Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AQ4561

Datum uitspraak2004-05-12
Datum gepubliceerd2004-07-22
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers02/02633
Statusgepubliceerd


Indicatie

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: -is aan belanghebbende terecht en tot een juist bedrag een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1996; -is belanghebbende terecht geen aanvullend recht op aftrek van fl. 8500,= over 1997 verleend.


Uitspraak

BELASTINGKAMER Nr. 02/02633 HET GERECHTSHOF TE 's-HERTOGENBOSCH U I T S P R A A K Uitspraak als bedoeld in artikel 8:66, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch, dertiende enkelvoudige Belastingkamer, op het beroep van de heer X te Y (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd van de eenheid Particulieren/Ondernemingen Y van de rijksbelastingdienst (hierna, evenals de voorzitter van het managementteam van het onderdeel Belastingdienst/YY van de rijksbelastingdienst, de thans ten aanzien van belanghebbende bevoegde Inspecteur, aan te duiden als: de Inspecteur) op het bezwaarschrift betreffende na te melden naheffingsaanslag omzetbelasting. 1. Ontstaan en loop van het geding 1.1. Aan belanghebbende is onder aanslagnummer 0000.00.000.F.000 over het tijdvak 1 januari 1996 tot en met 31 december 1996 een naheffingsaanslag in de omzetbelasting opgelegd ten bedrage van € 23.854,= aan enkelvoudige belasting. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij de bestreden uitspraak de naheffingsaanslag gehandhaafd. 1.2. Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 109,=. De Inspecteur heeft bij verweerschrift het beroep bestreden. 1.3. Op grond van artikel 8:58 van de Awb heeft belanghebbende vóór de zitting een nader stuk ingediend. Dit stuk is in afschrift verstrekt aan de wederpartij en behoort tot de stukken van het geding. 1.4. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 20 april 2004 te 's-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer mr. R. 1.5. De Inspecteur heeft ter zitting, zonder bezwaar van de wederpartij, een kopie overgelegd van een brief van 11 februari 2000 van GKB Y aan belanghebbende. Belanghebbende is ter zitting een kopie van die brief verstrekt. Belanghebbende is ter zitting een afschrift van het verweerschrift verstrekt. 1.6. Het hof heeft vervolgens het onderzoek ter zitting gesloten. 2. Feiten Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende vast: 2.1. Belanghebbende was in 1996 ondernemer in de zin van artikel 7 van de Wet op de omzetbelasting 1968. Zijn ondernemersactiviteiten bestonden uit het op maat snijden, slijpen en polijsten van glasproducten en spiegels en de detailhandel in deze en aanverwante producten. 2.2. De heer M van Boekhoud & Administratiekantoor M heeft namens belanghebbende op 24 oktober 1997 aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting voor het jaar 1996. Bij die aangifte was een jaarrekening gevoegd, waarin een suppletie-aangifte omzetbelasting was opgenomen. Volgens die suppletie-aangifte is er fl. 23.854,22 aan omzetbelasting verschuldigd over de omzet in 1996 en bestaat er recht op aftrek van voorbelasting ten bedrage van fl. 15.108,80. 2.3. Naar aanleiding van die suppletie-aangifte heeft de Inspecteur met dagtekening 30 oktober 2000 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van fl. 23.854,= waarbij een bedrag van fl. 2.832,= aan heffingsrente is berekend. Bij vaststelling van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur geen rekening gehouden met de in de suppletie-aangifte opgenomen voorbelasting ten bedrage van fl. 15.108,80. 