Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4433

Datum uitspraak2004-10-17
Datum gepubliceerd2004-10-25
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamRechtbank Arnhem
Zaaknummers05/087721-01
Statusgepubliceerd


Indicatie

Anders dan in de uitspraken van de Rechtbank te Amsterdam van 21 maart 2001 (LJNnummer AB0702) en het Gerechtshof te Leeuwarden van 19 augustus 2004 (parketnummer 24-000926-03) is overwogen, acht de economische politierechter van de Rechtbank te Arnhem de regeling van de aansprakelijkheid van de werkgever ex artikel 8:1, lid 1, van het Arbeidstijdenbesluit wel verbindend. Overtreding van het Arbeidstijdenbesluit vervoer juncto artikel 8, lid 1, EG-verordening 3820/85.


Uitspraak

Rechtbank Arnhem Sector strafrecht Economische politierechter Parketnummer : 05/087721-01 Datum zitting : 11 oktober 2004 Datum uitspraak : 25 oktober 2004 VERKORT VONNIS TEGENSPRAAK In de zaak van de officier van justitie in het arrondissement Arnhem tegen naam : [verdachte] adres : [adres], plaats : [woonplaats] Raadsman: mr. J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem, uitdrukkelijk gemachtigd. 1. De inhoud van de tenlastelegging Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegelaten vordering wijziging tenlastelegging, tenlastegelegd dat: 1. F. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 5 maart 2001 te 05.29 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 16 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, -aanvangende op 7 maart 2001 te 07.20 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 26 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 2. B.W.A. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 4 februari 2001 te 20.44 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 14 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, -aanvangende op 18 februari 2001 te 20.00 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 43 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 3. M.P.C.A.H.E. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 11 februari 2001 te 19.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 2 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, -aanvangende op 28 februari 2001 te 15.35 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 4. F.T.M. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, aanvangende op 5 februari 2001 te 06.03 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 8 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 5. T.Q. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 25 februari 2001 te 21.53 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 25 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, -aanvangende op 27 februari 2001 te 07.13 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 48 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 6. R.J.J. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, aanvangende op 7 februari 2001 te 06.06 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 45 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 7. D. [naam] die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, aanvangende op 1 februari 2001 te 04.53 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 8. R.J.M.W.S. [naam] die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of (deels) daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 18 februari 2001 te 19.50 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 38 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, -aanvangende op 28 februari 2001 te 12.33 uur of daaromtrent, zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 50 minuten, in elk geval minder dan 9 uren, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder/werknemer; art 1 Wet op de economische delicten 2. Het onderzoek ter terechtzitting De zaak is op 1 april 2003 en 11 oktober 2004 ter terechtzitting onderzocht. Daarbij is de niet verschenen verdachte bijgestaan door haar uitdrukkelijk gemachtigde raadsman mr. J.B. Vallenduuk, advocaat te Haarlem. De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van de onder 1 tot en met 8 tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot: Feit 1: een geldboete van € 500,-- waarvan € 250,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 900,-- waarvan € 450,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; Feit 2: een geldboete van € 900,-- waarvan € 450,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 1800,-- waarvan € 900,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; Feit 3: een geldboete van € 1300,-- waarvan € 650,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 500,-- waarvan € 250,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; Feit 4: een geldboete van € 500,-- waarvan € 250,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; Feit 5: een geldboete van € 500,-- waarvan € 250,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 1800,-- waarvan € 900,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; Feit 6: een geldboete van € 1800,-- waarvan € 900,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; Feit 7: een geldboete van € 1800,-- waarvan € 900,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren; Feit 8: een geldboete van € 1800,-- waarvan € 900,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en een geldboete van € 900,-- waarvan € 450,-- voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De uitdrukkelijk gemachtigde raadsman heeft het woord ter verdediging gevoerd. 