
Jurisprudentie
AR2684
Datum uitspraak2004-09-16
Datum gepubliceerd2004-09-23
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3694 AW
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-09-23
RechtsgebiedAmbtenarenrecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/3694 AW
Statusgepubliceerd
Indicatie
Hoger beroep tegen overwegingen rechtbank. Art. 37, vierde lid, aanhef en onder c ARAR: suppletie wegens beroepsziekte.
Uitspraak
02/3694 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 31 mei 2002, nr. AW 01/2511-GERR, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Nadien hebben partijen nog nadere stukken ingezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van 26 augustus 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.J. van Wely, werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Gedaagde is in persoon verschenen, bijgestaan door drs. H.W.J. Helsen te Zoetermeer.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Gedaagde was werkzaam bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, laatstelijk bij de afdeling Documentatie en Bibliotheek. Hij is eind 1998 definitief uitgevallen wegens ziekte en ontvangt sedert 7 januari 2000 een uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid op grond van de WAO. Deze uitkering werd door appellant aangevuld met een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering. Aan gedaagde is per 1 februari 2001 ontslag verleend.
1.2. Bij besluit van 27 november 2000 is de bovenwettelijke uitkering met toepassing van artikel 37, derde lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) met ingang van 1 december 2000 teruggebracht tot het verschil tussen 80% van de bezoldiging en de aan gedaagde toegekende arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit besluit is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 24 september 2001.
1.3. Gedaagde heeft hiertegen beroep ingesteld. Hij meent op grond van artikel 37, vierde lid, aanhef en onder c, van het ARAR aanspraak te kunnen (blijven) maken op een bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering ter grootte van het verschil tussen zijn bezoldiging en de WAO-uitkering, omdat in zijn geval sprake is van een beroepsziekte.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het besluit van 24 september 2001 vernietigd, omdat
- kort gezegd - appellant door zonder meer af te gaan op een niet onderbouwd en summier briefje van de bedrijfsarts niet had voldaan aan zijn vergewisplicht, zodat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank heeft voorts bepaald dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak.
3. Appellant kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank dat hij tekort is geschoten in zijn plicht zich ervan te vergewissen of het onderzoek van de bedrijfsarts op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden alvorens het bestreden besluit te nemen. Appellant is ook bereid dat onderzoek alsnog uit te voeren en heeft de bedrijfsarts hierover reeds benaderd met het verzoek zijn advies beter en inzichtelijker te onderbouwen, zij het dat dit vooralsnog is afgestuit op gebrek aan medewerking van gedaagde. Appellant heeft evenwel bezwaar tegen de opdracht dat het nieuwe besluit op bezwaar moet worden genomen met inachtneming van (al) hetgeen in de aangevallen uitspraak is overwogen, aangezien hij zich met een aantal overwegingen van de rechtbank volstrekt niet kan verenigen en daaraan niet gebonden wil zijn. De Raad deelt het standpunt van appellant dat het hier om bindende overwegingen gaat. Appellant kan dus in zijn hoger beroep worden ontvangen.
4.1. De eerste grief van appellant richt zich tegen hetgeen de rechtbank heeft overwogen aangaande de stelplicht van gedaagde: deze heeft volgens de rechtbank ruimschoots aan zijn stelplicht (met betrekking tot de aanwezigheid van een beroepsziekte) voldaan. Daarbij gaat de rechtbank ervan uit dat appellant sedert 1997 op de hoogte was van de oog- en rugklachten van gedaagde nu daar in brieven van de huisarts en van de oogarts uit dat jaar gewag van wordt gemaakt. Appellant heeft gesteld dat die brieven eerst in december 2001 in het kader van de procedure bij de rechtbank - dus na het bestreden besluit - door gedaagde in geding zijn gebracht en dat hij die niet eerder kende. Die stelling is niet betwist en geldt in ieder geval voor de brieven van de huisarts. Gelet hierop moet de gewraakte constatering van de rechtbank naar het oordeel van de Raad dan ook voor onjuist worden gehouden. Ook overigens kan de Raad de overweging dat gedaagde ruimschoots aan zijn stelplicht heeft voldaan niet onderschrijven. Om de aanwezigheid van een beroepsziekte aan te kunnen nemen moet - blijkens de definitie in artikel 35, aanhef en onder c, van het ARAR - sprake zijn van een ziekte die in overwegende mate haar oorzaak vindt in de aard van de werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht. Gedaagde heeft aangegeven dat zowel zijn oogklachten als zijn rug- en CARAklachten reeds lang bestonden - gedaagde spreekt zelf van een predispositie - en dat die klachten manifest werden op zijn werk. Daarmee heeft gedaagde geen begin van aannemelijkheid gegeven aan zijn stelling dat zijn klachten veroorzaakt zijn door de aard van het werk of de werkomstandigheden, integendeel. Gedaagde heeft ook aangevoerd dat zijn klachten zijn verergerd door het werk, maar die stelling is niet onderbouwd. De enkele omstandigheid dat de klachten zich manifesteerden op het werk brengt immers nog niet met zich mee dat de ziekte daardoor werd verergerd. Het vorenstaande betekent dat deze grief van appellant slaagt.
