Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR3905

Datum uitspraak2004-10-07
Datum gepubliceerd2004-10-14
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers03/2557 WAO
Statusgepubliceerd


Indicatie

Vaststelling gedifferentieerde premie op grond van de WAO voor het premiejaar 2002. Is bij die vaststelling terecht mede in aanmerking genomen de in 2000 aan betrokken werknemer betaalde WAO-uitkering?


Uitspraak

03/2557 WAO E N K E L V O U D I G E K A M E R U I T S P R A A K in het geding tussen: [Naam B.V.], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Namens appellante is op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde en nadien nader onderbouwde gronden hoger beroep ingesteld tegen de tussen partijen door de rechtbank Breda op 7 april 2003 onder kenmerk 02/1045 gewezen uitspraak. Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. De zaak is behandeld ter zitting van de Raad op 21 september 2004, waar namens appellante is verschenen J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Metaalunie te Nieuwegein, en gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.D. van Someren en E. van Dompselaar, werkzaam bij het Uwv. II. MOTIVERING Bij besluit van 26 november 2001, als gewijzigd bij besluit van 10 december 2001, heeft gedaagde de voor appellante geldende gedifferentieerde premie op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) voor het premiejaar 2002 vastgesteld. Bij die vaststelling is mede in aanmerking genomen de in 2000 aan [werknemer] betaalde WAO-uitkering. Het hiertegen gerichte bezwaar van appellante is bij het bestreden besluit van 25 april 2002 ongegrond verklaard. In de aangevallen uitspraak is het beroep ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante uitdrukkelijk verlaten haar in eerste aanleg opgeworpen grond dat gedaagde in strijd met artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) haar geen gelegenheid heeft geboden om te worden gehoord. Alle overige, in hoger beroep aangevoerde gronden zijn door de Raad in zijn nadien ontwikkelde, partijen bekende rechtspraak, reeds verworpen, en zij slagen evenmin in het onderhavige geding. De Raad volstaat, in overeenstemming met partijen, voor de motivering naar de verwijzing naar die eerdere rechtspraak. De aangevallen uitspraak komt zodoende voor bevestiging in aanmerking. De Raad ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. A. Kovács als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004. (get.) R.C. Stam. (get.) A. Kovács.