Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2896

Datum uitspraak2004-09-23
Datum gepubliceerd2004-09-29
RechtsgebiedBouwen
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200406475/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

Bij besluit van 10 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] te Eindhoven vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van twee woongebouwen en een parkeerkelder, locatie parkeerterrein Zwembadweg, kadastraal bekend gemeente Eindhoven, sectie […], nummers […].


Uitspraak

200406475/2. Datum uitspraak: 23 september 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van: de bewoners van 53 appartementen in het appartementengebouw Groot Paradijs te Eindhoven, [verzoeker A] en [verzoeker B], wondende te [woonplaats], verzoekers, tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch van 29 juni 2004 in het geding tussen: verzoekers en de bewoners van de Zwembadweg te Eindhoven en het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven. 1.    Procesverloop Bij besluit van 10 augustus 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] te Eindhoven vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwen van twee woongebouwen en een parkeerkelder, locatie parkeerterrein Zwembadweg, kadastraal bekend gemeente Eindhoven, sectie […], nummers […]. Bij besluit van 18 december 2003 heeft het college, opnieuw beslissend op de bezwaren, de daartegen door onder meer verzoekers gemaakte bezwaren gedeeltelijk, te weten voor zover vrijstelling is verleend van een niet vigerend bestemmingsplan, gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 29 juni 2004 heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het daartegen door onder meer verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben onder meer verzoekers bij brief van 4 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Bij brief van eveneens 4 augustus 2004, bij de Raad van State ingekomen op 6 augustus 2004, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 september 2004, waar verzoekers, vertegenwoordigd door mr. P.W.M. Dorn, advocaat te Gelderop, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C.H.G. Schavenmaker en drs. R.A. Geelen, beiden ambtenaar der gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar [vergunninghoudster] bij monde van mr. D.H. Nas, advocaat te Nijmegen, gehoord. 2.    Overwegingen 2.1.    Besluiten zijn in het algemeen uitvoerbaar, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer, indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard. 2.2.    In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht is geen aanleiding te vinden voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat de aangevallen uitspraak in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat geen vrijstelling en bouwvergunning mocht worden verleend. Anders dan verzoekers hebben betoogd kan naar het voorlopig oordeel van de Voorzitter niet staande worden gehouden dat het college in strijd met artikel 19a van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft gehandeld nu op het besluit van 18 december 2003 niet opnieuw de inspraakprocedure is toegepast. Het feit dat alvorens dat besluit is genomen opnieuw een verklaring van geen bezwaar is gevraagd en door het college van gedeputeerde staten is verleend, noopte niet tot het volgen van die procedure. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting heeft de Voorzitter voorshands niet kunnen vaststellen dat het bouwplan – anders dan op ondergeschikte onderdelen – is gewijzigd ten opzichte van het bouwplan waarvoor de inspraakprocedure is doorlopen en evenmin dat de ruimtelijke onderbouwing ingrijpend is gewijzigd. Ook kan vooralsnog niet staande worden gehouden dat - zoals verzoekers eveneens hebben betoogd - de ruimtelijke onderbouwing niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. 2.3.    Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen. 2.4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. E.M. Ouwehand, ambtenaar van Staat. w.g. Hirsch Ballin    w.g. Ouwehand Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2004 224.