bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3086

Datum uitspraak2004-05-14
Datum gepubliceerd2004-10-01
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Utrecht
ZaaknummersSBR 03/1146
Statusgepubliceerd


Indicatie

Artikel 11 van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bevat geen alternatieve openbaarmakingsregeling die aan de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) derogeert.


Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT Reg. nr.: SBR 03/1146 UITSPRAAK van de rechtbank Utrecht, enkelvoudige kamer voor de behandeling van bestuursrechtelijke zaken, in het geding tussen: [eiser] wonende te [woonplaats], e i s e r, en de Officier van Justitie, te 's-Gravenhage, v e r w e e r d e r. 1. INLEIDING. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 mei 2003 waarbij verweerder het bezwaar van eiser tegen de weigering van de officier van justitie om (tijdig) een besluit te nemen op eisers verzoek inzake de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) c.q. de weigering om de verzochte gegevens te verstrekken ongegrond heeft verklaard. Het geding is behandeld ter zitting van 8 april 2004 waar eiser is verschenen. Namens verweerder is verschenen mr. E.J. Daalder, advocaat te 's-Gravenhage. 2. OVERWEGINGEN. Feiten Bij beschikking van 4 juni 2002 is aan eiser een administratieve sanctie opgelegd wegens het overtreden van een verkeersvoorschrift. Bij brief van 9 juni 2002 heeft eiser bij de officier van justitie beroep ingesteld tegen deze beschikking. In dit beroepschrift heeft eiser tevens verzocht om toezending van een kopie of afschrift van alle bewijsmiddelen die tot het treffen van de beschikking aanleiding hebben gegeven. Eiser heeft aangegeven dat hieronder niet alleen een fotografische vastlegging verstaan dient te worden maar ook alle gegevens met betrekking tot de betrouwbaarheid en reproduceerbaarheid van de door de gebruikte snelheidsmeetapparatuur gegenereerde informatie. Eiser heeft verzocht om: - het zaakoverzicht van het Centraal Justitieel Incasso Bureau (CJIB); - een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal waaruit blijkt dat het voertuig met het betreffende kenteken op de in de beschikking genoemde plaats en tijdstip is waargenomen; - een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de gebruikte meetapparatuur in overeenstemming met de voorschriften werd bediend; - het certificaat waaruit ondubbelzinnig blijkt dat de opsporingsambtenaar die de meetapparatuur bediende, althans had ingesteld, hiervoor ook was gekwalificeerd ten tijde van de meting; - de verklaring van onderzoek voor gebruikte meetapparatuur als bedoeld in artikel 1a van de Regeling meetmiddelen Politie/KLPD d.d. 7 en 4 juli 1997, afgegeven door het Nederlands Meetinstituut; - een afschrift van het proces-verbaal van beëdiging en van de akte van benoeming van de ambtenaar die de overtreding heeft geconstateerd en - de foto waaruit blijkt dat eiser een verkeervoorschrift zou hebben overtreden. Bij besluit van 24 juni 2002 heeft de officier van justitie het door eiser ingestelde beroep kennelijk ongegrond verklaard. Ten aanzien van de door eiser gevraagde stukken verklaart de officier van justitie dat de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv) bij het beroep geen formeel recht op inzage of afschriften van de processtukken toekent en dat bovendien geen aanspraak kan worden gemaakt op inzage van het ijkrapport. Een afschrift van de fotografische opnamen van de overtreding wordt door de officier van justitie bij de beslissing gevoegd. Bij brief van 2 juli 2002 heeft eiser bij verweerder een bezwaarschrift ingediend tegen de weigering van de officier van justitie om (tijdig) een besluit te nemen op zijn verzoek in het kader van de WOB c.q. de weigering om gevolg te geven aan bedoeld verzoek tot toezending dan wel afgifte van de verzochte stukken. Bij brief van 5 september 2002 heeft eiser aan verweerder laten weten geen ontvangstbevestiging van noch een reactie op zijn bezwaarschrift te hebben