
Jurisprudentie
AR2733
Datum uitspraak2004-09-16
Datum gepubliceerd2004-09-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1831 WUV
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2004-09-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureVerzet
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/1831 WUV
Statusgepubliceerd
Indicatie
Het griffierecht is niet binnen de gestelde termijn voldaan. Het door opposant gedane verzet is ongegrond.
Uitspraak
03/1831 WUV
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 17 van de Beroepswet in samenhang met artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], Paraparaumu (Nieuw Zeeland), opposant,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij uitspraak van 29 januari 2004 heeft de Raad het beroep dat door opposant is ingesteld tegen een ten aanzien van hem door geopposeerde genomen besluit d.d. 25 februari 2003, kenmerk JZ/S80/2003/0096, niet-ontvankelijk verklaard, op de grond dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is betaald.
Tegen die uitspraak heeft opposant verzet gedaan bij brief van 17 februari 2004.
Het verzet is behandeld ter zitting van 5 augustus 2004, waar opposant, zoals tevoren is aangekondigd, niet is verschenen. Geopposeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Bij schrijven van 5 mei 2003, verzonden op 13 mei 2003, is eiser erop gewezen dat hij een griffierecht van € 27,- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Eiser heeft eerdergenoemde acceptgiro ingevuld aan de Raad doen toekomen. Daar een ingevulde acceptgirokaart geen wettig betaalmiddel is heeft de Raad via zijn dienst Financieel Economische Zaken de acceptgiro doorgezonden naar de betreffende bankinstelling.
Nadat de Raad bij schrijven van 10 juni 2003 een herinnering van de uitnodiging tot het betalen van het griffierecht had gezonden, heeft eiser vervolgens een ingevulde euro-overschrijvingskaart van de bank Mees Pierson aan de Raad doen toekomen welke de Raad heeft doorgezonden aan Mees Pierson, omdat ook deze overschrijvingskaart niet als wettig betaalmiddel kan worden geaccepteerd.
In verzet heeft opposant aangevoerd niet te weten wat er met de eerste giro is gebeurd en voegt hij een kopie van de tweede giro bij.
De Raad heeft vastgesteld dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn is voldaan. Eerst op 26 februari 2004 is het verschuldigde griffierecht bijgeschreven op rekening van de Raad.
De Raad is van oordeel dat opposant zelf verantwoordelijk is voor en zelf het risico draagt van de gevolgen van zijn keuze het verschuldigde recht niet rechtstreeks op de rekening van de Raad te doen overmaken. In hetgeen opposant dienaangaande heeft aangevoerd ziet de Raad dan ook geen grond te bepalen dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat opposant in verzuim is geweest.
Uit het vorenstaande volgt dat het door opposant gedane verzet ongegrond dient te worden verklaard.
Met toepassing van artikel 8:55 van de Awb wordt daarom beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Awb, inzake de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en
mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) A. de Gooijer.
HD
16.08

