Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP8080

Datum uitspraak2004-06-18
Datum gepubliceerd2004-07-06
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/1314 WSF
Statusgepubliceerd


Indicatie

Niet betaald griffierecht.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 04/1314 WSF U I T S P R A A K met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, gedaagde. I. INLEIDING Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 28 januari 2004 tussen partijen gegeven uitspraak. II. MOTIVERING In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het beroepschrift een griffierecht wordt geheven. Bij schrijven van 16 maart 2004 is appellant erop gewezen dat hij een griffierecht van € 87,00 is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart. Bij aangetekende brief van 8 april 2004 is appellant nogmaals gewezen op de verschul-digdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep. Voornoemde brief van 8 april 2004 is door de Raad op 6 mei 2004 retour ontvangen met een aantekening op de enveloppe “geen gehoor” en “niet afgehaald”. Blijkens nader ingewonnen inlichtingen bij de gemeente van inschrijving is komen vast te staan dat appellant stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het door appellant opgegeven en bij de Raad bekend zijnde adres. Het schrijven van 8 april 2004 is op 11 mei 2004 per gewone post ter kennisname aan appellant verzonden. De Raad stelt vast dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn, die afliep op 6 mei 2004, is betaald. Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van R.B.E. van Nimwegen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2004. (get.) J. Janssen. (get.) R.B.E. van Nimwegen. Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.