Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ1034

Datum uitspraak2002-08-20
Datum gepubliceerd2004-07-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Rotterdam
Zaaknummers01/2147 WAZ
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verweerder heeft bij besluit van 20 maart 2001 eiser meegedeeld opnieuw besloten te hebben dat hij met ingang van 26 maart 1999 geen recht heeft op een WAZ-uitkering, aan welk besluit verweerder dezelfde motivering ten grondslag heeft gelegd als die welke aan het (primaire) besluit van 29 februari 2000 ten grondslag was gelegd. Eiser heeft bij brief van 24 maart 2001 tegen dit besluit van 20 maart 2001 bezwaar gemaakt. Bij besluit I heeft verweerder het besluit van 20 maart 2001 ingetrokken en het bezwaar van eiser van 8 april 2000, gericht tegen het besluit van 29 februari 2000, alsnog ongegrond verkaard. Verweerder heeft terecht gemeend dat het besluit van 20 maart 2001 onjuist was, zodat hij op goede gronden gemeend heeft bevoegd te zijn bij besluit I het besluit van 20 maart 2001 in te trekken. Gelet op deze intrekking, had eiser geen belang meer bij een beslissing op zijn bezwaar van 24 maart 2001 dat gericht was tegen dat besluit. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen dat besluit daarom bij besluit II terecht niet-ontvankelijk verklaard.


Uitspraak

RECHTBANK TE ROTTERDAM Enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken Reg.nr.: WAZ 01/2147 FRC Uitspraak in het geding tussen [x], eiser, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen als rechtsopvolger van het Landelijk instituut sociale verzekeringen, verweerder. 1. Ontstaan en loop van de procedure Op 6 mei 1999 heeft eiser bij verweerder een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering zelfstandigen (hierna: de WAZ). Bij besluit van 29 februari 2000 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij met ingang van 27 maart 1999 geen recht heeft op een WAZ-uitkering, omdat hij een uitkering ontvangt ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO); inclusief vakantiegeld bedroeg die uitkering op dat moment volgens het besluit f.225,57 per dag, zodat deze uitkering hoger is dan de grondslag waarnaar zijn eventuele WAZ-uitkering berekend zou moeten worden en de grondslag van die eventueel toe te kennen WAZ-uitkering dientengevolge nihil is. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 8 april 2000 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 7 december 2000 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard, aangezien gebleken was dat hij, alvorens op eisers aanvraag te beslissen, had verzuimd eiser medisch te beoordelen. Bij dat besluit is vermeld dat verweerder, nadat eiser medisch beoordeeld was, een nieuw besluit zou nemen. Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 15 januari 2000 beroep bij de rechtbank ingesteld. Eiser is op 15 februari 2001 medisch onderzocht door de adviserend verzekeringsarts mw. A.C.J. de Boer-Wever, die in haar rapport van die datum heeft geconcludeerd dat er bij eiser geen sprake meer is van duurzaam benutbare arbeidsmogelijkheden. Bij brief van 5 maart 2001 heeft verweerder eiser, mede op basis van deze (her)beoordeling, meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de WAO ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% tot 100%. Bij brief van 15 maart 2001 heeft verweerder de rechtbank bericht dat hij zijn besluit van 7 december 2000 intrekt en dat hij eiser een nieuw besluit op het bezwaarschrift van 8 april 2000 zal verstrekken. Verweerder heeft bij besluit van 20 maart 2001 eiser meegedeeld opnieuw besloten te hebben dat hij met ingang van 26 maart 1999 geen recht heeft op een WAZ-uitkering, aan welk besluit verweerder dezelfde motivering ten grondslag heeft gelegd als die welke aan het besluit van 29 februari 2000 ten grondslag was gelegd. Eiser heeft bij brief van 24 maart 2001 tegen dit besluit