Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AR4577

Datum uitspraak2004-09-30
Datum gepubliceerd2004-10-27
RechtsgebiedBelasting
Soort ProcedureEerste aanleg - enkelvoudig
Instantie naamGerechtshof Amsterdam
Zaaknummers03/03949
Statusgepubliceerd


Indicatie

Beroepskosten en kosten van vermogensbeheer niet aftrekbaar in 2000 nu zij eerst in 2001 zijn betaald. Geen sprake van negatief loon. Geen sprake van schending van het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Geen sprake van onbehoorlijke wetgeving. Beroep gegrond vanwege het verbod van reformatio in peius.


Uitspraak

GERECHTSHOF TE AMSTERDAM Tiende Enkelvoudige Belastingkamer PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak in het beroep van X te Z, belanghebbende, tegen de uitspraak van de inspecteur van de Belastingdienst P, de inspecteur, gedagtekend 24 september 2003, betreffende de ten name van belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2000. Het beroep is behandeld ter zitting van 16 september 2004. Beslissing Het Hof - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt de bestreden uitspraak; - vermindert de aanslag tot ƒ 104.277; - veroordeelt de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot het beloop van € 10 en wijst de Staat aan dit bedrag aan belanghebbende te voldoen; en - gelast de Staat het betaalde griffierecht ad € 31 aan belanghebbende te vergoeden. Gronden 1. Belanghebbende, geboren in 1954, is door A (“de werkgever”) ontslagen als statutair directeur en werknemer. Met behulp van een advocaat heeft hij het ontslag aangevochten. De kosten die de advocaat ter zake aan belanghebbende in rekening heeft gebracht bedragen ƒ 82.250 (verder: de advocaatkosten). De dagtekening van de nota van de advocaat is 15 december 2000. Daarnaast heeft belanghebbende in verband met zijn ontslagprocedure advieskosten aan adviseur B betaald (verder: de advieskosten). De nota voor de advieskosten is gedagtekend 28 december 2000 en beloopt - afgerond - ƒ 16.391. Belanghebbende heeft kosten voor vermogensbeheer gemaakt. Die kosten bedragen ƒ 8.829. Belanghebbende heeft al deze kosten, in totaal ƒ 107.470, in 2001 betaald. 2. Voor het onderhavige jaar heeft belanghebbende aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen gedaan van een belastbaar inkomen ten bedrage van ƒ 112.703. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de inspecteur een correctie van ƒ 107.470 (zie 1) aangebracht. Hij heeft de aanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 220.173. De aanslag beloopt ƒ 104.277. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur het belastbaar inkomen op ƒ 220.515 vastgesteld. Met de bestreden uitspraak is de aanslag op ƒ 104.429 vastgesteld. Bij de bestreden uitspraak heeft de inspecteur de volgende elementen in aanmerking genomen (met tussen haakjes de bij de aanslagregeling in aanmerking genomen bedragen): - dividendbelasting: ƒ 734 (ƒ 333) - buitenl. bronbelasting: ƒ 97 (ƒ 44) - div. buitenl. bronbelasting: ƒ 341 (ƒ 176) - herleid onz. inkomen: ƒ 235.872 (ƒ 129.347) - aftrek elders belast: ƒ 97 (ƒ 44) 3. In geschil is het antwoord op de vraag of belanghebbende recht heeft op aftrek - van beroepskosten ad (ƒ 82.250 + ƒ 16.391 =) ƒ 98.641; en - van de kosten van vermogensbeheer ad ƒ 8.829. 4. Belanghebbende heeft - samengevat weergegeven - het volgende gesteld: a. Er is sprake van negatief loon met betrekking tot de advocaat- en advieskosten. b. Artikel 38 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (“Wet IB 1964”) belet in het onderhavige jaar niet de aftrek van het onder 1 genoemde bedrag van ƒ 107.470. c. Met betrekking tot de correctie van ƒ 107.470 is het vertrouwensbeginsel geschonden. d. Er is sprake van onbehoorlijke wetgeving. e. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden. 5. Met betrekking tot de onder 4a genoemde stelling heeft het volgende te gelden. De advocaat- en advieskosten strekten ter behoud van belanghebbendes loon of ter compensatie daarvan. De kosten waren geen terugbetaling van positief loon en ook geen betaling voor loon in natura of schadevergoeding voor het niet-nakomen van werknemersplichten. Er zou bovendien ook geen sprake zijn geweest van positief loon voor belanghebbende indien de geldstroom in omgekeerde richting zou zijn gegaan, daar de advocaat en adviseur B hem alsdan geen tegenprestatie voor het nakomen van zijn verplichtingen uit hoofde van zijn dienstbetrekking leverden (vgl. de punten 2.1 tot en met 2.8 van de conclusie van A-G Van Ballegooijen d.d. 12 juli 2004, nr. 39.870). Op grond daarvan is het Hof van oordeel dat de onderhavige betalingen niet als negatief loon kunnen worden aangemerkt. 6.1. Aftrekbare kosten worden in aanmerking genomen op het tijdstip waarop zij betaald of verrekend zijn, door de belastingplichtige ter beschikking zijn gesteld of rentedragend zijn geworden (artikel 38, eerste lid, van de Wet IB 1964). Belanghebbende heeft gesteld dat, geredeneerd vanuit de advocaat en adviseur B, de twee onder 1 genoemde facturen in het onderhavige jaar vorderbaar en inbaar zijn geworden en daardoor rentedragend zijn geworden (grief onder 4b). Naar het oordeel van het Hof is van ‘rentedragend worden’ sprake indien de verplichting tot betaling van de aftrekbare kosten wordt omgezet in een leenschuld en daarbij reëel onder de beschikkingsmacht van de crediteur is gekomen. Van een omzetting van een verplichting in een leenschuld is in casu geen sprake. Aangezien ook vaststaat dat de kosten niet in het onderhavige jaar betaald of verrekend zijn, faalt de onder 4b opgenomen stelling. Om dezelfde reden zijn de kosten voor vermogensbeheer (ƒ 8.829) in het onderhavige jaar evenmin aftrekbaar. 