Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP8638

Datum uitspraak2004-03-18
Datum gepubliceerd2004-09-22
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/679 WUV
Statusgepubliceerd


Indicatie

In mindering brengen van toeslag op pensioen op toegekende uitkering; art. 19-1d Wuv Toeslag o.g.v Bituach Leumi regeling, art. 244 b, is geen kinderbijslag.


Uitspraak

03/679 WUV U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats] (Israël), eiseres, en de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad. verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 21 november 2002, kenmerk JZ/U80/2002/0862, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Mr. drs. C. Lamphen, advocaat te Utrecht, heeft als gemachtigde van eiseres bij aanvullend beroepschrift de gronden aangevoerd waarop het beroep van eiseres steunt. Bij schrijven van 23 januari 2004 zijn namens eiseres nadere stukken in geding gebracht. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 februari 2004. Aldaar is eiseres verschenen bij haar gemachtigde mr. drs. C. Lamphen voornoemd en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door drs. T.N.L.C. van Wickevoort Crommelin, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, geboren [in] 1941, is vervolgde en uitkeringsgerechtigde in de zin van de Wet. Ingaande 1 augustus 2001 ontvangt eiseres in verband met het bereiken van de leeftijd van 60 jaar een uitkering ingevolge de Israëlische Bituach Leumi-regeling, onder meer verhoogd met een toeslag omdat twee kinderen in het leger dienen. Verweerster heeft bij berekeningsbeslissing van april 2002 deze Bituach Leumi uitkering ingaande augustus 2001 met toepassing van artikel 19, lid 1 onder d, van de Wet geheel op de aan eiseres toekomende periodieke uitkering ingevolge de Wet in mindering gebracht, hetgeen aan eiseres bij nader bericht van 25 april 2002 is toegelicht. Een door eiseres tegen deze herberekening van haar periodieke uitkering gemaakt bezwaar is bij het thans bestreden besluit ongegrond verklaard. Verweerster heeft daartoe overwogen dat de toeslag die eiseres op haar pensioen ontvangt niet kan worden gezien als een vorm van kinderbijslag, zodat het gehele pensioen inclusief de toeslag op de eiseres toekomende periodieke uitkering in mindering dient te worden gebracht. Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft daartoe onder meer doen aanvoeren dat deze toeslag niet als gezinsinkomen kan worden aangemerkt, aangezien over het algemeen kinderen niet bijdragen aan het gezinsinkomen. Voorts heeft eiseres naar voren doen brengen dat zij kosten maakt voor het levensonderhoud van haar kinderen ondanks het feit dat de twee kinderen in militaire dienst zijn. De Raad overweegt het volgende. Blijkens de van de zijde van eiseres in geding gebrachte stukken ontvangt eiseres de in geding zijnde toeslag in het kader van de Bituach Leumi regeling, artikel 244 onder b, op grond waarvan een ingevolge die regeling verzekerde een aanvulling op het pensioen ontvangt, indien sprake is van hem afhankelijke personen, waartoe kinderen tot 22 jaar behoren zolang zij in dienst zijn. De Raad volgt verweerster in haar opvatting dat een dergelijke toeslag niet kan worden aangemerkt als kinderbijslag uit welken hoofde of onder welke benaming ook, die ingevolge artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet van aftrek op de periodieke uitkering is uitgezonderd. Daartoe acht de Raad bepalend de omstandigheid dat de Bituach Leumi regeling naast de onderwerpelijke toeslag een aparte, elders opgenomen afdeling betreffende kinderbijslag kent. Naar het oordeel van de Raad is in casu sprake van een aan eiseres toekomend pensioen, waarvan de hoogte afhankelijk is van de gezinsomstan-digheden, zoals het hebben van een van de verzekerde afhankelijke partner, dan wel van minderjarige kinderen, of, zoals in het geval van eiseres, kinderen tot 22 jaar, die hun militaire dienstplicht vervullen. Naar het oordeel van de Raad dient genoemde toeslag als deel van het aan eiseres toekomende pensioen geheel aan haar te worden toegerekend en ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onder d, van de Wet als overige inkomsten op de eiseres toekomende periodieke uitkering in mindering te worden gebracht. Het voorgaande betekent dat het beroep van eiseres ongegrond verklaard moet worden. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. H.R. Geerling-Brouwer als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2004. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) P.W.J. Hospel. HD 16.02