Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3203

Datum uitspraak2004-09-23
Datum gepubliceerd2004-10-04
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/6538 WW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Besluit tot weigering WW-uitkering niet zorgvuldig tot stand gekomen vanwege onvolledig onderzoek.


Uitspraak

03/6538 WW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Appellant heeft bij de Raad hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda, kenmerk 03/17, van 12 november 2003. In die uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard de bezwaren van appellant tegen het besluit van 25 november 2002, waarbij is gehandhaafd de weigering hem een uitkering te verstrekken in het kader van de Werkloosheidswet (WW). Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 15 juli 2004, waar appel-lant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door W.F.K. ter Hennepe, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. II. MOTIVERING De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant heeft van 1 januari 2001 tot 16 februari 2002 werkzaamheden verricht voor 16 uur per week als systeemprogrammeur/docent. Appellant stelt deze werkzaamheden verricht te hebben als werknemer van Staley en Sulsters Management B.V. (hierna: de B.V.). De werkzaamheden zijn feitelijk verricht via een intermediair bij Euronederland. Gedaagde heeft de gevraagde WW-uitkering geweigerd omdat appellant, in zijn relatie met de B.V., gezien het bepaalde in artikel 3 van de werknemersverzekeringswetten, niet beschouwd kan worden als werknemer, daar er geen gezagsverhouding aanwezig was. De directeur/groot-aandeelhouder van de B.V. is de echtgenote van appellant. De Raad overweegt als volgt. Uit de heden door de Raad gedane uitspraak tussen de B.V. en gedaagde omtrent de verzekeringsplicht van appellant volgt dat de Raad van oordeel is dat er geen tot verzekeringsplicht leidende arbeidsrelatie is geweest tussen appellant en de B.V.. Derhalve heeft gedaagde terecht op deze grond de WW-uitkering geweigerd. Dit neemt echter niet weg dat de vraag of appellant verzekerd was voor de WW en wellicht recht kon doen gelden op een WW-uitkering, hiermee niet volledig is beantwoord. Het is immers ook mogelijk dat appellant werkzaam was in een (fictieve) dienstbetrekking tot een andere werkgever, waarbij de Raad met name het oog heeft op de intermediair tussen de B.V. en Euronederland en deswege verzekerd was voor de WW. Naar namens gedaagde ter zitting is erkend, is naar deze arbeidsrelatie geen onderzoek ingesteld. Dit leidt tot de conclusie dat het besluit is genomen na een onvolledig onderzoek en dat het derhalve niet in stand kan blijven. Hieruit volgt tevens dat de aangevallen uitspraak eveneens niet in stand kan blijven. De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu van voor vergoeding in aanmerking komende kosten niet is gebleken. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Vernietigt de aangevallen uitspraak en het besluit van 25 november 2002; Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellant het betaalde recht van € 87,-- vergoedt. Aldus gegeven door mr. R.C. Schoemaker als voorzitter en mr. G. van der Wiel en prof. mr. E. Aardema als leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 september 2004. (get.) R.C. Schoemaker. (get.) A. Kovács. EK2109