Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR2971

Datum uitspraak2004-09-23
Datum gepubliceerd2004-09-30
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200407466/2
Statusgepubliceerd
SectorVoorzitter


Indicatie

ij besluit van 28 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) verzoeker op straffe van en dwangsom gelast een tijdelijke woonunit, staande op het perceel [locatie] te [plaats], binnen zes weken na verzending van dit besluit te verwijderen.


Uitspraak

200407466/2 Datum uitspraak: 23 september 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) op het hoger beroep van : [verzoeker] wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem van 3 augustus 2004 in het geding tussen: verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal. Procesverloop Bij besluit van 28 november 2003 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) verzoeker op straffe van en dwangsom gelast een tijdelijke woonunit, staande op het perceel [locatie] te [plaats], binnen zes weken na verzending van dit besluit te verwijderen. Bij besluit van 13 april 2004, verzonden op 20 april 2004, heeft het college het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar voorzover thans van belang ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 augustus 2004, verzonden op 5 augustus 2004, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Arnhem het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker bij brief van 6 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. Voorts heeft hij de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 september 2004, waar verzoeker in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door drs. I. Ponsen en F.J.M. de Bruijn, ambtenaren der gemeente, zijn verschenen. De Voorzitter heeft het verzoek afgewezen. Daartoe heeft hij het volgende overwogen. Ter zitting heeft het college desgevraagd medegedeeld en verzoeker heeft niet weersproken dat de dwangsom inmiddels tot het maximum is verbeurd. Reeds daarom is geen sprake van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist en bestaat aanleiding het verzoek af te wijzen. Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht door mr. R.W.L. Loeb, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat. w.g. Loeb w.g. Schortinghuis Voorzitter     ambtenaar van Staat 66.