Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP8459

Datum uitspraak2004-06-17
Datum gepubliceerd2004-07-07
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers04/2401 WAO-VV + 04/2404 WAO-VV
Statusgepubliceerd


Indicatie

Herziening van het recht op WAO-uitkering. Voorlopige voorziening : afzien van invordering van het teruggevorderde bedrag. Inmiddels is beroepsprocedure bij de rechtbank aanhangig. Verzoek afgewezen.


Uitspraak

P R O C E S - V E R B A A L van de mondelinge uitspraak op 17 juni 2004 van de VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP Zitting heeft mr. M.C. Bruning als voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier 1e Zaak, reg.nrs. 04/2401 WAO-VV + 04/2404 WAO-VV Inzake: [verzoeker], wonende te [woonplaats] verzoeker, in persoon verschenen, bijgestaan door R.A.J.M. Driessen, werkzaam bij De Lange c.s. advocaten & procureurs te Tilburg, tegen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde, vertegenwoordigd door H. Knobben, werkzaam bij het Uwv. De voorzieningenrechter doet in voormeld geding mondeling uitspraak. De beslissing luidt: Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af. Deze beslissing is gebaseerd op de volgende overwegingen. Gedaagde heeft bij besluit van 30 oktober 2002 de uitkering van verzoeker ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 december 1999 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij besluit van 4 december 2003 heeft gedaagde de bezwaren van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard. De voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 16 maart 2004 het beroep van verzoeker tegen dit besluit ongegrond verklaard en het door verzoeker ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, afgewezen (reg. nrs. AWB 04/135 WAO en AWB 04/135 WAO). Voorts heeft gedaagde de WAO-uitkering van verzoeker met ingang van 1 juli 2002 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van - uiteindelijk - 65-80%. Thans is in hoger beroep enkel in geding de herziening van het recht op WAO-uitkering met betrekking tot het tijdvak 1 december 1999 tot 1 juli 2002. Met betrekking tot deze periode heeft gedaagde - onder meer - onverschuldigd betaalde WAO-uitkering teruggevorderd tot een bedrag van € 14.255,16 (bruto) alsmede een bedrag van € 1.243,55 (netto). Het door gedaagde van verzoeker teruggevorderde bedrag wordt thans ingevorderd door middel van verrekening met bedragen van € 800,-- per maand. Tegen de desbetreffende besluiten op bezwaar van 4 maart 2004 is thans een beroepsprocedure bij de rechtbank `s-Hertogenbosch aanhangig. Het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening strekt er toe dat door gedaagde (vooralsnog) wordt afgezien van invordering van het door gedaagde teruggevorderde bedrag. Nu met betrekking tot de desbetreffende besluiten tot terug- en invordering thans een beroepsprocedure bij de rechtbank aanhangig is, kan reeds hierom het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening niet worden ingewilligd. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter ontbreekt de op grond van de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste samenhang met het thans in hoger beroep voorliggende bodemgeschil. Verzoeker zal zich ter zake van zijn onderhavige verzoek tot de voorzieningenrechter van de rechtbank moeten wenden. Waarvan proces-verbaal. Utrecht, 17 juni 2004 De plv. griffier. De voorzieningenrechter. J.W.P. van der Hoeven M.C. Bruning Voor eensluidend afschrift de griffier van de Centrale Raad van Beroep.