3a. Nietigheid dagvaarding Ter terechtzitting is namens verdachte het verweer gevoerd dat de dagvaarding nietig is nu de tenlastelegging als plaatsaanduiding “binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap en/of deels daarbuiten” noemt. Deze aanduiding behelst, volgens de raadsman, een onvoldoende duidelijke opgave van de plaats waar de strafbare gedragingen zich hebben afgespeeld. Met het oog op de toepasselijke regelgeving is het van belang dat in de tenlastelegging tot uitdrukking wordt gebracht waar dat vervoer zich heeft afgespeeld. Nu de tenlastelegging, voor zover inhoudend “binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap en/of deels daarbuiten”, in het opzicht van de opgave van de plaats waar het feit zou zijn begaan onvoldoende bepaald is, dient de dagvaarding in zoverre nietig te worden verklaard, aldus de raadsman. Voor zover de raadsman van verdachte het verweer strekkende tot het nietig verklaren van de dagvaarding op gronden als vermeld in de door de raadsman op die zitting overgelegde pleitnota heeft willen voeren, wordt dit verweer verworpen. Anders dan de raadsman is de economische politierechter van oordeel dat de tenlastelegging niet behoeft te worden aangemerkt als een obscuur libel, nu uit die tenlastelegging voldoende duidelijk blijkt wat verdachte wordt verweten en de dagvaarding ook overigens in overeenstemming is met de eisen gesteld in het eerste lid van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, zodat niet blijkt van nietigheid van die dagvaarding. 3b. De beslissing inzake het bewijs Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad. De economische politierechter acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 tot en met 8 tenlastegelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat bewezen wordt geacht dat: 1. F. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 5 maart 2001 te 05.29 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 16 minuten, -aanvangende op 7 maart 2001 te 07.20 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 26 minuten, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten 2. B.W.A. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 4 februari 2001 te 20.44 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 14 minuten, -aanvangende op 18 februari 2001 te 20.00 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 43 minuten, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten 3. M.P.C.A.H.E. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, , niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 11 februari 2001 te 19.35 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 2 uur en 45 minuten, -aanvangende op 28 februari 2001 te 15.35 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten 4. F.T.M. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, aanvangende op 5 februari 2001 te 06.03 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 8 minuten, zulks terwijl verdachte de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten 5. T.Q. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 25 februari 2001 te 21.53 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 4 uur en 25 minuten, -aanvangende op 27 februari 2001 te 07.13 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 48 minuten, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten 6. R.J.J. [naam], die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, aanvangende op 7 februari 2001 te 06.06 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 45 minuten, zulks terwijl verdachte de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten 7. D. [naam] die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, , niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, aanvangende op 1 februari 2001 te 04.53 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 50 minuten, zulks terwijl verdachte de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten 8. R.J.M.W.S. [naam] die als bestuurder van een voertuig waarop de Verordening (EEG) nr. 3820/85 van toepassing was, vervoer verrichte binnen het grondgebied van de Europese Gemeenschap, en/of daarbuiten, niet heeft gehandeld overeenkomstig artikel 8 van voornoemde Verordening, immers had die bestuurder in de periode van 24 uur, -aanvangende op 18 februari 2001 te 19.50 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 1 uur en 38 minuten, -aanvangende op 28 februari 2001 te 12.33 uur , zijnde het moment dat die werknemer -na een periode van dagelijkse/wekelijkse rust- de tachograaf in werking stelde, geen dagelijkse rusttijd als bedoeld in artikel 8 lid 1 van voornoemde Verordening genoten, doch bedroeg de langste achtereenvolgende rusttijd van die werknemer ongeveer 3 uur en 50 minuten, zulks terwijl verdachte (telkens) de werkgever was van die bestuurder; art 1 Wet op de economische delicten Hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd is niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Voor zover meer feiten bewezen zijn verklaard, worden de bewijsmiddelen alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarop deze betrekking hebben. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen. 4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde De raadsman heeft onder verwijzing naar de uitspraken van de economische politierechter te Amsterdam van 21 maart 2001 (LJN-nummer AB0702) en het Gerechtshof te Leeuwarden van 19 augustus 2004 (parketnummer 24-000926-03), geconcludeerd tot ontslag van rechtsvervolging, aangezien de verdachte in de tenlastegelegde periode niet aansprakelijk kan worden gesteld voor overtredingen van het Arbeidstijdenbesluit door zijn werknemers. De raadsman is, onder verwijzing naar de uitspraken van de economische politierechter te Amsterdam van 21 maart 2001 en van het Hof Leeuwarden van 19 augustus 2004, van mening dat, gelet op artikel 1, lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, de betreffende aansprakelijkheidsregeling onverbindend geacht moet worden, nu deze niet is vastgesteld bij wet in formele zin, noch krachtens zo'n wet. De Arbeidstijdenwet bevat, aldus de stelling van de raadsman, namelijk geen basis voor het bij algemene maatregel van bestuur regelen van een strafrechtelijke aansprakelijkheid, die afwijkt van de in de artikelen 45, 47, 48 en 51 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen vormen daarvan. De feiten zoals onder 1 tot en met 8 tenlastegelegd, zijn gepleegd in de periode februari en maart 2001, de periode derhalve vóór de inwerkingtreding van de wetwijziging, inhoudende de invoering van artikel 11:2, tweede lid Arbeidstijdenwet. De economische politierechter is evenwel van oordeel dat dit in casu niet met zich meebrengt dat verdachte niet strafbaar zou zijn. De economische politierechter overweegt als volgt. De ten tijde van de het plegen van de bewezenverklaarde feiten toepasselijke wetsbepalingen, die op 10 januari 2001 in werking zijn getreden (Koninklijk Besluit van 27 november 2000, Stb. 2001, 5), luiden als volgt: Art. 2.5:1 lid 4 Arbeidstijdenbesluit vervoer (rusttijd): “De bestuurder handelt overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van de verordening (EEG) nr. 3820/85.” Art. 2.5:3 Arbeidstijdenbesluit vervoer (rijtijd): “De bestuurder handelt overeenkomstig artikel 6 van de verordening (EEG) 3820/85.” Art. 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer (strafbaarstelling wegvervoer): Lid1: “Het niet naleven van de artikelen (...) 2.5:1 vierde lid, 2.5:3 (...) levert een strafbaar feit op.” Lid 2: “Behoudens (...) wordt, indien de bestuurder werknemer is, ingeval van het niet naleven van een tot de bestuurder gerichte bepaling, de werkgever aangemerkt als degene die de bepaling niet heeft nageleefd.” Lid 3: “Het tweede lid is niet van toepassing indien de werkgever aantoont dat door hem de nodige bevelen zijn gegeven, de nodige maatregelen zijn genomen, de nodige middelen zijn verschaf en het redelijkerwijs te vorderen toezicht is gehouden om de naleving van de bepaling te verzekeren.” In de vervoerswetgeving geldt sinds het ontstaan van wetgeving dat de gestelde regels zich in beginsel richten tot de werkgever: de werkgever is in beginsel dus hetnormadressaat. Dat geldt ook voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor wat betreft de arbeids- en rusttijden in of op voertuigen. Ook die is sinds de inwerkingtreding van wetgeving op dit terrein in beginsel gericht tot de werkgever. Sinds de inwerkingtreding van de Rijtijdenwet 1936, de bij de inwerkingtreding van de huidige Arbeidstijdenwet vervallenverklaarde voorganger van deze wet, geldt dat de werkgever normadressaat is in geval van schending van een wettelijke bepaling in deze. Dit is bepaald in artikel 3 Rijtijdenwet 1936 (oud) en in het Arbeidstijdenbesluit vervoer is deze situatie blijkens artikel 8:1 lid 2 en 3 Arbeidstijdenbesluit vervoer gehandhaafd. Blijkens artikel 8:1 lid 2, zoals ingevoerd bij het Besluit van 17 november 1998, houdende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit vervoer (Stb. 1998, 645), werd reeds duidelijk dat de werkgever in eerste instantie als normadressaat van artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer moest worden opgevat. Daarnaast was volgens de algemene bepaling, zoals verwoord in artikel 11:4 Arbeidstijdenwet, de werknemer mogelijk aansprakelijk. Sinds de inwerkingtreding van dit besluit gold als aansprakelijkheidsregeling artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer. Hiermee moet het oordeel dat er een wijziging van de strafrechtelijke aansprakelijkheid heeft plaatsgevonden door het wederom invoeren van de fictieve aansprakelijkheid van de werkgever worden genuanceerd. Een dergelijke