Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4425

Datum uitspraak2004-06-10
Datum gepubliceerd2004-10-22
RechtsgebiedPersonen-en familierecht
Soort ProcedureHoger beroep
Instantie naamGerechtshof 's-Hertogenbosch
ZaaknummersR200400102
Statusgepubliceerd


Indicatie

Hof ’s-Hertogenbosch, 10 juni 2004, R20040102, echtscheiding Appellanten zijn op 4 oktober 1986 te [naam stad], regio Moskou, Rusland getrouwd. Uit dit huwelijk is een dochter geboren. De vrouw en de dochter hebben de Nederlandse nationaliteit. Appellanten hebben gezamenlijk een verzoek tot echtscheiding ingediend bij de rechtbank. De rechtbank heeft appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellanten niet hebben voldaan aan hetgeen hen via de schriftelijke rol verzocht is. Het gba-uitreksel van de man, waarin zijn nationaliteit is vermeld, ontbreekt. Gelet op artikel 2.3. van het sedert 1 januari 2001 geldende procesreglement scheidings-procedure zijn partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek nu voor afloop van de op de rol genoemde termijn de gevraagde stukken niet zijn overgelegd en geen klemmende redenen zijn aangevoerd. In hun beroepschrift stellen appellanten dat het niet-ontvankelijk verklaren een te vergaand middel is. Voor zover juist is dat in het dossier een uittreksel uit de gemeentelijke basis-administratie betreffende de man waaruit diens nationaliteit ontbrak, wijzen zij erop dat uit de stukken blijkt dat de man reeds langer dan 12 maanden in Nederland woonachtig is. Op basis daarvan dient geconcludeerd te worden dat diens nationaliteit er niet toe doet. De man is niet in staat een bewijs van zijn nationaliteit over te leggen. Hof: Op grond van artikel 2 lid 1 sub a “Brussel II”-verordening (nr. 1347/2000) komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om over het verzoek tot echtscheiding te oordelen, nu uit de door appellanten overlegde stukken blijkt dat zij hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Uit de stukken blijkt niet van de nationaliteit van de man, doch blijkt in ieder geval dat de man in de stad [naam stad], regio Moskou is geboren. Voorts staat vast dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Verder blijkt uit de stukken dat de man sinds 3 juli 1997 zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, derhalve is op grond van artikel 1 lid 1 sub b Wet Conflictenrecht Echtscheiding Nederlands recht van toepassing. Nu blijkt dat het hof bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en dat op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht wordt toegepast, is het hof van oordeel dat de door appellanten gemeenschappelijk verzochte echtscheiding dient te worden uitgesproken.


Uitspraak

10 juni 2004 Rekestenkamer Rekestnummer: R200400102 GERECHTSHOF TE 'S-HERTOGENBOSCH Beschikking In de zaak in hoger beroep van: [naam appellante], wonende te [woonplaats], appellante, de vrouw, procureur mr. B.Th.H. Boomsma, en [naam appellant], wonende te [woonplaats], appellant, de man, procureur mr. B.Th. H. Boomsma. 1. Het geding in eerste aanleg. Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank te Breda van 18 november 2003, waarvan de inhoud bij partijen bekend is. 2. Het geding in hoger beroep. 2.1. Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 18 februari 2004, hebben appellanten verzocht voornoemde beschikking te vernietigen, in die zin dat alsnog de gemeenschappelijk verzochte echtscheiding ten aanzien van appellanten wordt uitgesproken. 2.2. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden. 2.3. De minderjarige [naam dochter] is in de gelegenheid gesteld haar mening aan het hof kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt door het schrijven van een brief. 2.4. Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van: - de producties, overgelegd bij het beroepschrift; - een brief van de minderjarige, binnengekomen ter griffie op 2 april 2004; - een brief met bijlagen van mr. E.R. Moes, advocaat van partijen, d.d. 5 mei 2004. 3. De gronden van het hoger beroep Het hof verwijst naar de inhoud van het beroepschrift. 4. De beoordeling 4.1. Appellanten zijn op 4 oktober 1986 te [naam stad], regio Moskou, Rusland getrouwd. Uit dit huwelijk is op 21 mei 1988 [naam dochter] geboren. De vrouw en de dochter hebben de Nederlandse nationaliteit. 4.2. Op 17 september 2003 hebben appellanten een gezamenlijk verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend bij de rechtbank te Breda. Bij beschikking van 18 november 2003 zijn appellanten niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek. De rechtbank overweegt hiertoe dat niet volledig is voldaan aan hetgeen via de schriftelijke rol is verzocht. Het gba-uittreksel van de man waarin zijn nationaliteit is vermeld ontbreekt. Gelet op artikel 2.3. van het sedert 1 januari 2001 geldende procesreglement scheidingsprocedure zijn partijen niet ontvankelijk verklaard in hun verzoek, nu voor afloop van de op de rol genoemde termijn de gevraagde stukken niet zijn overgelegd en geen klemmende redenen zijn aangevoerd. Tegen deze beschikking komen appellanten op. 4.3. Appellanten stellen dat het niet-ontvankelijk verklaren een te vergaand middel betreft waarmede de kwestie door de rechtbank is afgedaan. Voor zover juist is dat in het dossier een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie betreffende de man waaruit diens nationaliteit blijkt ontbrak, zij erop gewezen dat uit de stukken blijkt dat de man reeds langer dan 12 maanden in Nederland woonachtig is op basis waarvan geconcludeerd dient te worden dat diens nationaliteit er niet toe doet. De man is niet in staat een bewijs van zijn nationaliteit over te leggen. 4.4. Het hof overweegt als volgt. 4.4.1. Op grond van artikel 2 lid 1 sub a "Brussel II"-verordening (nr. 1347/2000) komt aan de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om over het verzoek tot echtscheiding te oordelen, nu uit de door appellanten overlegde stukken blijkt dat zij hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. 4.4.2. Uit de stukken blijkt niet van de nationaliteit van de man, doch blijkt in ieder geval dat de man in de stad [naam stad], regio Moskou is geboren. Voorts staat vast dat hij niet de Nederlandse nationaliteit bezit. Verder blijkt uit de stukken dat de man sinds 3 juli 1997 zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft, derhalve is op grond van art. 1 lid 1 sub b Wet Conflictenrecht Echtscheiding Nederlands recht van toepassing . 4.4.3. Nu blijkt dat het hof bevoegd is om van het verzoek kennis te nemen en dat op het verzoek tot echtscheiding Nederlands recht wordt toegepast, is het hof van oordeel dat de door appellanten gemeenschappelijk verzochte echtscheiding dient te worden uitgesproken. Derhalve zal het hof de voornoemde beschikking van de rechtbank vernietigen. 4.5. De proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen (gewezen) echtgenoten zijn. 5. De beslissing Het hof: vernietigt de beschikking van de rechtbank te Breda van 18 november 2003; en opnieuw rechtdoende: spreekt tussen appellanten, die op 4 oktober 1996 te [naam stad], Rusland met elkaar zijn gehuwd, de echtscheiding uit; compenseert de op beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt. Deze beschikking is gegeven door mrs. Koens, Smeenk-Van der Weijden en Van Griensven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 juni 2004 in tegenwoordigheid van de griffier.