Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP8365

Datum uitspraak2004-09-21
Datum gepubliceerd2004-09-21
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers02857/03
Statusgepubliceerd


Indicatie

Zwaardere straf ex art. 359.7 Sv. Hof legt door A-G gevorderde straf op, naar het middel stelt voor lichter feitencomplex. HR: voor de toepasselijkheid van art. 359.7 Sv is in een geval als het onderhavige beslissend de aan de bewezenverklaring gegeven kwalificatie van het strafbare feit en het daarvoor geldende strafmaximum en niet de concrete ernst van dit strafbare feit zoals die uit de bewezenverklaring en/of de bewijsmiddelen blijkt.


Conclusie anoniem

Griffienr. 02857/03 Mr. Wortel Zitting:29 juni 2004 Conclusie inzake: [verzoekster=verdachte] 1. Namens verzoekster is cassatieberoep ingesteld tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarbij verzoekster - voor zover de zaak aan het oordeel van het Hof was onderworpen - wegens "Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 50 dagen hechtenis. 2. Namens verzoekster heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, één cassatiemiddel voorgesteld. 3. Daarin wordt er over geklaagd dat het Hof, in strijd met art. 359, zevende lid Sv, heeft nagelaten te motiveren waarom het een (relatief) zwaardere straf heeft opgelegd dan door de advocaat-generaal gevorderd; evenmin heeft gemotiveerd waarom het een (relatief) zwaardere straf heeft opgelegd dan in eerste aanleg is geschied, en voorts niet heeft gemotiveerd waarom een zwaardere straf is opgelegd dan voorgeschreven in de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. 4. De klachten vloeien voort uit de omstandigheid dat de in eerste aanleg bereikte bewezenverklaring blijkens de gebezigde bewijsmiddelen betrekking had op 61 XTC-pillen, namelijk elf pillen die verzoekster in een handtasje bij zich droeg, en vijftig pillen die in een woning zijn aangetroffen, terwijl het Hof, wederom blijkens de gebezigde bewijsmiddelen, alleen het opzettelijk bezit van de elf XTC-pillen in het handtasje van verzoekster bewezen heeft geacht. 5. In hoger beroep is bewezenverklaard dat verzoekster "op tijdstippen omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 9 september 2001 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid zogenaamde xtc-pillen, zijnde telkens een materiaal bevattende MDMA, zijnde die MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel [lees: aangewezen] krachtens het tweede en derde lid van artikel 2 van die wet." 6. Aldus is het feit ook in eerste aanleg bewezen verklaard, met dien verstande dat de Rechtbank bewezen achtte dat verzoekster "tezamen en in vereniging met een ander" een hoeveelheid XTC-pillen opzettelijk voorhanden heeft gehad. 7. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden opgemaakt dat de Rechtbank heeft aangenomen dat de elf pillen die verzoekster bij zich droeg afkomstig waren uit een hoeveelheid pillen (50 pillen op het moment van inbeslagneming) die zijn aangetroffen in de woning van zekere [medeverdachte]. Klaarblijkelijk heeft de Rechtbank geoordeeld dat verzoekster en [medeverdachte] als medeplegers de gehele hoeveelheid XTC-pillen (de elf pillen die verzoekster bij zich droeg en de 50 pillen die nog in de woning van [medeverdachte] aanwezig waren) opzettelijk aanwezig hebben gehad. 8. Het Hof heeft, blijkens de in hoger beroep bereikte bewezenverklaring en de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen, aangenomen dat verzoekster de elf XTC-pillen in haar handtasje opzettelijk aanwezig heeft gehad, maar kennelijk niet aannemelijk geacht dat verzoekster als medepleger verantwoordelijk is voor het bezit van de 50 pillen in de woning van [medeverdachte]. 9. De Rechtbank heeft verzoekster dezelfde straf opgelegd die in hoger beroep is bepaald. 10. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het in eerste aanleg gewezen vonnis zou worden bevestigd. 11. Een dergelijk geval, dat zich hierdoor kenmerkt dat de strafoplegging berust op de wettelijke strafbaarstelling die ook naar luid van de eis van het Openbaar Ministerie toepasselijk is, doch de bewezenverklaring minder - voor de strafbaarheid van het bewezenverklaarde van belang zijnde - feiten omvat dan het Openbaar Ministerie bewezen acht, is niet aan te merken als het opleggen van een zwaardere straf in de zin van art. 359, zevende lid, Sv, vgl. HR 17 december 1991, LJN ZC8925. 12. De in hoger beroep rechtsprekende rechter is - behoudens bijzondere omstandigheden die zich in deze zaak niet hebben voorgedaan - niet gehouden te motiveren waarom hij een zwaardere straf oplegt dan in eerste aanleg is bepaald, vgl. HR NJ 2001, 297 en HR 27 januari 2004, LJN AN8240. 13. De richtlijnen en aanwijzingen van het Openbaar Ministerie, waarin is bepaald onder welke omstandigheden ter terechtzitting zal worden gedagvaard en welke straf - behoudens in die richtlijnen opgenomen voorbehouden - ter terechtzitting zal worden gevorderd zijn niet vastgesteld door een instantie die de bevoegdheid heeft rechters te binden wat betreft het gebruik dat zij maken van de hun door de wetgever gelaten ruimte. Daarom was het Hof niet gehouden zich aan de op het feit toepasselijke richtlijn of aanwijzing van het Openbaar Ministerie te conformeren, en evenmin verplicht te motiveren waarom het die richtlijn of aanwijzing niet heeft gevolgd. 14. Het middel faalt derhalve. Het leent zich voor afdoening met de in art. 81 RO bedoelde korte motivering. 15. Gronden voor ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,


