Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3771

Datum uitspraak2004-10-13
Datum gepubliceerd2004-10-13
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200400457/1
Statusgepubliceerd


Indicatie

Bij besluit van 27 juli 2001 heeft appellant sub 1 (hierna: het algemeen bestuur) een verzoek van [appellant sub 2] om nadeelcompensatie afgewezen.


Uitspraak

200400457/1. Datum uitspraak: 13 oktober 2004 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op de hoger beroepen van: 1.    het algemeen bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4, 2.    [appellant sub 2], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2003 in het geding tussen: appellant sub 2 en appellant sub 1. 1.    Procesverloop Bij besluit van 27 juli 2001 heeft appellant sub 1 (hierna: het algemeen bestuur) een verzoek van [appellant sub 2] om nadeelcompensatie afgewezen. Bij besluit van 7 maart 2002 heeft het algemeen bestuur het daartegen door [appellant sub 2] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 december 2003, verzonden op 10 december 2003, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door [appellant sub 2] ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit, hetgeen inhoudt dat het besluit van 27 juli 2001 wordt herroepen en het algemeen bestuur zich onbevoegd verklaart op het verzoek om schadevergoeding te beslissen. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak hebben het algemeen bestuur bij brief van 16 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2004, en [appellant sub 2] bij brief van 16 januari 2004, bij de Raad van State ingekomen op 19 januari 2004, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 2] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 13 februari 2004. Deze brieven zijn aangehecht. Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben partijen van repliek en dupliek gediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 september 2004, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door mr. B.P.M. van Ravels, advocaat te Breda, en mr. ing. C.G.J.M. Peeters, en [appellant sub 2] in persoon, bijgestaan door mr. P.I.M. Hounit, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. 2.    Overwegingen 2.1.    Ter behandeling van verzoeken om schadevergoeding die verband houden met de aanleg van de HSL-Zuid en de verbreding, verlegging en reconstructie van de A16 en de A4, hebben de Minister van Verkeer en Waterstaat en de raden van een aantal gemeenten de Gemeenschappelijke regeling schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de Gemeenschappelijke regeling) vastgesteld.    Ingevolge artikel 2, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling kan op grond van de regeling slechts schadevergoeding op verzoek van degene die schade lijdt, of zal lijden, toegekend worden als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en/of daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, en deze schade redelijkerwijs niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. De hoogte van de schadevergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.               Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Gemeenschappelijke regeling is het algemeen bestuur van het Schadevergoedingsschap HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: het algemeen bestuur) bij uitsluiting bevoegd, welke bevoegdheid door de raden van de deelnemers aan het schap is overgedragen, ter zake van de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO), doch uitsluitend voorzover deze schade voortvloeit uit het onherroepelijke tracébesluit en/of daaruit rechtstreeks voortvloeiende bestuursbesluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen.    Ingevolge artikel 9, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling is het algemeen bestuur bij uitsluiting bevoegd ter zake van de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding op basis van artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) welke bevoegdheid door de Minister is overgedragen, doch uitsluitend voorzover deze schade voortvloeit uit het onherroepelijke tracébesluit en daaruit rechtstreeks voortvloeiende bestuursbesluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen.    Ingevolge artikel 10 van de Gemeenschappelijke regeling is op de behandeling van en de beslissing op een aanvraag om schadevergoeding als bedoeld in artikel 9 de door het algemeen bestuur vast te stellen nadeelcompensatieverordening van toepassing. 2.1.1.    Het algemeen bestuur heeft ter uitvoering van artikel 10 van de Gemeenschappelijke regeling op 6 april 1998 de Nadeelcompensatieverordening HSL-Zuid, A16 en A4 (hierna: de Verordening) vastgesteld.    In artikel 2, eerste lid, van de Verordening is bepaald, voorzover hier van belang, dat het algemeen bestuur, op verzoek van degene die schade lijdt of zal lijden, schadevergoeding toekent als de schade het gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en de daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en/of rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen, mits deze schade niet of niet geheel ten laste van degene die schade lijdt behoort te blijven en voorzover vergoeding van deze schade niet of niet voldoende anderszins is verzekerd. De hoogte van de schadevergoeding wordt naar redelijkheid en billijkheid vastgesteld.    In artikel 12 is bepaald dat indien strikte toepassing van deze Verordening zou leiden tot een beslissing die onmiskenbaar als onredelijk moet worden aangemerkt, van het gestelde in artikel 2, eerste lid, kan worden afgeweken. 2.2.    [appellant sub 2] stelt schade te hebben geleden in de vorm van een verminderde opbrengst bij de verkoop van zijn woning aan de [locatie] te [plaats]. Deze schade is volgens hem te wijten aan de komst van de HSL-Zuid en de verbreding van de A16 en in verband daarmee de aanleg van de verlengde Middenweg, een verbindingsweg, naast zijn woning. 2.3.    