van 20 maart 2001 bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 28 april 2001 heeft de rechtbank eisers beroep tegen het besluit van 7 december 2001 onder vernietiging van dat besluit niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 21 augustus 2001 (hierna: besluit I) heeft verweerder het besluit van 20 maart 2001 ingetrokken en het bezwaar van eiser van 8 april 2000, gericht tegen het besluit van 29 februari 2000, alsnog ongegrond verkaard. Bij besluit van 24 augustus 2001 (hierna: besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eiser van 24 maart 2001, gericht tegen het besluit van 20 maart 2001, niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 21 september 2001 (hierna: besluit III) heeft verweerder het bezwaar van 24 maart 2001, gericht tegen het besluit van 5 maart 2001, niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de besluiten I, II en III heeft eiser bij brief van 25 september 2001 beroep ingesteld. Verweerder heeft bij brief van 19 november 2001 een verweerschrift ingediend. Eiser heeft bij brief van 9 april 2002 gerepliceerd. Bij brief van 8 mei 2002 heeft verweerder gedupliceerd. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2002. Eiser was hierbij aanwezig; verweerder is met kennisgeving niet verschenen. 2. Overwegingen Met ingang van 1 januari 2002 zijn de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Stb. 2001, 624) en de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Stb. 2001, 625) in werking getreden (Stb. 2001, 682). Ingevolge artikel 11 van de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen. Ten aanzien van besluit II overweegt de rechtbank het volgende. In besluit I heeft verweerder met juistheid overwogen dat het verstrekken van een onderzoeksopdracht bij besluit op bezwaar in strijd is met het voorschrift van artikel 7:11, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) dat bij herroeping van een besluit gelijktijdig een nieuw besluit genomen moet worden. Verweerder heeft dan ook terecht gemeend dat het besluit van 20 maart 2001 onjuist was, zodat hij op goede gronden gemeend heeft bevoegd te zijn bij besluit I het besluit van 20 maart 2001 in te trekken. Gelet op deze intrekking, had eiser geen belang meer bij een beslissing op zijn bezwaar van 24 maart 2001 dat gericht was tegen dat besluit. Verweerder heeft het bezwaar van eiser tegen dat besluit daarom bij besluit II terecht niet-ontvankelijk verklaard. Ten aanzien van besluit III overweegt de rechtbank het volgende. Bij besluit van 5 maart 2001 heeft verweerder vastgesteld dat eisers uitkering ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ongewijzigd voortgezet zal worden; bij dit besluit heeft verweerder geen wijziging gebracht in het eertijds vastgestelde dagloon. Blijkens hetgeen eiser in bezwaar tegen dit besluit heeft aangevoerd, heeft hij met zijn bezwaar beoogd een verhoging van zijn WAO-uitkering te bewerkstelligen met zijn maatmaninkomen in het kader van de WAZ dan wel met de door verweerder voor een eventueel toe te kennen WAZ-uitkering berekende grondslag ad f.79,91. Het bedrag van een uitkering ingevolge de WAO wordt met inachtneming van de mate van arbeidsongeschiktheid van een betrokkene bepaald door het ingevolge artikel 14 van de WAO vastgestelde dagloon. Het dagloon waarnaar eisers uitkering wordt berekend, is niet vastgesteld bij het besluit van 5 maart 2001, maar bij de beslissing waarbij hem een dergelijke uitkering is toegekend. Nu bij besluit van 5 maart 2001 ter zake van eisers dagloon geen besluit in de zin van een publiekrechtelijke rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is genomen en nu de door eiser in zijn bezwaar tegen dat besluit geuite grieven zich beperkten tot de hoogte van het bedrag van zijn WAO-uitkering, heeft verweerder terecht gemeend dat het besluit van 5 maart 2001 dienaangaande niet appellabel was, zodat hij dat bezwaar bij besluit III terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. De besluiten II en III houden derhalve in rechte stand, zodat het beroep van eiser in zoverre ongegrond verklaard wordt. Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij op dat eiser, indien hij herziening van zijn (tussen partijen na de desbetreffende toekenningsbeslissing inmiddels in rechte vaststaande) dagloon ingevolge de WAO wenst, zich met een daartoe strekkend verzoek tot verweerder kan wenden. Bij de beoordeling van eisers beroep, gericht tegen besluit I, gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser was vanaf 1969 als universitair docent economie in dienstbetrekking werkzaam bij de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Vanaf 1977 heeft eiser als zelfstandige naast zijn werkzaamheden in dienstbetrekking diverse betaalde nevenfuncties verricht. Met ingang van 1 december 1988 is eiser door het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds een invaliditeitspensioen toegekend. In verband met de voorgenomen toepasselijkheid van de werknemersverzekeringen op ambtenaren is dit invaliditeitspensioen met ingang van 1 januari 1996 omgezet in een WAO-conforme uitkering. In het genot van dit pensioen/deze uitkering zijnde, heeft eiser met medeweten van de uitkeringsinstanties zijn betaalde nevenwerkzaamheden voortgezet. Eiser is van 27 maart 1998 tot 12 juni 1998 in het ziekenhuis opgenomen geweest; van toen af aan heeft hij in verband met zijn gezondheidstoestand een groot deel van zijn nevenfuncties neer moeten leggen, hetgeen hij verweerder heeft medegedeeld. In verband met het verlies van verdiensten uit zijn nevenfuncties heeft eiser op 6 mei 1999 verweerder verzocht hem naast zijn uitkering ingevolge de WAO een uitkering ingevolge de WAZ toe te kennen. Verweerder heeft deze aanvraag met een beroep op artikel 8, dertiende lid, van de WAZ afgewezen. Eiser is - kort weergegeven - van oordeel dat artikel 8, dertiende lid, van de WAZ in zijn geval niet van toepassing is, omdat er bij hem geen sprake is van het intreden van arbeidsongeschiktheid maar van het toenemen van arbeidsongeschiktheid welke toename voortkomt uit dezelfde oorzaak als die waarvoor destijds het invaliditeitspensioen is toegekend. Eiser wijst er daarbij op dat hij zijn nevenverdiensten uit zijn werkzaamheden als zelfstandige niet met het oog op benutting van enige resterende verdiencapaciteit heeft genoten, maar dat hij deze verdiensten reeds genoot op het moment dat hem een invaliditeitspensioen werd toegekend. Eiser heeft voorts aangevoerd dat de toekenning van zijn WAO-uitkering en van een eventuele WAZ-uitkering gegrond zijn op gescheiden inkomenstrajecten, zodat voor anticumulatie van beide uitkeringen geen aanleiding bestaat. Eiser heeft in dit verband gewezen op - het Besluit van 25 november 1998, Stcrt. 237, en de Lisv-Mededeling M 00.024 van 3 maart 2000, betrekking hebbende op de samenloop van WAZ-uitkeringen met uitkeringen ingevolge de WAO; en - op het concept voorstel van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in de sociale verzekering, welk concept vermeldt dat de uitkeringsgrondslag uiteraard een voldoende inkomensbescherming dient te blijven bieden. Eiser tekent hierbij aan dat de WAZ ziet op compensatie van feitelijke inkomensderving. Verweerder heeft zich - eveneens kort weergegeven - op het standpunt gesteld dat in het dwingendrechtelijke artikel 8, dertiende lid, van de WAZ geen onderscheid is gemaakt tussen enerzijds een situatie waarbij de neveninkomsten uit de als zelfstandige verrichte arbeid reeds werden genoten ten tijde van het intreden van de arbeidsongeschiktheid en anderzijds een situatie waarin die neveninkomsten door een toename van de arbeidsongeschiktheid eerst na het intreden van de arbeidsongeschiktheid verloren zijn gegaan. Dit artikellid staat er naar het oordeel van verweerder aan in de weg dat er aanspraak bestaat op naast