Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3231

Datum uitspraak2004-06-18
Datum gepubliceerd2004-10-04
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureVoorlopige voorziening
Instantie naamRechtbank Alkmaar
Zaaknummers04/924
Statusgepubliceerd


Indicatie

sloopvergunning


Uitspraak

Rechtbank Alkmaar Sector Bestuursrecht Voorzieningenrechter UITSPRAAK op grond van artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht Reg.nr: BESLU 04/924 Inzake: [verzoekers], wonende te [woonplaats], verzoekers, tegen: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Graft-De Rijp, verweerder. Voorts neemt als partij aan het geding deel: Zeeman Vastgoed B.V., vergunninghoudster. 1. Aanduiding bestreden besluit Het besluit van verweerder van 19 april 2004. 2. Zitting Datum: 9 juni 2004. Verzoekers zijn, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigde mr. A. Vinkenborg, rechtsbijstandverlener bij SRK te Zoetermeer. Verweerder is, daartoe ambtshalve opgeroepen, verschenen bij gemachtigden de heer N.C.M. Deckwitz, wethouder en de heer M.C. Deinum, ambtenaar ter secretarie van verweerders gemeente. Voorts zijn namens Zeeman Vastgoed B.V. aanwezig de heer [namen] 3. Ontstaan en loop van het geding Bij besluit van 19 april 2004 heeft verweerder, beslissende op een door hem op 16 februari 2004 ontvangen aanvraag, aan Zeeman Vastgoed B.V. vergunning verleend voor het slopen van een woning met garage op het perceel kadastraal bekend gemeente Graft-De Rijp, [perceelnummer], plaatselijk bekend [adres]. Tegen dit besluit is namens verzoekers sub 2 bij faxbericht van 3 mei 2004 bezwaar gemaakt. Bij faxbericht van 11 mei 2004 is de voorzieningenrechter namens verzoekers sub 2 verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Bij brief van 25 mei 2004 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend. 4. Motivering Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekers uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Het antwoord op de vraag of er sprake is van een nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening is in belangrijke mate mede afhankelijk van een -voorlopig- oordeel omtrent de vraag of op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat het in de bodemprocedure bestreden besluit niet in stand kan blijven. Voor zover het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld heeft het oordeel daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure. De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende. Ingevolge artikel 8.1.1 van de gemeentelijke bouwverordening (hierna: de bvo), voorzover hier van belang, is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning). Ingevolge artikel 8.1.6 van de bvo moet een sloopvergunning worden geweigerd indien zich één van de onder a tot en met e genoemde situaties voordoet. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vergunning verleend voor het slopen van een woning en garage gelegen op het perceel [adres]. Deze sloop vindt plaats in het kader van het voornemen om het perceel te gebruiken voor het bouwplan als genoemd in de zaken met registratienummers 04/830 en 04/923. Bij besluit van 15 maart 2004 heeft verweerder de gevraagde bouwvergunning voor dit plan verleend. Verzoekers hebben tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt. Ook hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht om met betrekking tot het besluit een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek om een voorlopige voorziening, dat gelijktijdig met het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening ter zitting is behandeld, heeft de voorzieningenrechter bij uitspraak van heden, registratienummer 04/830 en 04/923, toegewezen. Het besluit van 15 maart 2004 is geschorst. Verzoekers zijn in de omgeving van het onderhavige perceel woonachtig. Zij hebben de voorzieningenrechter verzocht om met betrekking tot de sloopvergunning een voorlopige voorziening te treffen in het geval hun verzoek om een voorlopige voorziening met betrekking tot de bouwvergunning wordt toegewezen, omdat als de sloop zou mogen worden uitgevoerd terwijl de bouwvergunning is geschorst, het gevaar dreigt dat een onomkeerbare situatie ontstaat. Verzoekers achten dit ongewenst. De voorzieningenrechter stelt voorop dat geen van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 8.1.6 van de bvo zich hier voordoet. Verweerder heeft de sloopvergunning dan ook terecht verleend. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat nu het verzoek om een voorlopige voorziening ten aanzien van de bouwvergunning is toegewezen, in hetgeen verzoekers hebben aangevoerd naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aanleiding is gelegen om, gelet op alle betrokken belangen, ook ten aanzien van de sloopvergunning een voorlopige voorziening te treffen, omdat anders een onomkeerbare situatie zou kunnen ontstaan. Daarbij heeft de voorzieningenrechter in aanmerking genomen dat niet is gebleken dat Zeeman Vastgoed B.V. een zodanig spoedeisend belang heeft bij het gebruikmaken van de sloopvergunning dat zij in redelijkheid de beslissing op bezwaar met betrekking tot de bouwvergunning niet zou kunnen afwachten. Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden toegewezen. Het bestreden besluit wordt geschorst. De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om met toepassing van artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75 van de Awb verweerder te veroordelen in de proces-kosten die verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs hebben moeten maken. Deze kosten worden met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 644,00 als kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit bedrag is het product van 2,00 (punten voor het opstellen van het verzoekschrift en voor het verschijnen ter zitting) en € 322,00 (waarde per punt) en 1,00 (gewicht van de zaak: gemiddeld). Beslist is als volgt. 5. Beslissing De voorzieningenrechter, - wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe; - schorst het bestreden besluit; - bepaalt dat de gemeente Graft-de Rijp aan verzoekers het griffierecht ten bedrage van € 136,00 vergoedt; - veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoekers redelijkerwijs gemaakte proceskosten ten bedrage van € 644,00; - wijst de gemeente Graft-de Rijp aan als de rechtspersoon die de proceskosten moet vergoeden; - bepaalt dat de betaling van € 644,00 dient te worden gedaan aan verzoekers. Aldus gewezen door mr. M. Zijp, voor-zieningen-rechter, in tegen-woordig-heid van mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, als griffier. Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2004. door voornoemde voor-zieningen-rechter, in tegenwoordigheid van de griffier. De griffier, De voorzieningenrechter, Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open. Afschrift verzonden op: