
Jurisprudentie
AR4947
Datum uitspraak2004-12-14
Datum gepubliceerd2005-04-05
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00666/04 P
Statusgepubliceerd
Datum gepubliceerd2005-04-05
RechtsgebiedStraf
Soort ProcedureCassatie
Instantie naamHoge Raad
Zaaknummers00666/04 P
Statusgepubliceerd
Indicatie
Profijtontneming. T.a.v. de geldbedragen welke betrokkene heeft ontvangen voor de begeleiding van twee Chinese meisjes naar Italië houden noch de bewezenverklaring noch de bewijsmiddelen in het veroordelend arrest iets in omtrent de gedrageingen die hieraan ten grondslag liggen. Uit de in dat arrest en in de bestreden uitspraak opgenomen bewijsmiddelen blijkt evenmin dat de gedragingen vallen binnen het bewezenverklaarde te Schiphol, Den Haag en elders in Nederland deelnemen aan de criminele organisatie. HR vermindert zelf het ontnemingsbedrag.
Conclusie anoniem
Griffienr. 00666/04 P
Mr. Wortel
Zitting:26 oktober 2004 (bij vervroeging)
Conclusie inzake:
[verzoeker = betrokkene]
1. Dit namens verzoeker ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam waarbij verzoeker, als maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting is opgelegd aan de Staat € 6.421,98 te betalen, bij gebreke van volledige betaling en volledig verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 100 dagen.
2. Bij arrest van gelijke datum heeft het Hof in de onderliggende strafzaak een einduitspraak gedaan, waarbij verzoeker tot straf is veroordeeld. Ook tegen dat arrest is cassatie ingesteld. Voorts hangt die strafzaak samen met de zaak tegen een medeverdachte, die eveneens cassatieberoep heeft ingesteld, bij de Hoge Raad bekend onder griffienummer 00665/04. Heden concludeer ik ook inzake deze samenhangende zaken.
3. Namens verzoeker heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
4. Blijkens de bestreden uitspraak heeft het Hof aannemelijk bevonden dat verzoeker voordeel heeft behaald door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. Het Hof heeft die bewezenverklaarde feiten kort aangeduid als "mensensmokkel en deelname aan een criminele organisatie".
5. De bewijsmiddelen die het Hof aan zijn schatting van het door verzoeker wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag heeft gelegd houden het volgende in.
Verzoeker heeft verklaard dat hij in totaal negen mensen vanuit China naar Europa heeft gesmokkeld, dat hij per gesmokkelde persoon $ 500 ontving, en dat zijn onkosten volledig werden vergoed.
Voorts heeft verzoeker verklaard dat hij in verband met het smokkelen van één persoon van die persoon zelf nog € 1.100 heeft gekregen.
Daarnaast heeft verzoeker verklaard dat hij voor twee Chinese meisjes die hij in mei 2002 naar Italië heeft begeleid $ 250 per persoon heeft gekregen.
6. Blijkens een nadere bewijsoverweging heeft het Hof verzoekers voordeel geschat op het totaal van deze bedragen. Dat is 9 maal $ 500 plus 2 maal $ 250, derhalve $ 5.000 ofwel, volgens de door het Hof gehanteerde wisselkoers, € 5.321,98, plus € 1.100, in totaal € 6.421,98.
7. De beide middelen keren zich ertegen dat het Hof in deze berekening verzoekers verklaring omtrent de twee Chinese meisjes, voor wier begeleiding naar Italië hij twee maal $ 250 heeft gekregen, heeft betrokken.
8. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat noch uit de desbetreffende verklaring van verzoeker, zoals die is neergelegd in een bij de stukken gevoegd proces-verbaal van opsporingsambtenaren, noch uit andere stukken blijkt dat de meisjes niet beschikten over geldige paspoorten en visa. Daarom, zo wordt betoogd, is dat begeleiden van de meisjes niet aan te merken als een feit, soortgelijk aan de feiten waarvoor verzoeker is veroordeeld en waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat verzoeker het heeft begaan.