Uitspraak

21 september 2004 Strafkamer nr. 02857/03 IV/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 mei 2003, nummer 20/002668-02, in de strafzaak tegen: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 juni 2002 - voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, de verdachte ter zake van subsidiair 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van éénhonderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. 3. Beoordeling van het middel 3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof een hogere straf heeft opgelegd dan door de Advocaat-Generaal in hoger beroep was gevorderd, en die beslissing, in strijd met art. 359, zevende lid, Sv, niet toereikend heeft gemotiveerd. 3.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat: "zij op tijdstippen omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 9 september 2001 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid zogenaamde xtc-pillen, zijnde telkens een materiaal bevattende MDMA, zijnde die MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel (de Hoge Raad leest:) aangewezen krachtens het tweede en derde lid van artikel 2 van die Wet." 3.2.2. Deze bewezenverklaring is, voorzover hier van belang, gelijk aan die van de Rechtbank. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft gevorderd dat het vonnis van de Rechtbank zal worden bevestigd, bij welk vonnis de verdachte is veroordeeld tot éénhonderd uren werkstraf. Het Hof heeft de verdachte eveneens tot die straf veroordeeld. 3.3. Het middel is gebaseerd op de opvatting dat het Hof in wezen een zwaardere straf heeft opgelegd dan ter terechtzitting is gevorderd omdat het Hof weliswaar dezelfde straf heeft opgelegd als door de Advocaat-Generaal was geëist, maar blijkens de bewijsmiddelen een lichter feit heeft bewezenverklaard dan de Advocaat-Generaal bij zijn vordering voor ogen stond. Deze opvatting is onjuist, omdat voor de toepasselijkheid van art. 359, zevende lid, Sv in een geval als het onderhavige beslissend is de aan de bewezenverklaring gegeven kwalificatie van het strafbare feit en het daarvoor geldende strafmaximum en niet de concrete ernst van dit strafbare feit zoals die uit de bewezenverklaring en/of de bewijsmiddelen blijkt. Uit het voorgaande volgt dat het Hof de verdachte niet voor een minder zwaar feit tot dezelfde straf heeft veroordeeld als door de Advocaat-Generaal was gevorderd en dat hier meergenoemde bepaling niet van toepassing is. Het middel is derhalve in zoverre ondeugdelijk. 3.4. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling. 4. Slotsom Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen. 5. Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 september 2004.