Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3850

Datum uitspraak2004-09-22
Datum gepubliceerd2004-10-13
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6388 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Weigering ZW-uitkering omdat de werkgever over relevante periode loon moest betalen en weigering ziekengeld omdat uit medisch onderzoek was gebleken dat appellant niet ongeschikt was te achtten voor zijn eigen werkzaamheden.


Uitspraak

02/6388 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: [appellant], wonende te [woonplaats], appellant, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv. Namens appellant heeft mr. P.J. van der Meulen, werkzaam bij Bureau Rechtshulp Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden, hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 13 november 2002, onder nummer AWB 00/763 ZW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en bij brief van 6 maart 2003 een reactie van een bezwaarverzekeringsarts toegezonden. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 11 augustus 2004, waar appellant, zoals tevoren aangekondigd, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordiger door A.J.J.A.M. Spapens, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Appellant is met ingang van 23 maart 1998 als productiemedewerker in dienst getreden van [naam werkgever] (de werkgever) en als zodanig tewerkgesteld op de snijzaal. Op 17 juni 1998 heeft hij zich met een mes in de linkeronderarm gestoken. Vanaf 20 juli 1998 heeft hij, afgewisseld met periodes waarin hij helemaal niet heeft gewerkt, op arbeids- therapeutische basis 50% gewerkt. Van 31 oktober 1998 tot 7 december 1998 heeft hij volledig gewerkt in een aangepaste functie. Met ingang van laatstgenoemde datum heeft hij zich weer ziekgemeld vanwege klachten aan zijn linkerarm. In de periode tot 28 maart 1999, toen aan zijn arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd een einde kwam, heeft hij afwisselend wel en niet gewerkt. Op 30 maart 1999 heeft hij zich bij gedaagde met ingang van 7 december 1998 ziek gemeld. Bij besluit van 22 november 1999 heeft gedaagde appellant over de periode van 26 mei 1999 tot 30 juni 1999 ziekengeld toegekend. Over de periode van 7 december 1998 tot 28 maart 1999 heeft gedaagde geweigerd ziekengeld uit te keren omdat de werkgever over die periode loon moet betalen. Gedaagde heeft over de periode van 29 maart 1999 tot 26 mei 1999 en met ingang van 30 juni 1999 ziekengeld geweigerd omdat uit medisch onderzoek was gebleken dat appellant toen niet ongeschikt was te achtten voor zijn eigen werkzaamheden. Gedaagde heeft bij besluit van 22 december 1999 (het bestreden besluit) het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep primair het standpunt ingenomen dat gedaagde bij de beoordeling van zijn recht op ziekengeld ten onrechte het aangepaste werk als `hammenrichter` als `zijn arbeid` in de zin van de Ziektewet (ZW) heeft aangemerkt. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat hij ook voor het werk als `hammenrichter` niet geschikt is. Ten bewijze van deze stelling beroept hij zich op een rapport van prof.dr. P.H.M. Spauwen van 14 november 2002. De Raad overweegt als volgt. Ter beoordeling van de Raad staat slechts de weigering ziekengeld te verstrekken over de periode van 29 maart 1999 tot 26 mei 1999 en met ingang van 30 juni 1999. Op verzoek van de rechtbank heeft J.J.M. Hagemans, neuroloog te Helmond, appellant onderzocht en van zijn bevindingen verslag gedaan in een op 15 januari 2002 uitgebracht rapport. Blijkens dit rapport is bij appellant sprake van status na doorsnijding van een puur sensibele zenuwtak in de linkerarm en legt deze stoornis geen reële beperkingen op bij het verrichten van werkzaamheden. Volgens Hagemans is betrokkene op 29 maart 1999 en 30 juni 1999 in staat zowel de aangepaste werkzaamheden te verrichten als zijn eigen werkzaamheden. De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding de conclusies van Hagemans niet te volgen. Een dergelijke aanleiding heeft de Raad evenmin kunnen vinden in het rapport van Spauwen. Spauwen stelt weliswaar vast dat er sprake is van een objectiveerbare blijvende functionele invaliditeit op grond van de zenuwuitval, maar doet dit in het kader van een letselschadezaak. Spauwen bevestigt overigens in feite de conclusie van Hagemans door te overwegen dat het gaat om doorsnijding van een sensibele zenuw zodat van motore afwijkingen, spierzwakte of bewegingsbeperkingen geen sprake kan zijn. Spauwen ziet wel een geheel complex aan gesuperponeerde problematiek die somatisch niet is te verklaren, maar dient te worden herleid tot een psychosocio-culturele bovenbouw. Gezien voorgaande overwegingen kan en zal de Raad in het midden laten van welke maatstaf arbeid in dit geval moet worden uitgegaan, omdat appellant in feite voor elke arbeid geschikt wordt geacht, dus zowel voor zijn oorspronkelijke arbeid als voor de aangepaste arbeid. Dit betekent dat gedaagde appellant terecht over de periode van 29 maart 1999 tot 26 mei 1999 en met ingang van 30 juni 1999 niet langer ongeschikt heeft geacht tot het verrichten van zijn arbeid. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W.P. van der Hoeven als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 september 2004. (get.) Ch. van Voorst. (get.) J.W.P. van der Hoeven.