Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4201

Datum uitspraak2004-09-29
Datum gepubliceerd2004-10-19
RechtsgebiedSociale zekerheid
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamCentrale Raad van Beroep
Zaaknummers02/6097 ZW
Statusgepubliceerd


Indicatie

Is terecht het standpunt gehandhaafd dat er geen aanleiding bestaat om op en na 23 maart 2001 aan betrokkene uitkering van ziekengeld te verlenen op grond van artikel 29 a, destijds zevende lid, van de Ziektewet? Oorzakelijk verband met bevalling.


Uitspraak

02/6097 ZW U I T S P R A A K in het geding tussen: de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, appellant, en [gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde. I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv. Bij brief van 4 juli 2001 is gedaagde vanwege appellant in kennis gesteld van een ten aanzien van haar genomen besluit (hierna: het bestreden besluit) ter uitvoering van de Ziektewet. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 28 oktober 2002 (reg.nr.AWB 02/1375 ZW) het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Appellant is op bij aanvullend beroepschrift (met bijlage) aangevoerde gronden van die uitspraak in hoger beroep gekomen. Namens gedaagde heeft mr. G.J.A. van Dijk, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te Amsterdam, een verweerschrift ingediend. Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 18 augustus 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde na kennisgeving niet is verschenen. II. MOTIVERING Gedaagde is laatstelijk via een uitzendbureau werkzaam geweest als administratief commercieel medewerkster voor 20 uur per week. Per 28 maart 2000 heeft zij zich wegens zwangerschapsklachten ziekgemeld. De bevalling vond plaats op 28 september 2000 en gedaagde heeft aansluitend een uitkering ingevolge artikel 29a van de Ziektewet ontvangen. Op 22 maart 2001 heeft gedaagde het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts, die de klachten van gedaagde van vermoeidheid, conditiegebrek en concentratiestoornissen niet beschouwde als een gevolg van de zwangerschap en de bevalling, en gelet ook op het tijdsverloop concludeerde dat deze klachten vooral werden beïnvloed door de privé-situatie van gedaagde en haar zorg voor twee jonge kinderen. Gedaagde werd dan ook na 23 maart 2001 niet langer arbeidsongeschikt geacht als gevolg van de bevalling of de daaraan voorafgegane zwangerschap. De bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg heeft zich blijkens een rapport van 26 juni 2001, mede op grond van door de behandelend gynaecoloog van gedaagde verstrekte informatie, achter deze conclusie geschaard. Gelet op dit rapport heeft appellant bij het bestreden besluit zijn standpunt gehandhaafd dat er geen aanleiding bestaat om op en na 23 maart 2001 aan gedaagde uitkering van ziekengeld te verlenen op grond van artikel 29 a, destijds zevende lid, van de Ziektewet. Ingevolge die bepaling heeft – kort samengevat - de vrouwelijk verzekerde, indien zij na de beëindiging van het recht op ziekengeld in verband met bevalling aansluitend nog ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid en die ongeschiktheid haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap, recht op ziekengeld ter hoogte van haar dagloon. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of in dit geval na 23 maart 2001 nog sprake was van een oorzakelijk verband, zoals in voormelde bepaling is bedoeld. De rechtbank heeft met het oog op de beantwoording van die vraag advies laten uitbrengen door prof.dr. H.J. van Aalderen, hoogleraar huisartsgeneeskunde. In zijn rapport van 19 december 2001 heeft deze deskundige na onderzoek van gedaagde aan de hand van informatie van de behandelend sector uiteengezet dat gedaagde ten tijde in geding leed aan extreme moeheid gepaard gaande met een depressief beeld. De huisarts had hiervoor antidepressiva voorgeschreven en haar tenslotte verwezen naar een psychotherapeut, bij wie zij in mei 2001 onder behandeling is gekomen. Volgens de door de huisarts verstrekte inlichtingen was ten tijde in geding tevens een complicerende factor dat de echtgenoot van gedaagde ernstig ziek was geweest en een operatie heeft ondergaan. De deskundige heeft zich in zijn rapport geschaard achter de mening van de huisarts, de behandelend gynaecoloog en de psychotherapeut dat hier sprake was van een postnatale depressie. In een brief van 15 december 2001 van de psychotherapiepraktijk Bos en Lommer wordt in dit verband gesproken van depressieve decompensatie (met vermoeidheid als meest extreme symptoom). Op grond van het vorenstaande concludeerde de deskundige in zijn rapport dat gedaagde na 23 maart 2001 als direct gevolg van de zwangerschap en bevalling ongeschikt was tot het verrichten van haar werk als administratief commercieel medewerkster. Bij brief van 9 september 2002 heeft de deskundige naar aanleiding van een commentaar van 9 januari 2002 van bezwaarverzekeringsarts W. Ruitenberg, zijn standpunt nader onderbouwd door erop te wijzen dat bij zijn onderzoek de depressie van gedaagde wel duidelijk in remissie was, maar dat zijn conclusie betrekking had op de datum in geding. De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat de conclusie van voornoemde deskundige voldoende is onderbouwd. Aan appellant kan worden toegegeven dat verschillende factoren in de privé-situatie van gedaagde destijds mede een rol hebben gespeeld, maar het gaat hier kennelijk om bijkomende factoren die niet afdoen aan de conclusie dat de zwangerschap of de bevalling moet worden gezien als de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid na 23 maart 2001. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd dan ook onvoldoende reden om die conclusie niet te volgen. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. Mitsdien wordt beslist als volgt. III. BESLISSING De Centrale Raad van Beroep, Recht doende: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen; Bepaalt dat van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een recht van € 409,- wordt geheven. Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der Vos en mr. M.C. Bruning als leden, in tegenwoordigheid van A. Bos als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2004. (get.) Ch. van Voorst. (get.) A. Bos. Gw