Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP6234

Datum uitspraak2004-06-30
Datum gepubliceerd2004-07-02
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Gravenhage
Zaaknummers1921-04
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoekschrift ex artikel 89 Wetboek van Strafvordering. Verzoeker is in zaak A veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier weken, terwijl hij in die zaak in totaal ongeveer acht maanden in voorarrest heeft doorgebracht. Voorzover het voorarrest de in die zaak opgelegde gevangenisstraf overtreft vraagt verzoeker primair die tijd in mindering te brengen op een aan hem in zaak B opgelegde en inmiddels onherroepelijk geworden gevangenisstraf. Het hof verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek.


Uitspraak

AVNR 1921-04 parketnummer 1000001999 datum uitspraak 30 juni 2004 GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE raadkamer BESCHIKKING gegeven op het hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank te Rotterdam van 30 maart 2004 op een verzoekschrift, op grond van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering ingediend door: (naam verzoeker), geboren te (plaats) op (datum), thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Nieuw Vosseveld 2 HvB" te Vught, in deze zaak woonplaats kiezende ten kantore van zijn raadsvrouw, mr. I.N. Weski, aan de Westersingel 43, 3014 CT te Rotterdam. Procesgang Verzoeker is bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 30 september 2003 vrijgesproken van het aan hem onder 1 in de strafzaak met parketnummer 1000001999 tenlastegelegde feit en veroordeeld terzake van het onder 2 bewezenverklaarde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken. Verzoeker heeft tijdig bij een op 30 december 2003 ter griffie van de rechtbank te Rotterdam ingekomen verzoekschrift gevraagd hem een schadevergoeding toe te kennen van een bedrag van € 58.200,= terzake van de door hem in zijn strafzaak ondergane voorlopige hechtenis, van 11 april 2000 tot 8 december 2000. Bij brief van 31 december 2003 heeft de raadsvrouw van verzoeker het verzoek aangevuld en toegelicht, zodat het ingediende verzoekschrift er primair toe strekt dat de door verzoeker in de zaak met bovenvermeld parketnummer ondergane inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis zal worden verrekend met de door het gerechtshof te 's-Gravenhage op 15 december 2003 opgelegde gevangenisstraf van drie jaren, in de onherroepelijk geworden zaak met rolnummer 2200213503. Subsidiair strekt het verzoek ertoe dat aan verzoeker ten laste van de Staat een financiële vergoeding wordt toegekend voor de immateriële schade die verzoeker tengevolge van de door hem in het kader van de strafzaak met bovengemeld parketnummer ondergane verzekering en voorlopige hechtenis heeft geleden. De rechtbank te Rotterdam heeft bij beslissing van 30 maart 2004 het primaire verzoek toegewezen en bepaald dat 213 dagen in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van het arrest van het gerechtshof te 's-Gravenhage met rolnummer 2200213503. Op 7 april 2004 heeft de officier van justitie te Rotterdam hoger beroep tegen die beslissing ingesteld. Het hof heeft dit hoger beroep op 2 juni 2004 in raadkamer behandeld. In raadkamer zijn gehoord de verzoeker, diens raadsvrouw mr. Weski, advocaat te Rotterdam, en de advocaat-generaal mr. Ter Hart. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank Rotterdam van 30 maart 2004 en alsnog niet-ontvankelijk verklaring van verzoeker in zijn verzoekschrift. Ontvankelijkheid van verzoeker in het verzoek Het openbaar ministerie stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet-ontvankelijk is in zijn verzoekschrift. De strafzaak met parketnummer 1000001999 is niet geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en evenmin met oplegging van een straf of maatregel op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, zodat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 89 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank Rotterdam heeft zich gebaseerd op de interpretatie van artikel 90 (lid 3 en) lid 4 van het Wetboek van Strafvordering, in de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage d.d. 11 december 1997 (NJ 1998, 142). Het hof achtte in die zaak, waarin de verdachte wel was veroordeeld terzake van een feit waarvoor voorlopige hechtenis was toegelaten, die gewezen verdachte ontvankelijk in zijn verzoek tot verrekening van de tijd die hij te lang in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met een inmiddels onherroepelijke, andere, vrijheidsstraf. Het hof ziet aanleiding dit standpunt niet langer te handhaven. In het arrest van 8 mei 2001, 03909/00 (NJ 2001, 509) heeft de Hoge Raad een beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage, in een arrest op een beroep in cassatie in het belang van de wet, bevestigd. De Hoge Raad handhaaft haar eerdere oordeel dat de term "de zaak" in artikel 591a lid 1 en lid 2 van het Wetboek van Strafvordering de betekenis heeft van "al datgene waarop het rechtsgeding betrekking had". Naar het oordeel van het hof dient deze uitleg ook te gelden voor het begrip "zaak" in artikel 89 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. De wetgever heeft bovendien bij de herziening van artikel 89 van het Wetboek van Strafvordering (in werking getreden op 10 december 2001) geen aanleiding gezien dit artikel te wijzigen in de zin van de uitspraak van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 11 december 1997. Het hof ziet daarom, gelet op de huidige wetgeving terzake, geen grond tot verruiming zoals door de rechtbank bepaald. Het hof merkt ten overvloede op dat de rechter niet de eerst aangewezen instantie kan zijn bij verrekening van verschillende straffen. Immers heden ten dage, wellicht onder druk van het cellentekort, is het bij de behandeling van deze verzoeken niet duidelijk of de straffen worden tenuitvoergelegd dan wel hoe langere straffen aan het eind van de periode worden geëxecuteerd. Er zijn immers zeer veel varianten en programma's ontwikkeld die, mede, ten doel hebben het beslag op de gevangeniscapaciteit te verminderen. Naar het oordeel van het hof dient verzoeker mitsdien niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn verzoek tot verrekening, subsidiair schadevergoeding ex. artikel 89 jo 90 van het Wetboek van strafvordering en dient de beslissing van de rechtbank te worden vernietigd. Beslissing Het hof: Vernietigt de beslissing waarvan beroep. Verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek. Deze beschikking is gegeven door mr. Klein Breteler, vice-president tevens voorzitter, mrs. Verheij en Stoker-Klein, vice-presidenten, in bijzijn van de griffier mr. Bakker-Otjens, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 30 juni 2004. Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.