
Jurisprudentie
AP8195
Datum uitspraak2004-06-24
Datum gepubliceerd2004-07-06
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1076 AW + 03/1077 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-07-06
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1076 AW + 03/1077 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het besluit om appellant niet te plaatsen als chef van het nieuwe team Fraudebestrijding is in redelijkheid mede gebaseerd op de resultaten van het draagvlakonderzoek.
Uitspraak
03/1076 AW + 03/1077 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 7 januari 2003, nrs. SBR 01/1117 en 02/823, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 13 mei 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. A.L.A. Tortike, juridisch adviseur. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.C. Hoogendoorn, mr. drs. C.E. van der Linden en L.S.M. Rabou, allen werkzaam bij de gemeente Utrecht.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellant was werkzaam als productiechef van het team Misbruik & Oneigenlijk Gebruik van de afdeling Sociale Zaken & Werkprojecten van de dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (hierna: M&O). In de loop van 1999 is het voornemen ontstaan M&O samen te voegen met het team Sociale Recherche (hierna: SR) van diezelfde afdeling tot één team Fraudebestrijding. Naar aanleiding van signalen over samenwerkingsproblemen zijn namens gedaagde individuele gesprekken gevoerd met appellant en daarna met de overige medewerkers van M&O. Uit deze laatste gesprekken - aangeduid als het draagvlakonderzoek - kwam naar voren dat een derde van de medewerkers geen vertrouwen had in appellant als leidinggevende. Appellant heeft daarop zijn werk-zaamheden neergelegd en hem is meegedeeld dat gedaagde zou worden geadviseerd hem niet te benoemen als chef van de nieuw te vormen afdeling Fraudebestrijding. Een en ander is neergelegd in een brief van 14 januari 2000.
1.2. Bij besluit van 16 november 2000 is appellant meegedeeld dat hij niet is geplaatst als chef Fraudebestrijding. Appellant heeft hiertegen onder meer als bezwaar naar voren gebracht dat het draagvlakonderzoek daaraan niet ten grondslag had mogen worden gelegd op de wijze zoals gedaagde dat heeft gedaan. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit van 1 mei 2001 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het hierop gerichte beroep van appellant eveneens ongegrond verklaard.
2. Het geschil is, mede gelet op hetgeen daaromtrent namens appellant ter zitting is verklaard, in hoger beroep beperkt tot de vraag of gedaagde zijn besluit appellant niet te plaatsen als chef van het nieuwe team Fraudebestrijding in redelijkheid mede heeft kunnen baseren op de resultaten van het draagvlakonderzoek. Meer in het bijzonder acht appellant het onjuist en in strijd met de afspraken dat gedaagde zijn onderzoek naar de opvattingen van medewerkers over appellant als leidinggevende heeft uitgebreid tot de medewerkers van het team SR, met welke afdeling sedert lang samenwerkingsproblemen bestonden. Een en ander maakt het plaatsingsbesluit van 16 november 2000 onzorgvuldig, aldus appellant.
3. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat bovengestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord. Het draagvlakonderzoek is, anders dan namens appellant is betoogd, beperkt gebleven tot appellants eigen medewerkers, zodat in dat opzicht niet in strijd met enige afspraak is gehandeld. Uit dit onderzoek bleek dat een derde van de medewerkers geen vertrouwen had in appellant als leidinggevende. Gedaagde mocht daarin naar het oordeel van de Raad een argument vinden om appellant niet te benoemen als leidinggevende in de nieuwe afdeling. Dat appellant zelf had verklaard (eerst) aanleiding te zien zijn huidige functie ter beschikking te stellen indien een meerderheid van de medewerkers hem niet het vertrouwen zou schenken, behoefde voor gedaagde bij de keuze voor een nieuwe chef niet doorslaggevend te zijn. Ook wat dat betreft valt niet in te zien dat gemaakte afspraken zijn geschonden of dat sprake is van onzorgvuldigheid. De Raad acht het voorts vanzelfsprekend dat gedaagde mede acht heeft geslagen op de visie van de medewerkers van de afdeling SR zijnde de toekomstige ondergeschikten van de nieuwe chef Fraudebestrijding. Gelet op het feit dat het bevorderen van de integratie en samenwerking van beide oude afdelingen een belangrijke taak voor de nieuwe leiding-gevende zou zijn, heeft gedaagde zich in het licht van het vorenstaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat appellant daarvoor niet de juiste persoon was.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De uitspraak dient, voorzover aangevochten, te worden bevestigd. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.
Aldus gegeven door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. K. Zeilemaker enmr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2004.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) P.W.J. Hospel.