9. Klaarblijkelijk heeft het Hof dit feit ook niet aangemerkt als een soortgelijk feit in de zin van art. 36e, tweede lid, Sr. Het Hof heeft immers overwogen dat verzoeker zijn voordeel heeft behaald door middel van of uit de baten van de strafbare feiten waarvoor hij in de strafzaak is veroordeeld.
10. Doordat ook tegen het in de onderliggende strafzaak gewezen arrest cassatie is ingesteld kan de Hoge Raad vaststellen dat ten laste van verzoeker bewezen is verklaard dat hij:
(feiten 1 tot en met 3 telkens) tezamen en in vereniging met anderen de in de bewezenverklaring van deze feiten genoemde personen uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het zich toegang verschaffen tot Nederland en andere Staten (als bedoeld in art. 197a Sr), wetende dat die toegang wederrechtelijk was;
(feit 4) twee in de bewezenverklaring genoemde personen uit winstbejag behulpzaam is geweest bij het verblijven in Nederland, wetende dat dit verblijf wederrechtelijk was, en
(feit 5) heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had 'mensensmokkel' (in vereniging gepleegd) alsmede het bezit en gebruik (in vereniging begaan) van vervalste reisdocumenten.
11. Ook kan worden vastgesteld dat noch de in die strafzaak bereikte bewezenverklaring, noch de daarop betrekking hebbende bewijsmiddelen, iets inhouden omtrent twee Chinese meisjes die verzoeker in de maand mei 2002 naar Italië heeft begeleid.
12. Ik neem aan dat het Hof heeft geoordeeld dat verzoekers bemoeienis met die meisjes besloten ligt in de bewezenverklaring van deelneming aan de criminele organisatie.
13. Dat acht ik niet zonder meer begrijpelijk, aangezien de bewezenverklaring van dit feit inhoudt dat verzoeker aan de organisatie heeft deelgenomen te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), Den Haag en elders in Nederland, terwijl de organisatie, naast het bezit en gebruik van valse reisdocumenten, de smokkel van mensen naar Nederland beoogde. Daarom zou naar mijn inzicht nader bewijs behoeven waarom het begeleiden van de twee jonge vrouwen naar Italië onder die deelneming en dat oogmerk zijn te brengen, zodat verzoekers beloning voor dat begeleiden is aan te merken als een voordeel dat door middel van het feit is verkregen.
14. Hierbij neem ik overigens van de steller van het middel aan dat verzoekers verklaring, zoals die in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaren is weergegeven, inhoudt dat hij op verzoek van ene [betrokkene] naar Parijs is gegaan, en de twee meisjes vandaar naar Milaan heeft begeleid, terwijl die meisjes in het bezit waren van Chinese paspoorten die verzoeker niet heeft gezien.
15. Het middel houd ik aldus voor terecht voorgesteld.
16. Het tweede middel bevat de klacht dat verzoekers beloning voor het begeleiden van de meisjes ten onrechte in de schatting van het wederrechtelijk voordeel is betrokken, omdat verzoeker niet de Nederlandse nationaliteit bezit, en het feit zich (getuige verzoekers bij de politie afgelegde verklaring) tussen Parijs en Milaan heeft afgespeeld, derhalve buiten Nederlands grondgebied. Gelet op de art. 2 tot en met 5 Sr is, zo wordt betoogd, de Nederlandse strafwet niet op deze gedraging toepasselijk, zodat het Hof het daardoor verkregen voordeel buiten beschouwing had moeten laten.
17. De beloning die verzoeker voor het begeleiden van de meisjes heeft ontvangen zou naar mijn inzicht te herleiden zijn tot een bewezenverklaard feit (waarover de Nederlandse strafrechtsmacht zich uitstrekt) indien uit de bewijsmiddelen zou volgen dat en waarom deze gedraging valt binnen de bewezenverklaarde deelneming aan de criminele organisatie. Als gezegd meen ik dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel in dit opzicht onvoldoende met redenen is omkleed.