2.4. Belanghebbende heeft op 25 augustus 2000 een verzoek om teruggaaf omzetbelasting over 1996 en 1997 gedaan. Omdat het verzoek niet binnen de wettelijke termijn was ingediend, heeft de Inspecteur het verzoek ambtshalve bezien. Bij schrijven van 12 oktober 2000 van mevrouw A van de belastingdienst inzake het voorgenoemde verzoek van belanghebbende, is het verzoek om teruggaaf van omzetbelasting afgewezen. In dit schrijven van 12 oktober 2000 staat, voor zover te dezen van belang, ondermeer het volgende: "(...) De door u ter inzage verstrekte bescheiden betroffen niet alleen facturen maar ook diverse incassobescheiden. Incassobescheiden zijn echter geen facturen, het gaat om de daaraan ten grondslag liggende facturen. Op grond van deze incassobescheiden heeft u dus geen recht op aftrek van voorbelasting. Ik heb u dan ook meegedeeld dat alleen facturen aan u gericht waar de voorbelasting apart op is vermeld en die betrekking hebben op goederen en diensten die in het kader van uw onderneming zijn gebruikt voor aftrek in aanmerking komen. Tevens heb ik u de werking van artikel 29 lid 2 van de Wet op de omzetbelasting uitgelegd. Op grond hiervan wordt een belastingplichtige de in aftrek gebrachte voorbelasting weer verschuldigd op het tijdstip dat redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij/zij de factuur niet zal betalen. De afgetrokken voorbelasting wordt de ondernemer echter in ieder geval verschuldigd als na het opeisbaar worden van het factuurbedrag 2 jaar zijn verstreken en dit bedrag nog niet (geheel) is betaald. Uit de door u verstrekte bescheiden en ons gesprek van vanmorgen blijkt dat u het overgrote deel van de betreffende facturen niet heeft betaald. Dit betekent dat u de voorbelasting op grond van voorgenoemd artikel weer verschuldigd wordt. Per saldo zult u over 1995 en 1996 dus recht hebben op aftrek van voorbelasting over een klein bedrag. U verzoek om teruggaaf van omzetbelating wijs ik derhalve af. Indien u aan mij binnen 4 weken na dagtekening van deze brief alsnog de betalingsbewijzen van de betreffende facturen overlegt en indien u voor zover nog niet aan mij verstrekt, de betreffende facturen overlegt, zal ik met betrekking tot deze facturen uw verzoek opnieuw bekijken. Maar de omzetbelasting die staat vermeld op facturen die door u niet zijn voldaan, komt niet voor teruggaaf in aanmerking. Ook zal ik over 1996 een naheffingsaanslag omzetbelasting opleggen voor een bedrag van fl. 23.854,22. Dit is de omzetbelasting die u volgens de door u ingediende jaarstukken over 1996 bent verschuldigd over de omzet. U heeft deze omzetbelasting nooit aangegeven en afgedragen. Ik houd hierbij geen rekening met eventuele voorbelasting om dezelfde reden als hiervoor genoemd. (...)". 2.5. In het schrijven met dagtekening 11 februari 2000 van de Gemeentelijke Kredietbank Y (hierna: GKB) staat, voorzover te dezen van belang, ondermeer het volgende: "(...) Naar aanleiding van uw verzoek om een schuldregeling deel ik u het volgende mee. Uit een ingesteld onderzoek blijkt een schuldenlast van f.119333,51 verdeeld over 19 schuldeisers. (...)". 2.6. In de brief van de Inspecteur van 27 februari 2002 staat op pagina 2, voorzover te dezen van belang, ondermeer het volgende: (...) De aanslag is opgelegd naar aanleiding van de suppletie-aangifte omzetbelasting, welke was opgenomen in de jaarrekening van 1996. Deze jaarrekening was gevoegd bij uw aangifte inkomstenbelasting over 1996. Volgens deze suppletie-aangifte is er f 23.854,22 aan omzetbelasting verschuldigd over de omzet en zou recht bestaan op f 15.108,80. (...) In uw bezwaarschrift stelt u:(...) 3. dat ten onrechte geen rekening is gehouden met voorbelasting. Volgens uw verklaring zijn de facturen waarop de voorbelasting betrekking heeft, geheel betaald. (...) Voor wat betreft punt 3. U stelt dat de facturen, waarop de voorbelasting betrekking heeft, geheel zijn betaald. U bent diverse keren in de gelegenheid gesteld om de betaling van de facturen aan te tonen. Ik verwijs naar de brief van mevrouw A van 12 oktober 2000. Tot op heden bent u daarin nog niet geslaagd.(...)". 3. Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen 3.1. Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen: -is aan belanghebbende terecht en tot een juist bedrag een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over 1996; -is belanghebbende terecht geen aanvullend recht op aftrek van fl. 8500,= over 1997 verleend. Belanghebbende is van oordeel dat deze vragen ontkennend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan. 3.2. Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Ter zitting hebben zij hieraan nog het volgende, zakelijk weergegeven, toegevoegd: Belanghebbende Ik ben akkoord met de twee stappen, fl. 23.859,= aan omzetbelasting over de omzet en fl. 15.108,80 aan voorbelasting, die blijken uit de stukken die de heer M aan de belastingdienst heeft gezonden. Ik heb het verweerschrift niet ontvangen. Ik heb echter geen probleem met het overleggen van het verweerschrift op deze zitting. Ik heb de betalingsbewijzen wel aan de belastingdienst verstrekt. De betalingsbewijzen zijn echter door de belastingdienst niet geaccepteerd. Ik heb geen schuld van fl. 119.333,51. Het is correct dat ik over 1996 fl. 8.500,= aan de belastingdienst ben verschuldigd. Die belasting is betaald. Ik wil het dan nog wel even over 1997 hebben. De voordruk over 1997 heb ik niet teruggekregen. De Inspecteur (desgevraagd) Het stuk afkomstig van belanghebbende met dagtekening 29 maart 2004 heb ik ontvangen. Het bezien van stukken door mevrouw A in 2000 betreft het tijdvak 1996. In het kader van de vaststelling in 1996 of de facturen niet zouden worden betaald, beschik ik over een brief van het GKB van 11 januari 2000. Hieruit heb ik afgeleid dat in 1996 de schulden naar alle waarschijnlijkheid niet betaald zouden worden. Het gaat hier om omzetbelasting, zijnde de voorbelasting, die op grond van artikel 29, tweede lid Wet op de omzetbelasting 1968 over 1996 is verschuldigd. Er is over 1996 geen omzetbelasting betaald. 3.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de bestreden uitspraak en toekenning van de verzochte teruggaaf. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep. 4. Beoordeling van het geschil 4.1. Het Hof stelt voorop dat de in geding zijnde omzetbelasting is nageheven over het tijdvak 1996. Dat betekent dat een mogelijk niet tot gelding gebracht recht op aftrek van voorbelasting inzake facturen uitgereikt in 1997 in deze procedure niet aan de orde kan komen. Indien een dergelijk recht zou bestaan dan is gezien het gestelde in artikel 15 van de Wet op de omzetbelasting 1968 dat recht immers eerst ontstaan in 1997. Op grond van voornoemd artikel 15 ontstaat in dezen het recht op aftrek namelijk in het tijdvak van aangifte waarin de omzetbelasting door andere ondernemers of facturen in rekening is gebracht, in casu in 1997. Gelet op het vorenstaande heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag terecht niet verminderd met de door belanghebbende gestelde voorbelasting over 1997. In zoverre is de uitspraak van de Inspecteur derhalve juist. 4.2. Gelet op hetgeen partijen in het geding naar voren hebben gebracht, kan thans een teruggaaf van omzetbelasting over 1997 alleen nog ambtshalve door de Inspecteur worden bezien en verleend. De Inspecteur heeft zich ter zitting bereid verklaard de aftrek van voorbelasting over 1997 nogmaals in overleg met belanghebbende te bezien. Voorwaarde daartoe is dat belanghebbende een en ander inzichtelijk maakt en de nodige bewijsstukken (facturen e.d.) overlegd. Het Hof merkt hierbij, wellicht ten overvloede op, dat indien blijkt dat de betreffende facturen niet zijn en zullen worden betaald er over 1997 geen recht op teruggaaf van omzetbelasting bestaat. 