aansprakelijkheid bestond immers reeds op grond van het toenmalige vigerende artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer. Het door de raadsman bedoelde vonnis van de economische politierechter Amsterdam van 21 maart 2001 gaat uit van het oordeel dat de aansprakelijkheidsregeling, zoals verwoord in artikel 8:1 lid 2 Arbeidstijdenbesluit vervoer, gelet op artikel 1 Wetboek van Strafrecht niet verbindend is, omdat deze regeling niet is vastgesteld bij wet in formele zin, noch krachtens zo'n wet. De Arbeidstijdenwet bevat namelijk, aldus de economische politierechter, geen basis voor het bij algemene maatregel van bestuur regelen van een strafrechtelijke aansprakelijkheid die afwijkt van de in artikel 45, 47, 48 en 51 Wetboek van Strafrecht opgenomen vormen van aansprakelijkheid. Dit oordeel is gebaseerd op de gedachte dat de formulering van fictief daderschap een specifieke vorm van daderschap is, die inhoudelijk overeenkomt met de vormen zoals verwoord in de genoemde artikelen van het Wetboek van Strafrecht. Echter, artikel 91 Wetboek van Strafrecht bewerkstelligt alleen dat de bepalingen van het Algemeen Deel van toepassing zijn op alle strafbepalingen in en buiten het Wetboek van Strafrecht, tenzij de (formele) wetgever anders bepaalt. Deze regeling vormt een bekrachtiging van het legaliteitsbeginsel en moet derhalve voorkomen dat de formulering en bestraffing van delicten willekeurige aangelegenheden worden. Ware de aan de uitspraak van de economische politierechter te Amsterdam ten grondslag liggende gedachte juist, dan zou gezien de regeling van de strafrechtelijke aansprakelijkheid in artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer in strijd met artikel 91 Wetboek van Strafrecht moeten worden geacht. Echter, een aansprakelijkheidsregeling kan niet in het algemeen worden opgevat als een daderschapregeling, zoals voorgestaan in het Algemene deel van het Wetboek van Strafrecht. De vorm van aansprakelijkheid, zoals opgenomen in artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer, betreft inhoudelijk een wettelijk vermoeden. De normadressaat van die bepaling wordt daarbij verantwoordelijk gehouden voor het intreden van bepaalde gedragingen. Inhoudelijk wordt de normadressaat een zorgplicht opgelegd om te voorkomen dat de gedraging plaatsvindt. Dergelijke regelingen zijn niet op te vatten als wettelijke daderschapconstructies, zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht. Zie bovendien artikel 8:1 lid 3 Arbeidstijdenbesluit vervoer, waarin het aan de werkgever wordt geacht aan te tonen dat deze voldoende maatregelen heeft getroffen om zijn aansprakelijkheid in strafrechtelijke zin teniet te doen. Dit laat onverlet dat voor een dergelijke aansprakelijkheidsregeling, gezien zijn karakter als nadere omschrijving van de strafbaarheid van het feit, wel degelijk aan de eisen moet voldoen die constitutioneel-rechtelijk daaraan worden gesteld. Dergelijke omschrijvingen dienen in de lagere wetgeving aan de eisen van delegatie te voldoen. De delegatiebepaling in kwestie, artikel 5:12 Arbeidstijdenwet, vormt tezamen met de artikelen 2:1, 2:7 en 4:3 van de Arbeidstijdenwet de basis voor nadere regelgeving van de arbeids- en rusttijden in of op voertuigen, aan boord van vaartuigen en voor loodsen, inclusief voor strafbaarstelling. Tenslotte is de aanduiding van strafbaar feit opgenomen in artikel 8:1, lid 1 Arbeidstijdenbesluit vervoer. De hier bedoelde delicten zijn overtredingen. De op te leggen straf in soort en maat is in dezen in artikel 6 van de Wet op de Economische Delicten bepaald. Bovendien biedt artikel 1, ten 4e van de Wet op de Economische Delicten een basis voor strafbaarstelling, niet alleen bij wet, doch ook krachtens wet, zoals in het onderhavige geval. De kwestie is, met betrekking tot een aantal oudere zaken (van vóór de inwerkingtreding van artikel 8:1, lid 2 Arbeidstijdenbesluit vervoer), een aantal keren voorgelegd aan de Hoge Raad. Hierbij werd een beroep gedaan op artikel 1, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht, inhoudende dat het hof niet had mogen veroordelen omdat de voor de verdachte meest gunstigste bepaling (namelijk: geen strafbaarheid vanwege onverbindende regelgeving) moest worden gehanteerd (zie onder meer HR 17 september 2002, LJN-nummer AE4249, HR 22 oktober 2002, JOL 2002, 572, LJN-nummer AE7573). De Hoge Raad is evenwel niet ingegaan op de stelling dat de bepaling onverbindend zou zijn geweest, maar stelde alleen dat uit niets blijkt dat de wetgever een veranderd inzicht omtrent de strafwaardigheid van deze overtredingen heeft gehad (zie r.o. 3.4 uit HR 17 september 2002 en r.o. 4.4. uit HR 22 oktober 2002). In verband met de omstreden onverbindendheid heeft de wetgever voor de zekerheid de wet gewijzigd, teneinde – zo blijkt uit de Memorie van Toelichting (TK, 2001-2002, 28 146, nr. 5) – te voorkomen dat de normering voor rij- en rusttijden niet adequaat kan worden gehandhaafd. Uit deze wetswijziging van 18 april 2002 – waarbij artikel 11:2, tweede lid van de Arbeidstijdenwet is ingevoerd, kan