Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3001

Datum uitspraak2004-11-09
Datum gepubliceerd2004-11-09
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers01447/03 P
Statusgepubliceerd


Indicatie

De mogelijkheid om de cassatiemiddelen schriftelijk toe te lichten ex art. 438.2.a Sv ziet op tijdig ingediende middelen (HR NJ 2001, 16) en is niet bedoeld om nieuwe klachten op te werpen waarvoor de termijn immers is verstreken. Waar tijdig ingediende middelen ontbreken kan een ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer van de HR overgelegd geschrift niet alsnog als een cassatieschriftuur ex art. 437 Sv worden aangemerkt. HR verklaart betrokkene niet-ontvankelijk.


Conclusie anoniem

Nr. 01447/03 P Mr. Machielse Zitting 21 september 2004 Conclusie inzake: [verzoeker=betrokkene] 1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft bij uitspraak van 3 februari 2003 verzoeker de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.104,94, subsidiair 180 dagen hechtenis. 2. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 8 juli 2003 in persoon betekend aan verzoeker. Art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv bepaalt dat verzoeker, op straffe van niet-ontvankelijkheid, uiterlijk twee maanden daarna door zijn raadsman een schriftuur had moeten doen indienen. Dit is niet gebeurd. Op 16 juni 2004 kwam ter griffie van de Hoge Raad een schrijven van de raadsman binnen inhoudende onder meer dat ten gevolge van een misverstand zijnerzijds geen schriftuur in cassatie is ingediend, alsmede dat hij ter zitting van de Hoge Raad op 22 juni 2004 het cassatieberoep mondeling wilde toelichten. Ter zitting van de Hoge Raad heeft de raadsman vervolgens zijn toelichting schriftelijk overgelegd. 3. Nu verzoeker echter niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat verzoeker in het beroep niet kan worden ontvangen. 4. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoeker in zijn beroep in cassatie. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden


Uitspraak

9 november 2004 Strafkamer nr. 01447/03 P SCR/SM Hoge Raad der Nederlanden Arrest op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 3 februari 2003, nummer 20/002121-01, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van: [betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats]. 1. De bestreden uitspraak Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Roermond van 16 oktober 2000 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 23.104,94, subsidiair 180 dagen hechtenis. 2. Geding in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze is een geschrift ingediend. De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de betrokkene in zijn cassatieberoep. 3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 3.1. Ter terechtzitting voor strafzaken van de enkelvoudige kamer van de Hoge Raad van 22 juni 2004 heeft de raadsman een geschrift overgelegd houdende een "toelichting middelen cassatieberoep". Uit art. 438, tweede lid aanhef en onder a, Sv volgt evenwel dat alleen tijdig ingediende middelen kunnen worden toegelicht (vgl. HR 14 november 2000, NJ 2001, 16). Deze in art. 438 Sv gegeven mogelijkheid is niet bedoeld om nieuwe klachten op te werpen, waarvoor immers de termijn is verstreken (vgl. Kamerstukken II 1997-1998, 26 027, nr. 3, blz. 23). Waar eerder, tijdig, ingediende middelen ontbreken, kan voormeld geschrift derhalve niet alsnog als een schriftuur houdende middelen van cassatie als bedoeld in art. 437 Sv worden aangemerkt. 3.2. Nu de betrokkene niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437, tweede lid, in verbinding met art. 511h Sv, zodat de betrokkene in het beroep niet kan worden ontvangen. 4. Beslissing De Hoge Raad verklaart de betrokkene niet-ontvankelijk in het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren W.A.M. van Schendel en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 9 november 2004.