elkaar bestaande ongekorte arbeidsongeschiktheids-uitkeringen ingevolge enerzijds de WAO en anderzijds de WAZ. Verweerder wijst er voorts op dat bij de premieheffing op grond van de WAZ de inkomsten uit dienstbetrekking in mindering worden gebracht op het premieplichtig WAZ-inkomen. De rechtbank overweegt het volgende. Eiser heeft noch in zijn bezwaar tegen de besluiten van 29 februari 2000 en 5 maart 2001 noch in zijn beroep tegen het besluit I inhoudelijke, dat wil zeggen medische of arbeidskundige, gronden aangevoerd. Eisers grief tegen deze besluiten alsmede tegen besluit I betreft in essentie de overweging van verweerder dat het bepaalde in artikel 8, dertiende lid, van de WAZ zich verzet tegen toekenning aan hem van een uitkering ingevolge die wet. Mede gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb zal de rechtbank zich beperken tot beoordeling van dit (partijen verdeeld houdende) punt van geschil. In artikel 8, dertiende lid, van de WAZ is, voorzover hier van belang, bepaald dat indien de verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ingevolge de WAZ, op de dag van het intreden van arbeidsongeschiktheid als bedoeld in die wet, recht had op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO, het bedrag van zijn op grond van de WAZ vastgestelde grondslag verminderd wordt met het bedrag van de WAO-uitkering waarop hij recht heeft op de dag voorafgaande aan het intreden van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de WAZ. Gelet op dit artikellid en op het door eiser niet dan wel onvoldoende gemotiveerd bestreden feit dat het bedrag van eisers uitkering ingevolge de WAO op 26 maart 1998 (zijnde de dag voorafgaande aan het intreden van eisers arbeidsongeschiktheid als bedoeld in de WAZ) het bedrag van zijn op grond van de WAZ vastgestelde grondslag (in ruime mate) overtrof, wordt vastgesteld dat de aan eiser eventueel toe te kennen uitkering ingevolge de WAZ op nihil gesteld dient te worden. Verweerder heeft zulks terecht en op goede gronden bij het besluit van 29 februari 2000 vastgesteld, zodat hij bij besluit I terecht het bezwaar van eiser tegen dat besluit ongegrond heeft verklaard. Eisers beroep tegen dit laatste besluit is dan ook ongegrond. Hieraan kunnen de door eiser opgeworpen grieven niet afdoen. De rechtbank merkt in dit verband nog op - dat in artikel 8, dertiende lid, van de WAZ geen onderscheid wordt gemaakt tussen de situaties waarin sprake is van een toename dan wel een gelijkgebleven mate van arbeidsongeschiktheid; voor vermindering van de grondslag ingevolge de WAZ met het bedrag van de WAO-uitkering volstaat dat hij, die recht heeft op WAZ-uitkering, op de dag van het intreden van de arbeidsongeschiktheid als bedoeld in die wet (in casu 27 maart 1998), recht had op een WAO-uitkering; - dat artikel 8, dertiende lid, van de WAZ dwingendrechtelijk geformuleerd is en dat uit de wetsgeschiedenis niet op niet mis te verstane wijze duidelijk wordt dat dit artikellid de bedoeling van de wetgever niet juist weergeeft. Het is noch verweerder noch de rechtbank toegestaan om van een dwingendrechtelijk geformuleerde formeel-wettelijke bepaling af te wijken, waarbij nog gewezen wordt op artikel 11 van de Wet Algemene Bepalingen, ingevolge welk artikel het de rechter verboden is de innerlijke waarde of de billijkheid van een dergelijke wettelijke bepaling te beoordelen. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, dient het beroep van eiser tegen de besluit I, II en III ongegrond verklaard te worden. Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding. 3. Beslissing De rechtbank, recht doende: verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.F.C. Francken. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. W.B. Vos als griffier, uitgesproken in het openbaar op 20 augustus 2002. De griffier: De rechter: Afschrift verzonden op: Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.