6.2. Belanghebbende heeft nog gesteld dat zonder wijziging van de Wet IB 1964 de kosten in 2001 aftrekbaar zouden zijn. Het Hof kan deze stelling onbesproken laten, daar zij niet de heffing over het onderhavige jaar betreft. 7. Ter onderbouwing van zijn onder 4c weergegeven grief heeft belanghebbende het volgende naar voren gebracht. In januari 1993 is rente ten bedrage van ƒ 837,80 bijgeschreven op een bankrekening van belanghebbende. De rente heeft betrekking op het vierde kwartaal van 1992. De inspecteur heeft die rente - na enige correspondentie - in aanmerking genomen bij het vaststellen van de aanslag voor het jaar 1992. Belanghebbende stelt dat de inspecteur het kasstelsel destijds niet heeft toegepast en dat hij er daarom op mag vertrouwen dat de inspecteur dat stelsel met betrekking tot de onderhavige kosten ook niet toepast. Het Hof volgt belanghebbende daarin niet, alleen al omdat uit de door belanghebbende overgelegde bescheiden en uit hetgeen hij ter zitting daaraan heeft toegevoegd niet blijkt dat de inspecteur met betrekking tot de rentebaten artikel 33, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 1964 destijds met betrekking tot het jaar 1992 niet goed heeft toegepast. De onder 4c opgenomen stelling faalt. 8. Nu belanghebbende met zijn grief over “onbehoorlijke wetgeving” (zie 4d) beoogt de innerlijke waarde van de wettelijke regeling aan de orde te stellen, stuit zijn beroep af op het bepaalde in artikel 11 van de Wet algemene bepalingen. Hetzelfde heeft te gelden voor het ontbreken van een overgangsregeling. 9. Voor zover belanghebbendes onder 4e weergegeven grief inhoudt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden daar een werkgever in 2000 bepaalde beroepskosten wel belastingvrij mocht vergoeden, maar de werknemer deze kosten niet mocht aftrekken als ze niet vergoed werden, faalt het reeds op grond van hetgeen de Hoge Raad in rechtsoverweging 3.4 in zijn arrest van 15 juli 1997 (nr. 30.195, BNB 1997/325) heeft overwogen. Voor zover de grief inhoudt dat voornoemd beginsel is geschonden omdat ondernemers meer kosten mogen aftrekken dan werknemers faalt het omdat de positie van een ondernemer dusdanig verschilt van die van een werknemer dat het de wetgever vrijstond om op dit punt ondernemers en werknemers verschillend te behandelen. Voor zover de grief inhoudt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden daar de in 2001 ingevoerde aftrekafsluiting van beroepskosten discriminatoir is, faalt het reeds omdat in de onderhavige procedure de aftrekbaarheid van kosten in het jaar 2001 niet aan de orde kan komen. 10. Gelet op het vorenoverwogene dient de onder 3 weergegeven vraag ontkennend beantwoord te worden. Het Hof verklaart het beroep echter gegrond omdat de inspecteur de aanslag bij de bestreden uitspraak op een hoger bedrag heeft vastgesteld dan hij bij de definitieve aanslag heeft gedaan (zie 2). Dit is in strijd met het verbod van reformatio in peius. 11. Nu het beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur in de proceskosten van belanghebbende als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen in het onderhavige geval voor vergoeding in aanmerking de reiskosten per tweede klasse van het openbaar vervoer die belanghebbende heeft moeten maken om de zitting te kunnen bijwonen. Overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten zijn niet gesteld of gebleken. Het Hof stelt de vergoeding vast op € 10. De uitspraak is gedaan op 30 september 2004 door mr. Goes, lid van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. Van Schaik als griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken. Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, door het lid van de belastingkamer en de griffier ondertekend. Het Hof heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm. U kunt binnen vier weken na de verzenddatum van dit proces-verbaal het gerechtshof schriftelijk verzoeken de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Voor het verkrijgen van een schriftelijke uitspraak is een griffierecht verschuldigd. Na het verzoek tot vervanging ontvangt U van de griffier een nota griffierecht. De vervanging van een mondelinge uitspraak door een schriftelijke strekt ertoe de mondelinge uitspraak in een andere vorm vast te leggen. Het gerechtshof mag daarbij de gedane uitspraak niet aan een heroverweging onderwerpen. Uitsluitend tegen een schriftelijke uitspraak van het gerechtshof staat beroep in cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarvoor is eveneens een griffierecht verschuldigd. Het ter verkrijging van een schriftelijke uitspraak betaalde griffierecht wordt door de griffier van de Hoge Raad in mindering gebracht op het voor beroep in cassatie verschuldigde recht.