Bij de beslissing op bezwaar heeft het algemeen bestuur de bij het primaire besluit gegeven afwijzing van het verzoek om schadevergoeding gehandhaafd. Hiermee is het algemeen bestuur afgeweken van het advies van de Bezwarencommissie Zuid van 25 januari 2002. Het algemeen bestuur stelt zich op het standpunt dat nu [appellant sub 2] zijn woning heeft verkocht vóórdat het tracébesluit in rechte onaantastbaar is geworden, de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt. Het algemeen bestuur ziet evenmin aanleiding tot toepassing van de hardheidsclausule. 2.4.    De rechtbank heeft overwogen – voorzover hier van belang en samengevat weergegeven – dat het algemeen bestuur, gelet op het bepaalde in artikel 9 van de Gemeenschappelijke regeling, niet bevoegd was te beslissen op het verzoek om schadevergoeding. De deelnemers aan de Gemeenschappelijke regeling hebben hun bevoegdheden om te beslissen op een verzoek om schadevergoeding uitsluitend overgedragen voorzover de schade waarvan vergoeding wordt gevraagd voortvloeit uit het onherroepelijke tracébesluit en/of daaruit rechtstreeks voortvloeiende bestuursbesluiten en rechtmatige uitvoeringshandelingen. 2.5.    Het algemeen bestuur en [appellant sub 2] stellen zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het algemeen bestuur niet bevoegd was te beslissen op het verzoek om schadevergoeding. 2.6.    Dat betoog slaagt. In artikel 2, tweede lid, van de Gemeenschappelijke regeling in samenhang met artikel 9 van de Gemeenschappelijke regeling is de bevoegdheid van het algemeen bestuur neergelegd op verzoek schadevergoeding toe te kennen als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en de daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en/of rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen. In lijn daarmee is in artikel 2, eerste lid, van de Verordening bepaald dat schadevergoeding slechts kan worden toegekend indien de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit, anders dan in artikel 2 van de Nadeelcompensatieregeling Verkeer en Waterstaat van 1999, dat ter zitting aan de orde is gesteld. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat het algemeen bestuur, in het geval dat het bij de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding tot de conclusie komt dat de gestelde schade niet het gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit, dit verzoek dient af te wijzen. Het ontneemt hem niet de bevoegdheid om die grond aan de afwijzing van een zodanig verzoek ten grondslag te leggen. 2.6.1.    De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant sub 2] hierna zelf beoordelen. 2.7.    [appellant sub 2] stelt in beroep dat, mede gelet op recente jurisprudentie van de Afdeling, de Verordening niet uitsluitend een grondslag biedt voor vergoeding van schade ten gevolge van een onherroepelijk tracébesluit. Subsidiair stelt hij dat hij op grond van de hardheidsclausule ex artikel 12 van de Verordening voor schadevergoeding in aanmerking komt, nu het Schadevergoedingsschap hem in communicatie voorafgaande aan het besluit van 27 juli 2001 ten onrechte niet heeft medegedeeld dat hij had moeten wachten met de verkoop dan wel het transport van zijn huis tot na het onherroepelijk worden van het tracébesluit en hem in de veronderstelling heeft gelaten dat hij voor schadevergoeding in aanmerking zou komen. 2.7.1.     Vaststaat dat op grond van artikel 2, eerste lid, van de Verordening het algemeen bestuur, gelet op de artikelen 2 en 9 van de Gemeenschappelijke regeling schadevergoeding toekent als de schade een gevolg is van het onherroepelijke tracébesluit en de daaruit rechtstreeks voortvloeiende besluiten en/of rechtmatige uitvoeringshandelingen van bestuursorganen. Nu [appellant sub 2] zijn woning heeft verkocht op 10 maart 1998, dus vóórdat het tracébesluit onherroepelijk is geworden op 6 september 1999, komt de schade niet voor vergoeding in aanmerking. Het algemeen bestuur heeft het verzoek om schadevergoeding reeds hierom terecht afgewezen. Het betoog van [appellant sub 2] dat de uitspraak van de Afdeling van 14 december 2000 (AB 2001, 199) zou nopen tot het vergoeden van schaduwschade, maakt dit niet anders. In deze uitspraak is een verzoek om schadevergoeding op grond van de Gemeenschappelijke regeling en de Verordening niet aan de orde. Evenmin volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 15 januari 2003 inzake 200200342/1 en 200200065/1 dat het algemeen bestuur gehouden zou zijn de schade te vergoeden die [appellant sub 2] stelt te hebben geleden als gevolg van het in werking getreden, maar nog niet onherroepelijke tracébesluit. Deze uitspraken hebben betrekking op de toepassing van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en doen niet af aan het gestelde in artikel 2 van de Verordening. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het in dit geval een verzoek om nadeelcompensatie betreft en dat het recht op schadevergoeding ontstaat met het onherroepelijk worden van het tracébesluit. Er hoeft dus niet te worden gewacht tot het moment dat het tracébesluit zijn neerslag vindt in bijvoorbeeld de wijziging van een bestemmingsplan of de verlening van een vrijstelling. Voorts heeft het algemeen bestuur zich terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule, nu de door [appellant sub 2] ingeschakelde makelaar op de hoogte had moeten zijn van het gestelde in artikel 2 van de Verordening en had kunnen adviseren te wachten met de verkoop van de woning. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, kan aan het feit dat het algemeen bestuur het verzoek in behandeling heeft genomen en heeft voorgelegd aan een adviescommissie niet de verwachting worden ontleend dat hij in aanmerking zou komen voor schadevergoeding. De slotsom is dat het beroep van [appellant sub 2] ongegrond is. 2.8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3.    Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: I.    verklaart de hoger beroepen van het algemeen bestuur en [appellant sub 2] gegrond; II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 december 2003, BELEI 02/1075 HRK; III.    verklaart het door [appellant sub 2] bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. F.P. Zwart, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat. w.g. Zwart    w.g. Planken Voorzitter    ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 13 oktober 2004 299.