Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2665

Datum uitspraak2004-09-15
Datum gepubliceerd2004-09-23
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/5081 WAO + 04/4117 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Schatting WAO-uitkering. Geschiktheid geselecteerde functies.


Uitspraak

02/5081 WAO 04/4117 WAO U I T S P R A A K in de gedingen tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. H.B.Th. Koekkoek, werkzaam bij de Juridische Dienst van de Hout- en bouwbond CNV te Drachten, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Leeuwarden op 26 augustus 2002 (reg. nr. 01/311 WAO) tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellant een reactie is gegeven. Desgevraagd heeft gedaagde de Raad enige stukken toegezonden. Op 30 juli 2004 heeft gedaagde de Raad een nieuw besluit op bezwaar van die datum toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 4 augustus 2004, waar appellant, met voorafgaand bericht, niet is verschenen en waar namens gedaagde is verschenen mr. A. van den Os, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant, voltijds werkzaam als timmerman, is op 19 april 1999 uitgevallen met rug-, arm- en nekklachten. Nadat appellant op 5 oktober 1999 was onderzocht door verzekeringsarts Y. Cernohorsky, heeft deze een belastbaarheidspatroon opgesteld. Op basis daarvan heeft de arbeidsdeskundige J. Reniers functies geselecteerd en is het verlies aan verdiencapaciteit van appellant berekend op 25,9%. Vervolgens heeft gedaagde appellant bij besluit van 17 april 2000 met ingang van 17 april 2000 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 februari 2001 ongegrond verklaard. Hangende het beroep tegen het besluit van 19 februari 2001 heeft gedaagde een nieuw besluit op bezwaar van 16 april 2002 (hierna: besluit 1) ingezonden waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 17 april 2000 is vastgesteld op 35 tot 45%. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 19 februari 2001 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, het beroep tegen besluit 1 ongegrond verklaard en gedaagde veroordeeld tot schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente alsmede tot vergoeding van de proceskosten van appellant. Bij nader besluit op bezwaar van 30 juli 2004 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 17 april 2000 vastgesteld op 65 tot 80%. Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de uitspraak onvoldoende is gemotiveerd. Het gaat appellant daarbij met name om de geschiktheid van de vier overgebleven functies chauffeur bestelauto, advertentie acquisiteur, bezorger tijdschriften en chauffeur klein groepsvervoer en de vraag of voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid per 17 april 2000 de juiste loonwaarden zijn gebruikt. Appellant vordert, naast vernietiging van de aangevallen uitspraak en vaststelling van zijn mate van arbeidsongeschiktheid op een hoger percentage, wettelijke rente over de niet tijdig verstrekte uitkering en vergoeding van proceskosten. De Raad overweegt als volgt. De Raad stelt vast dat gedaagde met besluit 2 niet geheel aan appellants beroep tegen besluit 1 tegemoet is gekomen. Derhalve wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het beroep tegen besluit 1 geacht mede te zijn gericht tegen besluit 2. De Raad zal eerst het tegen besluit 2 gericht geachte beroep van appellant beoordelen. De Raad stelt vast dat het beroep van appellant zich beperkt tot de geschiktheid van drie van de vier aan de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant ten grondslag gelegde functies alsmede de actualiteit van de loonwaarde van die functies. Appellant stelt dat hij vorenvermelde functies niet kan vervullen vanwege het daarbij veelvuldig voorkomende autorijden, waarbij hij zijn nek te veel zou moeten belasten. De Raad overweegt dat van de onder fb-code 9855 vermelde 6 functies chauffeur (bestelauto) alleen de verwoording functiebelasting van de functie met functienummer 3813-0102-002 een overschrijding aangeeft op het aspect nekgebruik en dan met name bij parkeren/spiegelen. In de rapportage restricties BVA/BAD van 6 juli 2001 en het nadere commentaar van bezwaarverzekeringsarts C.M. de Blécourt-Kuiper van 6 augustus 2002 is ten aanzien hiervan vermeld dat appellant zelf heeft aangegeven dat autorijden wel gaat. Voorts is de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat appellant zijn nek wel kan bewegen. Het probleem is ver draaien van de nek, maar naar het oordeel van deze bezwaarverzekeringsarts wordt bij autorijden de nek niet ver gedraaid, want dit wordt opgevangen door de spiegels en in een busje kan zelfs alleen maar op de spiegels worden gereden. Bovendien kan ook met het bovenlichaam enigszins worden meegedraaid. De bezwaarverzekeringsarts bevestigt dat appellant in een goede stoel moet zitten, maar merkt in dat verband op dat als het werk veel autorijden inhoudt de werkgever verplicht is voor een auto met een goede stoel te zorgen. Een speciaal aangepaste stoel acht De Blécourt-Kuiper voor appellant niet nodig. De Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze toelichting van de bezwaarverzekeringsarts en is van oordeel dat alle functies onder fb-code 9855 voor appellant geschikt moeten worden geacht. Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat de functie advertentieacquisiteur niet past bij zijn krachten en bekwaamheden, nu voor die functie verbale vaardigheden nodig zijn waarover appellant, die als timmerman is opgeleid en nooit ander werk heeft gedaan, niet beschikt. De Raad stelt vast dat voor deze functie een ervarings- noch leeftijdseis geldt en dat de werknemer eerst een interne opleiding van twee weken moet hebben gevolgd. De Raad ziet niet in waarom appellant gelet op zijn vooropleiding deze opleiding niet zou kunnen volgen en na het voltooien daarvan deze functie niet zou kunnen vervullen. Derhalve moet ook deze functie voor appellant geschikt worden geacht. De functie chauffeur klein groepsvervoer heeft naast een overschrijding op het aspect nekgebruik, waarvoor de Raad verwijst naar hetgeen onder de functie chauffeur bestelauto is overwogen, een overschrijding op het aspect duwen en trekken. Deze overschrijding houdt in dat incidenteel rolstoelen in de auto moeten worden geplaatst. Naar blijkt uit het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts hebben de betreffende busjes een rolstoellift, waarbij de rolstoel tegen een kleine helling of bubbel moet worden geduwd en bij het uitladen daar weer vanaf moet worden getrokken, waarbij de rolstoel iets moet worden tegengehouden. De Raad ziet geen aanleiding om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat dit duwen en trekken niet kan worden aangemerkt als zwaar en bovendien niet een frequent voorkomende handeling is, niet te volgen. De Raad is dan ook van oordeel dat ook deze functie door appellant moet kunnen worden verricht. Tegen de belasting in de functie bezorger tijdschriften heeft appellant geen bezwaren ingebracht. De verwoording functiebelasting van die functie laat wel een aantal overschrijdingen zien, maar de Raad acht de daarop door de bezwaarverzekeringsarts en de arbeidsdeskundige gegeven toelichting toereikend, zodat ook die functie voor appellant geschikt dient te worden geacht. Gelet op het vorenstaande berust de schatting op voldoende voor appellant geschikte functies. Bij de berekening van de verdiencapaciteit van appellant is de arbeidsdeskundige uitgegaan van de loonwaarden van deze functies zoals die blijkt uit de arbeidsmogelijkhedenlijst van 17 april 2000. Gelet op de datum in geding moet ervan worden uitgegaan dat dit de juiste loonwaarden zijn. De Raad is van oordeel dat gedaagde uitgaande van de functie advertentie-acquisiteur als mediaan en met toepassing van de reductiefactor 0.54 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 17 april 2000 terecht heeft vastgesteld op 65 tot 80%. De conclusie is dan ook dat het beroep van appellant, dat gericht wordt geacht tegen besluit 2, ongegrond dient te worden verklaard. De Raad is verder van oordeel dat met besluit 2 de grondslag aan besluit 1 is komen te ontvallen. Gelet daarop en in aanmerking genomen de ingestelde vordering tot betaling van schadevergoeding dient het beroep tegen besluit 1 gegrond te worden verklaard en dient dit besluit te worden vernietigd. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard niet in stand kan blijven. Voorts overweegt de Raad dat appellants verzoek om schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over de na te betalen uitkering dient te worden toegewezen. Wat betreft de wijze waarop gedaagde deze vergoeding dient te berekenen volstaat de Raad met te verwijzen naar zijn uitspraak van 1 november 1995, gepubliceerd in JB 1995/314. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen besluit 1 ongegrond is verklaard; Verklaart het beroep tegen besluit 1 gegrond en vernietigt dat besluit; Verklaart het beroep dat gericht wordt geacht tegen besluit 2 ongegrond; Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot vergoeding van schade als hiervoor is aangegeven; Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 82,- vergoedt. Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. Ch.J.G Olde Kalter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid van J.P Grauss als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2004. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.P Grauss. Gw