18. Ook dit middel is derhalve terecht voorgesteld.
19. Ambtshalve merk ik nog op dat, nu de bestreden uitspraak op 1 september 2003 nog niet onherroepelijk was, ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) op de onderhavige zaak niet langer art. 24d Sr toepasselijk is, doch art. 577c Sv zoals deze bepaling thans luidt.
De bestreden uitspraak kan derhalve ook niet in stand blijven voor zover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd.
20. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Gerechtshof voor een nieuwe behandeling in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Uitspraak
14 december 2004
Strafkamer
nr. 00666/04 P
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 12 augustus 2003, nummer 23/002305-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (China) op [geboortedatum] 1950, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Flevoland" te Lelystad.
1. De bestreden uitspraak
1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Rechtbank te Haarlem van 27 november 2002 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.421,98, subsidiair éénhonderd dagen hechtenis.
1.2. De aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. V.A. Groeneveld, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt erover dat de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel ontoereikend is gemotiveerd, omdat uit de bestreden uitspraak niet blijkt dat de betrokkene tweemaal een bedrag van $ 250,-- als wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.
3.2. Het Hof heeft de betrokkene bij arrest van 12 augustus 2003 in hoger beroep veroordeeld ter zake van - kort gezegd - mensensmokkel en deelname aan een criminele organisatie. In de bestreden uitspraak, die eveneens op 12 augustus 2003 is gedaan, heeft het Hof geoordeeld dat de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de strafbare feiten ter zake waarvan hij bij arrest van 12 augustus 2003 is veroordeeld en heeft het Hof het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 6.421,98, voor welk bedrag een betalingsverplichting is vastgesteld. In dit bedrag is begrepen een bedrag van tweemaal $ 250,--.
3.3. Het Hof heeft omtrent de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel het volgende overwogen:
"Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen is het hof gekomen tot de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op € 6.421,98, waarvan de berekening luidt:
de koers van de Euro bedroeg op 31 mei 2002 $ 0,9395; 9 x $ 500 + 2 x $ 250 = $ 5.000 = € 5.321,98, welk bedrag is vermeerderd met het in bewijsmiddel 5 vermelde bedrag van € 1.100.
Gelet op de bewijsmiddelen 4 en 5 acht het hof geen aanleiding om kosten in mindering te brengen."
3.4. Ten aanzien van tweemaal het bedrag van $ 250,--, welke geldbedragen de betrokkene heeft ontvangen voor de begeleiding van twee Chinese meisjes naar Italië, houden noch de bewezenverklaring noch de bewijsmiddelen in het veroordelend arrest iets in omtrent de gedragingen die hieraan ten grondslag liggen. Uit de in dat arrest en in de bestreden uitspraak opgenomen bewijsmiddelen blijkt evenmin dat de gedragingen binnen het bewezenverklaarde te Schiphol (gemeente Haarlemmermeer), Den Haag en elders in Nederland deelnemen aan de criminele organisatie vallen. In zoverre is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed, zodat het middel terecht is voorgesteld. Bedoelde bedragen zijn ten onrechte bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, voortvloeiende uit de bewezenverklaarde feiten, betrokken.
De Hoge Raad zal om doelmatigheidsredenen het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel verminderen met € 532,19.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Ingevolge de art. V en VI van de Wet van 8 mei 2003 tot wijziging en aanvulling van een aantal bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (Stb. 2003, 202) is op de onderhavige zaak art. 577c Sv van toepassing. De Hoge Raad zal de bestreden uitspraak vernietigen voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd (vgl. HR 7 oktober 2003, LJN AF9473).
5. Slotsom
Nu de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat het tweede middel geen bespreking behoeft en dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de hoogte van het opgelegde bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel en voorzover daarbij vervangende hechtenis is opgelegd;
Vermindert het bedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel in die zin dat de hoogte daarvan € 5.889,79 bedraagt;
Verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 december 2004.