ontvangen. Bij brieven van 31 oktober 2002 en 23 december 2002 heeft verweerder aan eiser bericht dat zijn bezwaar is ontvangen doch dat de afhandeling daarvan nog enige tijd vergt. Vervolgens heeft verweerder op 1 mei 2003 het bestreden besluit genomen waarbij eisers bezwaren ongegrond zijn verklaard. Standpunten van partijen Eiser voert aan dat verweerder onzorgvuldig heeft gehandeld door pas na tien maanden een besluit te nemen op zijn bezwaarschrift. De afwijzende beschikking acht eiser volstrekt onvoldoende gemotiveerd. De artikelen 10 en 11 van de WOB geven duidelijk aan dat hij recht heeft op afgifte van de stukken nu zich geen van de in de artikelen genoemde omstandigheden voordoen. Eiser stelt zich op het standpunt dat artikel 11 van de Wahv een regeling bevat voor het ter inzage leggen van stukken die betrekking hebben op een ingediend beroepschrift tegen een beschikking op grond van de Wahv. Er is derhalve geen sprake van een uitputtende openbaarmakingsregeling die de werking van de WOB zou uitsluiten. Eiser bestrijdt het standpunt van verweerder dat een stelselmatig toepassing van de WOB een goede uitvoering van de Wahv zou kunnen belemmeren. Onder verwijzing naar een brief van het Bureau Verkeershandhaving Openbaar Ministerie (BOVM) van 17 september 2002, waarin inzake een soortgelijk verzoek als dat van eiser wel tot afgifte van de stukken wordt overgegaan, doet eiser een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Daarbij merkt eiser op dat zijn bezwaarschrift dateerde van vóór de brief van 17 september 2002, zodat hij van mening is dat verweerder onredelijk handelt door na een onevenredig lange bezwaartermijn zijn eerder ingenomen standpunt ten aanzien van het overleggen van stukken te verlaten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verzoek terecht is afgewezen aangezien artikel 11 van de Wahv een bijzondere openbaarmakingsregeling bevat waarvoor de algemene openbaarmakingsregeling van de WOB dient te wijken. De Wahv heeft de strekking om eenvoudige verkeersovertredingen eenvoudig af te doen. Verweerder stelt dat, door het omzeilen van artikel 11 van de Wahv door een beroep te doen op de WOB, in grote mate afbreuk wordt gedaan aan de goede werking van eerstgenoemd artikel. Verweerder is dan ook van mening dat de regeling in de Wahv een uitputtend karakter heeft. Het standpunt zoals dat is verwoord in de door eiser aangehaalde brief van het BOVM van 17 september 2002 is inmiddels verlaten en verweerder kan er naar zijn mening niet toe worden gedwongen om nogmaals een met de Wahv strijdige beslissing te nemen. Ter ondersteuning van dit standpunt verwijst verweerder naar uitspraken waarin door hogere beroepsorganen is uitgemaakt dat het gelijkheidsbeginsel niet verplicht tot herhaling van fouten. Toepasselijk recht Ingevolge artikel 2 van de WOB verstrekt een bestuursorgaan bij de uitvoering van zijn taak, onverminderd het elders bij de wet bepaalde, informatie overeenkomstig deze wet. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wahv worden het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken. Ingevolge het vierde lid van voornoemd artikel worden alle op een beroepschrift betrekking hebbende stukken, indien zekerheidstelling heeft plaatsgevonden, nedergelegd ter griffie van de rechtbank. Hiervan wordt door de griffier mededeling gedaan aan degene die het beroep heeft ingesteld. De betrokkene of zijn gemachtigde kan binnen een door de kantonrechter bepaalde en aan hem door de griffier medegedeelde termijn, deze stukken inzien en daarvan afschriften of uittreksels vragen. Op de voor de verstrekking van afschriften en uittreksels aan de betrokkene of zijn gemachtigde in rekening te brengen vergoedingen is het ter zake bepaalde bij of krachtens de Wet tarieven in burgerlijke zaken van overeenkomstige toepassing. Beoordeling van het geschil Met betrekking tot de stelling van eiser dat verweerder bij het nemen van de onderhavige beslissing op bezwaar de wettelijke beslistermijn heeft overschreden, overweegt de rechtbank dat het hier een zogenoemde termijn van orde betreft. De wet verbindt aan de overschrijding van deze termijn geen gevolgen. Tegen het uitblijven van een beslissing op het ingediende bezwaarschrift had eiser bovendien een verzoek om voorlopige voorziening dan wel een beroepschrift kunnen indienen bij deze rechtbank. Ten aanzien van verweerders weigering om de gevraagde stukken te verstrekken omdat artikel 11 van de Wahv naar de mening van verweerder is aan te merken als een bijzondere en uitputtende openbaarmakingsregeling, overweegt de rechtbank het volgende. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 3 maart 1998, gepubliceerd in AB 1998, nummer 435) en van 17 maart 2003, gepubliceerd in AB 2003, nummer 439), wijkt de WOB als algemene openbaarmakingsregeling voor bijzondere openbaarmakingsregelingen met een uitputtend karakter, neergelegd in wetten in formele zin. Een dergelijke regeling is uitputtend, indien zij ertoe strekt te voorkomen dat door (afzonderlijke) toepassing van de WOB afbreuk zou worden gedaan aan de goede werking van de materiële bepalingen in de bijzondere wet. Artikel 11 van de Wahv voorziet in het recht van de indiener van een beroepschrift dan wel zijn gemachtigde op inzage van de stukken van het geding en op verstrekking van afschriften daarvan. Uit de tekst noch de strekking van de regeling en evenmin uit de totstandkomingsgeschiedenis ervan valt af te leiden dat de wetgever met voornoemd artikel heeft beoogd een alternatieve openbaarmakingsregeling in het leven te roepen die aan de WOB derogeert. Anders dan de WOB, strekt artikel 11 immers niet tot (publieke) openbaarmaking van informatie maar voorziet het in een bijzondere regeling met betrekking tot kennisneming van de gedingstukken door partijen in de procedure (zie ook in deze zin de uitspraak van de Afdeling van 4 december 2002, gepubliceerd in AB 2003, nummer 406) en is naar het oordeel van de rechtbank derhalve naast de WOB toepasselijk. Voor zover verweerder heeft betoogd dat toepassing van de WOB een goede werking van de Wahv onmogelijk maakt, overweegt de rechtbank dat een vlotte afdoening van de procedures weliswaar kán worden belemmerd, doch dat dit enkele gegeven van artikel 11 van de Wahv nog geen uitputtende openbaarmakingsregeling maakt. Voor zover verweerder heeft betoogd dat het in casu niet zou gaan om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid, is de rechtbank van oordeel dat dit aspect buiten beschouwing moet worden gelaten nu dit argument eerst ter zitting is aangevoerd en het bestreden besluit hier evenmin op steunt. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder derhalve moeten beoordelen of eiser ingevolge de WOB verdergaande inzage in de stukken had dienen te verkrijgen of dat eisers verzoek op een andere grond van de WOB kon worden geweigerd. Nu verweerder dit heeft nagelaten, komt het bestreden besluit wegens strijd met de artikelen 7:11 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. Verweerder zal dan ook een nieuwe beslissing dienen te nemen op het bezwaarschrift van eiser. De rechtbank is niet gebleken van proceskosten van eiser die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding door verweerder in aanmerking komen, zodat geen reden bestaat voor een proceskosten-veroordeling De rechtbank beslist als volgt. 3. BESLISSING. De rechtbank Utrecht, recht doende, verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit, bepaalt dat verweerder binnen zes weken na datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door eiser betaalde griffierecht ad ? 116,-- aan hem vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. P.M.E. Bernini, lid van de enkelvoudige kamer, en in het openbaar uitgesproken op 14 mei 2004. de griffier: het lid van de enkelvoudige kamer: mr. M.H.L. Debets mr. P.M.E. Bernini Afschrift verzonden op: Tegen deze uitspraak staat, binnen zes weken na de dag van bekendmaking hiervan, voor belanghebbenden hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA 's-Gravenhage.