4.3. De Inspecteur, op wie te dezen de bewijslast rust, heeft de naheffingsaanslag opgelegd op grond van de namens belanghebbende ingediende suppletie-aangifte omzetbelasting. Met het gestelde in zijn aanvulling op het beroepschrift d.d. 29 maart 2004, per saldo verschuldigd globaal fl. 8.500,=, en zijn erkenning ter zitting van de twee stappen in de suppletie-aangifte over 1996, ingediend door de heer M, is komen vast te staan dat belanghebbende in 1996 fl. 23.854,= aan omzetbelasting is verschuldigd over zijn omzet. Uitgaande van uit de suppletie-aangifte blijkende omzet over 1996 en de daarin opgenomen voorbelasting ten bedrage van fl. 15.108,80, is per saldo immers een bedrag fl. 8.745,20 aan omzetbelasting verschuldigd. 4.4. De Inspecteur heeft gesteld dat de door belanghebbende genoemde fl. 8.500 niet door belanghebbende is betaald. Het schrijven van 12 oktober 2000 van mevrouw A meldt in dezen: "Dit is de omzetbelasting die u volgens de door u ingediende jaarstukken over 1996 bent verschuldigd over de omzet. U heeft deze omzetbelasting nooit aangegeven en afgedragen.". Ook het gebruik van een suppletie-aangifte bij de op 24 oktober 1997 ingediende aangifte IB 1996 duidt zonder reserve op niet betaalde omzetbelasting. Belanghebbende heeft ten aanzien van zijn stelling dat de omzetbelasting over 1996 door hem is betaald geen bewijs overlegd, noch anderszins iets naar voren gebracht inzake de betaling van omzetbelasting over 1996. Gezien het vorenstaande acht het Hof de inspecteur geslaagd in het bewijs dat over 1996 geen omzetbelasting is afgedragen. 4.5. Bij het opleggen van de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur geen rekening gehouden met de in de voornoemde suppletie-aangifte opgenomen voorbelasting. De Inspecteur stelt in zijn verweerschrift ter zake dat geen rekening is gehouden met eventuele voorbelasting aangezien deze staat vermeld op facturen die door belanghebbende niet zijn voldaan, verwijzend naar het schrijven van 12 oktober 2000. Ter zitting heeft de Inspecteur bevestigd dat het in dezen gaat om voorbelasting die is verschuldigd op grond van artikel 29, tweede lid Wet op de omzetbelasting 1968. Uit het vorenstaande concludeert het Hof dat de vraag of de voorbelasting kan worden afgetrokken indien deze zou zijn voldaan niet in geschil is. 4.6. Op grond van voornoemd artikel 29, tweede lid wordt de ondernemer de door hem in aftrek gebrachte omzetbelasting naar evenredigheid verschuldigd op het tijdstip waarop en voorzover redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij de vergoeding waarop dat bedrag betrekking heeft, niet of niet geheel zal betalen dan wel heeft terug ontvangen. Te dezen rust op Inspecteur bewijslast aannemelijk te maken dat het in 1996 duidelijk was dat belanghebbende de betreffende facturen niet of niet geheel zou voldoen. 4.7. In de door de Inspecteur bij zijn verweerschrift gevoegde brief van mevrouw A van 12 oktober 2000 is gesteld dat belanghebbende het overgrote deel van de in 1995 en 1996 ingekomen inkoopfacturen niet heeft betaald. In dat kader heeft de inspecteur het verzoek om teruggaaf afgewezen. Uit die brief en de overige correspondentie is echter niet af te leiden op welk moment redelijkerwijs moest worden aangenomen dat belanghebbende de betreffende facturen niet of niet geheel zou betalen. Zeker is dat er in dezen geen aanwijzing is te vinden dat de toestand van niet betalen al reeds in 1996 was ingetreden. 