Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3844

Datum uitspraak2004-06-24
Datum gepubliceerd2004-10-14
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/4047 WUBO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Verzoek om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Bij verzoek om herziening gedane mededeling dat betrokkene sexueel misbruik heeft ondergaan is onvoldoende voor het laten verrichten van nader medisch onderzoek.


Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R 03/4047 WUBO U I T S P R A A K in het geding tussen: [eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres, en de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Bij besluit van 25 juli 2003, kenmerk JZ/A60/2003/464, heeft verweerster ten aanzien van eiseres uitvoering gegeven aan de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, hierna: de Wet. Eiseres heeft tegen dit besluit bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres aangegeven waarom zij zich niet met het bestreden besluit kan verenigen. Verweerster heeft een verweerschrift ingediend. Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 13 mei 2004. Aldaar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. M.S.K. van Gammeren, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. II. MOTIVERING Eiseres, die is geboren in 1932 in het voormalige Nederlands-Indiƫ, heeft in januari 2001 bij verweerster een aanvraag ingediend om als burger-oorlogsslachtoffer in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. In dat kader heeft eiseres aangegeven dat zij bombardementen heeft meegemaakt en tijdens de Bersiapperiode getuige is geweest van gewelddadigheden en heeft verbleven in de Dick de Hoogschool. De aanvraag van eiseres is door verweerster afgewezen bij besluit van 15 oktober 2001 op de grond dat niet is gebleken dat eiseres is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wet. Na door eiseres gemaakt bezwaar heeft verweerster dit standpunt bij besluit van 13 december 2001 gehandhaafd. Een door eiseres ingediend verzoek om herziening van dit besluit is door verweerster afgewezen bij besluit van 30 januari 2003 op de grond dat de door eiseres bij haar verzoek om herziening aangegeven feiten, te weten sexuele intimidatie door een relatie van moeder en sexueel misbruik door twee Indonesische mannen, niet onder de werking van de Wet vallen. Bij schrijven van 21 maart 2003 heeft eiseres bij verweerster andermaal verzocht om erkenning als burger-oorlogsslachtoffer. Hierbij heeft zij aangegeven dat zij tijdens de Bersiap-periode is aangerand en misbruikt door een vrijheidsstrijder. Bij besluit van 12 juni 2003, zoals na gemaakt bezwaar bij het thans bestreden besluit gehandhaafd, heeft verweerster de aanvraag van eiseres afgewezen. Naar namens verweerster ter zitting van de Raad nader is toegelicht heeft verweerster bij gebrek aan nadere gegevens over de omstandigheden van het gebeurde niet kunnen beoordelen of de door eiseres genoemde gebeurtenis onder de werking van de Wet valt. De Raad overweegt als volgt. Ingevolge artikel 61, derde lid, van de Wet is verweerster bevoegd op daartoe door de belanghebbende gedaan verzoek een eerder door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is discretionair van aard. Dat brengt mee dat de Raad heeft na te gaan of van verweerster moet worden gezegd dat zij in dit geval niet in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen, dan wel bij haar besluit heeft gehandeld in strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel algemeen rechtsbeginsel. Tot een dergelijk oordeel is de Raad in het geval van eiseres niet gekomen. De Raad stelt daarbij voorop dat het bij een verzoek om herziening aan de betrokkene is om feiten en omstandigheden aan te dragen die niet eerder bekend waren. In een geval van mogelijk onder de Wet vallend sexueel misbruik pleegt verweerster nadere verificatie te verkrijgen door middel van medisch onderzoek. In het kader van een verzoek om herziening is naar het oordeel van verweerster enkel vermelding van het gebeurde evenwel onvoldoende en dient de betrokkene meer informatie te verschaffen omtrent de omstandigheden van het gebeurde alvorens tot medische verificatie wordt over gegaan. De Raad kan verweerster in deze benadering volgen. In het onderhavige geval heeft eiseres uitsluitend aangegeven dat het door haar aan haar verzoek om herziening ten grondslag gelegde sexueel misbruik heeft plaatsgevonden tijdens de Bersiap-periode. Naar het oordeel van de Raad is dit onvoldoende om verweerster gehouden te achten ter verificatie nader medisch onderzoek te doen verrichten. Dit betekent dat het beroep van eiseres ongegrond verklaard moet worden. De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht en beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Verklaart het beroep ongegrond. Aldus gegeven door mr. H.R. Geerling-Brouwer, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2004. (get.) H.R. Geerling-Brouwer. (get.) J.P. Schieveen. HD 18.05