel dat er sprake is van omstandigheden die oplegging van de sanctie niet billijken. Hiertoe worden vier gronden aangevoerd, zakelijk weergegeven inhoudende:
a. de bekendmaking van de sanctie heeft niet tijdig plaatsgevonden;
b. er bestaat onvoldoende wettelijke basis om navraag te doen in het Belgisch kentekenregister;
c. de officier van justitie heeft nagelaten voldoende bewijsstukken, te weten een geldige verklaring van onderzoek voor de gebruikte meetapparatuur, een verklaring van de opsporingsambtenaar waaruit ondubbelzinnig blijkt hoe de overtreding is geconstateerd en de manier waarop is gemeten, en het certificaat waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de opsporingsambtenaar die de radarapparatuur bediende althans had ingesteld hiervoor ook was gekwalificeerd ten tijde van de meting, in het geding te brengen, aangezien de aanwezige foto geen bewegingsonscherpte laat zien, hetgeen een aanwijzing vormt dat niet te snel werd gereden;
d. de gedraging is kort na het binnenrijden van de bebouwde kom begaan, het begin van de bebouwde kom is niet opvallend weergegeven, er zijn geen snelheidsremmende voorzieningen aangebracht, aan de rechterkant van de weg is geen bebouwing - terwijl in België het begrip bebouwde kom doorgaans voorbehouden is voor het centrum van de bebouwing - en er was geen verkeersbord geplaatst dat de maximumsnelheid aangaf.
3.3. Ten aanzien van de hiervoor onder a. vermelde grond geldt het volgende. Ingevolge art. 4, tweede lid, WAHV geschiedt de bekendmaking van de beschikking binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending van de beschikking aan het adres dat de betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgegeven in het kentekenregister.
3.4. De gedraging zou zijn verricht op 20 september 2002. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is na "verificatie buitenland" de inleidende beschikking op 25 oktober 2002 naar de betrokkene verzonden. Op 11 januari 2003 is een eerste aanmaning verstuurd. Na herbeoordeling heeft het CJIB op 13 maart 2003 opnieuw een inleidende beschikking naar de betrokkene verzonden, naar aanleiding waarvan de betrokkene een beroepschrift heeft ingediend.
Uit voormelde gang van zaken blijkt, dat de inleidende beschikking conform het bepaalde in art. 4, tweede lid, WAHV binnen een termijn van vier maanden naar de betrokkene is gezonden. Dat het CJIB om hem moverende reden op 13 maart 2003 opnieuw een inleidende beschikking heeft verzonden kan hieraan niet afdoen. Zo al anders geoordeeld zou moeten worden, geldt het volgende. Indien de in art. 4, tweede lid, WAHV genoemde termijn van vier maanden overschreden wordt, leidt dit niet zonder meer tot vernietiging van de inleidende beschikking. Daarvoor is slechts plaats wanneer de betrokkene door de overschrijding rechtstreeks is geschaad in enig rechtens te respecteren belang (vgl. HR 10 mei 1994, VR 1994, 194). Noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep is een zodanig belang door de betrokkene gesteld of anderszins gebleken.
3.5. Ten aanzien van de onder b. vermelde grond geldt, dat (onder meer) het Koninkrijk België en het Koninkrijk der Nederlanden ingevolge art. 49 van de overeenkomst ter uitvoering van het op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijk grenzen; Schengen, 19 juni 1990 (Trb. 1990, 145), wederzijdse rechtshulp verlenen ten behoeve van onder meer de betekening van gerechtelijke mededelingen inzake de tenuitvoerlegging van een straf of maatregel, de inning van een geldboete of de betaling van proceskosten. In aanmerking genomen dat het opleggen van een bij de WAHV voorziene administratieve sanctie als een dergelijke gerechtelijke mededeling moet worden aangemerkt, is er, anders dan de betrokkene stelt, een juridische basis voor het vragen van inlichtingen uit het Belgisch kentekenregister ten behoeve van een zenden van een inleidende beschikking aan de Belgische kentekenhouder in verband met een in Nederland verrichte gedraging. De door de betrokkene in het geding gebrachte gegevens nopen niet tot een ander oordeel.
3.6. Met betrekking tot het verzoek van de betrokkene om toevoeging aan het dossier van het ijkrapport, een verklaring van de opsporingsambtenaar en het certificaat overweegt het hof, dat geen wettelijke bepaling voorschrijft, dat in een geval als het onderhavige deze stukken deel uitmaken van de stukken van het geding. Een en ander brengt mee, dat de betrokkene aan art. 11, vierde lid, WAHV geen aanspraak op inzage van die stukken of verstrekking van een afschrift daarvan kan ontlenen, terwijl een zodanige aanspraak in het kader van de onderhavige procedure evenmin uit enige andere wettelijke bepaling voortvloeit (vgl. HR 27 oktober 1998, VR 1999, nr. 53).
3.7. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB, in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling van de schuld van de betrokkene. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring in het zaakoverzicht dan wel uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken. Indien een en ander zich niet voordoet, bestaat geen noodzaak tot nader onderzoek.
3.8. Het zaakoverzicht houdt onder meer in dat de verbalisant de gereden snelheid van het voertuig van de betrokkene heeft vastgesteld met behulp van een geijkt, voor de meting getest en op de voorgeschreven wijze gebruikt verkeersmeetmiddel. Dit kan bezwaarlijk anders worden opgevat dan dat op de gebruikelijke en rechtens deugdelijke wijze de snelheid van het voertuig is vastgesteld.
3.9. Het Hof kan de gemachtigde van de betrokkene niet volgen in de conclusie dat het ontbreken van bewegingsonscherpte op de foto een aanwijzing zou zijn dat niet te snel zou zijn gereden.
3.10. Met betrekking tot de hiervoor onder d. vermelde grond overweegt het hof dat iedere bestuurder zijn snelheid zodanig dient aan te passen dat hij in staat is verkeersborden zo tijdig waar te nemen dat hij zijn weggedrag tijdig aan de door die borden gegeven ge- of verboden, waarschuwingen of andere informatie kan aanpassen (vgl. Hof Leeuwarden 17 oktober 2001, WAHV 01/00277, LJN nr. AD9158). Van belang hierbij is dat de betrokkene aangeeft dat ter plaatse van de gedraging c.q. kort daarvoor de bebouwde kom is aangegeven. Dit zal zijn geschied door middel van het bord H1 (Bijlage I bij het RVV 1990). Het komt voor rekening en risico van de betrokkene dat zij kennelijk niet in staat is geweest tijdig te reageren op dit bord. Het ontbreken van verdere maatregelen ter afremming van het verkeer, zoals een bord A1 (omschrijving maximumsnelheid, Bijlage I bij het RVV 1990) of verkeersdrempels, maakt niet dat de betrokkene zich kan beroepen op het niet tijdig afremmen. Ditzelfde geldt voor het feit dat de gedraging is verricht zeer kort na plaatsing van het bord met de aanduiding bebouwde kom. De betrokkene kan zich bij deelname aan het verkeer in Nederland evenmin beroepen op in België gebruikelijke situaties.
3.11. Aangezien naar de overtuiging van het hof vaststaat dat de gedraging is verricht en geen omstandigheden zijn gebleken van zodanige aard dat deze het opleggen van de sanctie niet billijken of tot matiging van de sanctie moeten leiden, zal het hof de beslissing waarvan beroep bevestigen.
4. De beslissing
Het gerechtshof:
bevestigt de beslissing waarvan beroep.
Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Hiemstra als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.

