Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AP9156

Datum uitspraak2004-06-09
Datum gepubliceerd2004-07-12
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers01/5966 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Termijnoverschrijding indienen bezwaarschrift.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 01/5966 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellante], wonende te [woonplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Door appellante is hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Roermond (procedurenummer 01/609 ZW K1) van 7 november 2001 en is vervolgens nog een gedingstuk ingediend. Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 mei 2004, waar appellante met kennisgeving niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.S. van 't Oor, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING In dit geding is de vraag aan de orde of de rechtbank in haar uitspraak terecht het beroep van appellante gegrond heeft verklaard en terecht heeft geoordeeld dat het door appellante bestreden besluit van gedaagde van 25 mei 2001, waarmee het bezwaar van appellante tegen zijn besluit van 2 maart 2000 ongegrond is verklaard, in rechte geen stand kan houden omdat gedaagde dit bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad overweegt het volgende. Door appellante is -evenals in eerste aanleg- aangevoerd dat het bezwaarschrift op de laatste dag van de bezwaartermijn, donderdag 16 maart 2000, door haar ter post is bezorgd. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voormeld standpunt van appellante geen steun vindt in de gedingstukken. Uit de poststempel op de enveloppe waarmee het bezwaarschrift is verstuurd moet ook naar het oordeel van de Raad worden afgeleid dat de enveloppe op zondag 19 maart 2000 is afgestempeld en dus niet tijdig ter post is bezorgd. De Raad kan zich ook voor het overige vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen en verwijst daar kortheidshalve naar. De in hoger beroep door appellante aangevoerde grief dat ook gedaagde zich schuldig heeft gemaakt aan termijn- overschrijding, door pas ruim een jaar nadat het bezwaarschrift was ingediend een beslissing op bezwaar af te geven, kan niet leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak. Nu het bezwaarschrift te laat is ingediend en het bezwaar door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk is verklaard, kan geen toetsing van het bestreden besluit, waarbinnen ook voormelde grief valt, meer plaatsvinden. Gelet op bovenstaande overwegingen is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. De Raad beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2004. (get.) M.S.E. Wulffraat-van Dijk. (get.) J.W.P. van der Hoeven.