niet worden afgeleid dat de wetgever een ander inzicht heeft, nu de wijziging er slechts toe strekte om onzekerheid ten aanzien van de strafrechtelijke handhaving – welke was ontstaan als gevolg van de uitspraak van de economische politierechter te Amsterdam – weg te nemen. Gelet op het vorenstaande is de economische politierechter van oordeel dat de aansprakelijkheidsregeling, zoals vervat in artikel 8:1 Arbeidstijdenbesluit vervoer verbindend kan worden geacht. Het verweer van de raadsman wordt derhalve verworpen. Het bewezenverklaarde levert op: Ten aanzien van feit 1: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, meermalen gepleegd door een rechtspersoon. Ten aanzien van feit 2: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, meermalen gepleegd door een rechtspersoon. Ten aanzien van feit 3: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, meermalen gepleegd door een rechtspersoon. Ten aanzien van feit 4: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, gepleegd door een rechtspersoon. Ten aanzien van feit 5: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, meermalen gepleegd door een rechtspersoon. Ten aanzien van feit 6: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, gepleegd door een rechtspersoon. Ten aanzien van feit 7: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, gepleegd door een rechtspersoon. Ten aanzien van feit 8: Overtreding van een voorschrift krachtens artikel 5:12 tweede lid van de Arbeidstijdenwet, meermalen gepleegd door een rechtspersoon. De feiten zijn strafbaar. 5. De strafbaarheid van verdachte De verdachte is strafbaar voor het bewezenverklaarde nu overigens niet is gebleken van enige omstandigheid die verdachtes strafbaarheid opheft. 6. De motivering van de sanctie(s) Bij de beslissing over de straf heeft de economische politierechter rekening gehouden met: - de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan; - de rechtspersoon, waarbij onder meer is gelet op: - het uittreksel uit het algemeen documentatieregister betreffende verdachte, gedateerd 12 augustus 2004. De economische politierechter heeft bij de strafoplegging meer in het bijzonder rekening gehouden met de ouderdom van de feiten enerzijds en de ernst van de bewezenverklaarde feiten en de risico’s die de bewezenverklaarde feiten kunnen opleveren voor de verkeersveiligheid anderzijds. 7. De toegepaste wettelijke bepalingen Wetboek van Strafrecht: art. 14a, 14b, 14c, 23, 51, 62, 91; Wet op de Economische Delicten: art. 1, 2, 6; Arbeidstijdenwet: art. 5:12; Arbeidstijdenbesluit vervoer: art. 2.4:4, 2.5:1, 8:1; Verordening (EEG) nr. 3820/85, art. 8. 8. De beslissing De economische politierechter , rechtdoende: Verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan. Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij. Verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde feit 1 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 500,00 (vijfhonderd euro), waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en betaling van een geldboete te bedrage van € 900,00 (negenhonderd euro), waarvan € 450,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde feit 2 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 900,00 (negenhonderd euro), waarvan € 450,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en betaling van een geldboete te bedrage van € 1800,00 (achttienhonderd euro), waarvan € 900,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde feit 3 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 1300,00 (dertienhonderd euro), waarvan € 650,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en betaling van een geldboete te bedrage van € 500,00 (vijfhonderd euro), waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde feit 4 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 500,00 (vijfhonderd euro), waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde feit 5 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 500,00 (vijfhonderd euro), waarvan € 250,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, en betaling van een geldboete te bedrage van € 1800,00 (achttienhonderd euro), waarvan € 900,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde feit 6 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 1800,00 (achttienhonderd euro), waarvan € 900,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde feit 7 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 1800,00 (achttienhonderd euro), waarvan € 900,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Veroordeelt verdachte voorts wegens het bewezenverklaarde feit 8 tot betaling van een geldboete te bedrage van € 1800,00 (achttienhonderd euro), waarvan € 900,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. en betaling van een geldboete ten bedrage van € 900,00 (negenhonderd euro), waarvan € 450,00 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Aldus gewezen door: mr. M. Jurgens, economische politierechter, in tegenwoordigheid van W.J.H.M. Klaassen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 oktober 2004.