4.2. Appellant heeft ook bezwaar tegen de overweging van de rechtbank dat gedaagde op een stoffige kamer is geplaatst en dienaangaande blijkens een brief van de arbo-adviseur van 9 februari 1999 willens en wetens geen maatregelen zijn getroffen, dat eerst vanaf 1999 maatregelen zijn getroffen in verband met de visusklachten en dat eerst eind 1998 na uitval van gedaagde een aanvang is gemaakt met een aanpassing van gedaagdes werkplek, waarbij de rechtbank nog daarlaat of die aanpassingen adequaat zijn geweest.
Uit de stukken kan de Raad niet de conclusie trekken dat appellant nalatig is geweest om naar behoren te reageren op de door gedaagde in de loop van de jaren naar voren gebrachte diverse klachten. Appellant heeft naar het oordeel van de Raad steeds getracht zo goed mogelijk op gedaagdes klachten in te spelen en in samenspraak met hem een oplossing te vinden. Gedaagde heeft zich daarbij niet altijd even coöperatief opgesteld, getuige bijvoorbeeld zijn weigering in 1997 om de bedrijfsarts nog langer te machtigen om informatie bij de behandelende sector in te winnen alsook zijn weigering om appellant op de hoogte te brengen van de inhoud van het door een externe psychiater uitgebrachte rapport. Appellant heeft er terecht op gewezen dat het zonder een juist en compleet beeld van gedaagdes klachten moeilijk is om adequate maatregelen te treffen. Met betrekking tot het achterwege blijven van een schoonmaakactie in 1999 heeft appellant er eveneens terecht op gewezen dat zulks op advies van de bedrijfsarts geschiedde die dit weinig zinvol achtte, en dat gedaagde op dat moment reeds wegens ziekte afwezig was, zodat in ieder geval niet van onzorgvuldigheid jegens gedaagde sprake kan zijn geweest.
Naar het oordeel van de Raad slaagt ook deze grief van appellant.
5. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voorzover aangevochten. Wat betreft de opdracht om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen betekent dit dat zulks zal moeten gebeuren met inachtneming van hetgeen in deze - ’s Raads - uitspraak is overwogen. De Raad stelt vast dat partijen zich in dat kader bereid hebben verklaard een nader medisch onderzoek naar het bestaan van een beroepsziekte te laten verrichten door het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten, waarbij de Raad van belang acht dat de betrokken artsen in het bezit worden gesteld van alle voorhanden zijnde medische gegevens over gedaagde. Gedaagde, die in afwachting van de behandeling van dit hoger beroep heeft geweigerd mee te werken aan nieuw medisch onderzoek door de bedrijfsarts, heeft ter zitting verklaard de daartoe benodigde machtigingen te zullen verstrekken.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Bepaalt dat appellant een nieuwe beslissing op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak.
Aldus gegeven door mr. G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als voorzitter en mr. K. Zeilemaker en mr. R. Kooper als leden, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2004.
(get.) G.P.A.M. Garvelink-Jonkers.
(get.) P.W.J. Hospel.
HD
07.09
Q

