Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2741

Datum uitspraak2004-09-16
Datum gepubliceerd2004-09-27
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/5338 AOR
Statusgepubliceerd


Indicatie

Afwijzing aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid omdat de aanvraag niet binnen de aanvraagtermijn is ontvangen. Sluitingstermijn; hardheidsclausule.


Uitspraak

03/5338 AOR U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Op bij beroepschrift van 21 oktober 2003 uiteengezette gronden heeft appellant bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Zutphen van 23 september 2003, reg. nr. 03/499 BESLU. Bij die uitspraak is het beroep dat appellant had ingesteld tegen een besluit van gedaagde van 8 april 2003, ongegrond verklaard. Namens gedaagde is door mr. S. Verhage, advocaat te ‘s-Gravenhage, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 augustus 2004. Aldaar is appellant niet verschenen. Gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. Verhage voornoemd, en drs B. van Heereveld, werkzaam bij gedaagde. II. MOTIVERING Ten aanzien van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden volstaat de Raad, onder verwijzing voor het overige naar de aangevallen uitspraak, met het volgende. Bij besluit van 11 maart 2003, zoals na daartegen gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 april 2003, heeft gedaagde afwijzend beslist op de in augustus 2002 door appellant telefonisch gedane aanvraag om toekenning van een uitkering ingevolge het Uitkeringsreglement Individuele Uitkeringen Stichting Maror-gelden Overheid (Stcrt. 8 januari 2001, nr. 5, hierna: het Reglement). Daartoe is overwogen dat vaststaat dat de aanvraag niet binnen de aanvraagtermijn is ontvangen en dat er geen feiten en omstandigheden zijn die de termijnoverschrijding kunnen verschonen. In hoger beroep is door appellant evenals in beroep bij de rechtbank aangevoerd dat hij er niet mee bekend was dat er met betrekking tot de aanvragen een sluitingsdatum gold. Appellant acht het onredelijk dat, nu de Duitsers een halve eeuw na de oorlog alsnog hebben besloten tot uitkering van smartengeld over te gaan, hem dit door gedaagde wordt onthouden. De Raad ziet, evenals de rechtbank bij de aangevallen uitspraak, in de grieven van appellant geen grond om het bestreden besluit aan te tasten. De Raad merkt allereerst op dat, zoals ook is weergegeven in de considerans bij het Reglement, het bedrag van driehonderd en vijftig miljoen gulden, waarvan de individuele uitkering zoals door appellant is aangevraagd wordt bekostigd, niet door de Duitse overheid maar door de Nederlandse regering ter beschikking is gesteld teneinde finaal recht te doen aan de kritiek op de bejegening (door de Nederlandse overheid destijds) van de betrokken vervolgingsslachtoffers in het rechtsherstel en de gevolgen die dat heeft gehad voor hun verdere bestaan. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van het Reglement moet degene die voor een uitkering in aanmerking wenst te komen het aanvraagformulier hebben ingediend vóór 1 januari 2002. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de hier gestelde sluitingstermijn als zodanig niet onredelijk is te achten. De Raad onderschrijft de overweging van de rechtbank op dit punt. Weliswaar kan op grond van diezelfde bepaling het bestuur van de Stichting Maror-gelden Overheid besluiten die termijn te verlengen tot 1 januari 2003, maar het betreft hier, naar ter zitting van de Raad door de gemachtigde van gedaagde is betoogd, een mogelijkheid die is gegeven voor het geval dat tegen het einde van de termijn zou zijn vastgesteld dat de doelgroep van potentiële aanvragers in onvoldoende mate was bereikt. Aangezien dat geval zich niet voordeed, is geen aanleiding gezien die termijn te verlengen. Voor individuele gevallen voorziet de in artikel 12 van het Reglement vervatte hardheidsclausule in de mogelijkheid een termijnoverschrijding te passeren. De Raad acht dit standpunt van gedaagde juist. In het geval van appellant heeft gedaagde de overschrijding van de termijn niet verschoonbaar geacht. Gedaagde heeft erop gewezen dat aan het bestaan van de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen, alsmede aan de sluitingsdatum daarvoor, op ruime schaal bekendheid is gegeven via dagbladen, televisie en door middel van de voor veel potentiële aanvragers bekende instellingen zoals de Pensioen- en Uitkeringsraad en het Joods maatschappelijk werk. Ook enige maanden voor 1 januari 2002 is bijvoorbeeld in televisie-uitzendingen nogmaals de sluitingstermijn onder de aandacht gebracht. Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat de omstandigheid dat appellant niettemin niet op de hoogte is geweest van de mogelijkheid vóór 1 januari 2002 een aanvraag in te dienen om voor een uitkering in aanmerking te komen, voor zijn risico moet blijven. Het besluit van gedaagde om ten aanzien van appellant niet met toepassing van de antihardheidsclausule de termijnoverschrijding te passeren, kan de rechterlijke toetsing doorstaan. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten. Beslist wordt derhalve als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp als voorzitter en mr. G.L.M.J. Stevens en mr. T. Hoogenboom als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2004. (get.) C.G. Kasdorp. (get.) A. de Gooijer. HD 16.08