Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2802

Datum uitspraak2004-09-27
Datum gepubliceerd2004-09-30
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRechtbank 's-Gravenhage
Zaaknummers09/753189-04 (ontneming)
Statusgepubliceerd


Indicatie

[...] Veroordeelde heeft in de periode van 1 april 2004 tot en met 3 juni 2004 (9 weken) gehandeld in cocaïne en heroïne. Veroordeelde heeft verklaard hierdoor een voordeel van [euro] 3.000,- wederrechtelijk te hebben verkregen. Dit bedrag komt bij benadering overeen met de in het rapport gemaakte berekening van het voordeel, waarbij ervan is uitgegaan dat verdachte gedurende 26 weken heeft gehandeld. [...]


Uitspraak

RECHTBANK 'S-GRAVENHAGE SECTOR STRAFRECHT MEERVOUDIGE KAMER (BESLISSING EX ARTIKEL 36e SR) parketnummer 09/753189-04 rolnummer 0002 's-Gravenhage, 27 september 2004. Beslissing van de rechtbank 's-Gravenhage, rechtdoende in strafzaken, op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht van de officier van justitie ten aanzien van de veroordeelde: [verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum], adres: [adres] De vordering. De vordering strekt er toe dat de rechtbank het bedrag vaststelt waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en de veroordeelde de verplichting oplegt tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel tot een bedrag van [euro] 7.955,00. Het onderzoek ter zitting. Ter terechtzitting van 13 september 2004 heeft de officier van justitie bij de vordering gepersisteerd. De veroordeelde, bijgestaan door de raadsman mr R. van den Boogert, advocaat te Schiedam, is verschenen en op de vordering gehoord. Beoordeling van de vordering. De veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank van 27 september 2004, voor zover van belang, veroordeeld terzake van het strafbare feit: opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. In deze zaak is een onderzoek ingesteld. Dit heeft geresulteerd in het rapport Berekening wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] van 26 augustus 2004. De conclusie van dit rapport is, dat het door veroordeelde in een periode van 26 weken wederrechtelijk verkregen voordeel [euro] 7.955,00 bedraagt. Op grond van het onderzoek ter zitting is de rechtbank van oordeel dat de veroordeelde door middel van hiervoor genoemd strafbaar feit wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De bewijsmiddelen. De rechtbank grondt haar oordeel op de volgende bewijsmiddelen: P.M. Motivering van de op te leggen maatregel. De rechtbank neemt als grondslag van de vordering in aanmerking het in de strafzaak onder parketnummer 09/753189-04 tegen de veroordeelde bewezen verklaarde feit. Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank het navolgende af. Veroordeelde heeft in de periode van 1 april 2004 tot en met 3 juni 2004 (9 weken) gehandeld in cocaïne en heroïne. Veroordeelde heeft verklaard hierdoor een voordeel van [euro] 3.000,- wederrechtelijk te hebben verkregen. Dit bedrag komt bij benadering overeen met de in het rapport gemaakte berekening van het voordeel, waarbij ervan is uitgegaan dat verdachte gedurende 26 weken heeft gehandeld. Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden geschat op [euro] 3.000,-. De rechtbank zal de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van [euro] 3.000,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. De toepasselijke wetsartikelen. De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. Beslissing. De rechtbank, stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op [euro] 3.000,-; legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van [euro] 3.000,- aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Deze beslissing is genomen door mrs Elkerbout, voorzitter, Sentrop en Van Maurik, rechters, in tegenwoordigheid van mr Brekelmans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 september 2004.