4.8. Uit de ter zitting door de Inspecteur overgelegde brief van 11 februari 2000 van GKB Breda blijkt dat belanghebbende een verzoek heeft gedaan om een schuldregeling. Verder wordt aangegeven dat het GKB uit onderzoek is gebleken dat belanghebbende een schuldenlast heeft van fl. 119.333,51. Belanghebbende heeft ter zitting overigens gesteld geen schuld te hebben. Uit voornoemde brief blijkt niet dat het gaat om schulden inzake inkoopfacturen uit 1996. Ook is geen enkele aanwijzing opgenomen omtrent het tijdstip van het ontstaan van de schulden. 4.9. Gelet op het vorenoverwogene onder 4.7. en 4.8. is het Hof van oordeel dat de Inspecteur niet in de op hem rustende bewijslast is geslaagd om aannemelijk te maken dat reeds in 1996 redelijkerwijs kon worden aangenomen dat belanghebbende de betreffende inkoopfacturen niet of niet geheel zou betalen als bedoeld in meergenoemd artikel 29, tweede lid. In die zin heeft de naheffing van de voorbelasting over het jaar 1996 derhalve ten onrechte plaatsgevonden. 4.10. In de brief van 27 februari 2002, als bijlage 8 gevoegd bij het verweerschrift, is de voorbelasting in dezen gesteld op fl. 15.108,80. De Inspecteur heeft met betrekking tot dat bedrag geen nadere opmerkingen gemaakt, zodat het Hof dat bedrag in dezen als uitgangspunt hanteert. In dat verband dient de nageheven enkelvoudige belasting derhalve te worden verminderd met fl. 15.108,80, zodat het Hof die belasting vaststelt op fl. 8.745,=. 4.11. Gelet op het vorenstaande is het gelijk met betrekking tot de in geschil zijnde eerste vraag (gedeeltelijk)aan de zijde van belanghebbende. De naheffingsaanslag moet in dat verband worden verminderd tot fl. 8.745,=. Het gelijk met betrekking tot de tweede vraag is aan de Inspecteur. 5. Griffierecht Gelet op artikel 8:74, eerste lid, van de Awb dient aan belanghebbende het door hem gestorte griffierecht te worden vergoed. 6. Proceskosten Hoewel het beroep gegrond is, acht het Hof geen termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. Belanghebbende heeft namelijk niet verzocht om een proceskostenvergoeding, en het Hof is ook ambtshalve niet gebleken, dat hij voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 7. Beslissing Het Hof: * verklaart het beroep gegrond, * vernietigt de bestreden uitspraak, * vermindert de naheffingsaanslag tot een bedrag van fl. 8.745,=, * gelast dat aan belanghebbende wordt vergoed het door deze ter zake van de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 109,= en * wijst de Staat aan als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden. Aldus gedaan door G.D. van Norden, lid van voormelde kamer, en voor wat betreft de beslissing in tegenwoordigheid van A.R. Veldt, griffier, in het openbaar uitgesproken op 12 mei 2004. Aangetekend in afschrift aan partijen verzonden op: 12 mei 2004 Het aanwenden van een rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen: 1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (Postadres: Postbus 70583, 5201 CZ 's-Hertogenbosch). 2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd. 3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste: a. de naam en het adres van de indiener; b. de dagtekening; c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht; d. de gronden van het beroep in cassatie. Voor het instellen van beroep in cassatie is een griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep ontvangt U een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. Indien U na een mondelinge uitspraak griffierecht hebt betaald ter verkrijging van de vervangende schriftelijke uitspraak van het gerechtshof, komt dit in mindering op het griffierecht dat is verschuldigd voor het indienen van beroep in cassatie. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.